In mijn review van "Kijken door een sleutelgat; dagboeken en herinneringen" van Roger Martin du Gard (hieronder: RMG) uitte ik, behalve voor dit boek en de schrijver ervan, mede mijn waardering voor Anneke Alderlieste, pleitbezorgster voor en vertaalster van het werk van RMG. Die waardering is tijdens het lezen van "Luitenant-kolonel de Maumort", RMG’s laatste en onvoltooid gebleven boek, alleen maar toegenomen. Het kan niet anders of Alderlieste heeft buitengewoon veel zorg aan die vertaling besteed, en bovendien wordt er door haar ‘Nawoord en verantwoording’ nog het nodige toegevoegd aan het begrip van het rijke edoch complexe geheel dat Uitgeverij Meulenhoff het lezerspubliek voorschotelt in deze letterlijk vuistdikke pil. Vermeldenswaard is wat mij betreft zeker ook nog het feit dat Alderlieste de prachtige, stijlvolle foto heeft gemaakt die het stofomslag van het boek siert, een opname van RMG’s landgoed Le Tertre.
Lezers die aan "Luitenant-kolonel de Maumort" willen beginnen zonder kennis te hebben genomen van hetgeen over deze roman en de schrijver naar voren komt uit RMG’s dagboeken en herinneringen, doen er wellicht goed aan Alderliestes nawoord en verantwoording als eerste te lezen, als voorwoord. Ikzelf was tijdens het lezen van de ruim duizend bladzijden die eraan voorafgaan nog ronduit nieuwsgierig wat daardoor aan mijn begrip van het boek zou worden toegevoegd, en werd daarin allerminst teleurgesteld.
Zoals gezegd, RMG’s onvoltooid gebleven werk vormt een rijk en complex geheel. Die complexiteit zit ‘m in een grote diversiteit aan thema’s, alsmede natuurlijk in het feit dat de roman niet ‘af’ is en dat uit brieven en vooral dossiers moet worden opgemaakt hoe het complete werk er ongeveer uit zou hebben kunnen zien, en zit ‘m zeker ook in de bijna permanente dreiging als lezer protagonist Bertrand de Maumort (1870-1950, maar oorspronkelijk was sprake van een ander geboortejaar) en de auteur RMG (1881-1958) met elkaar te verwarren. Hun beider (fictieve respectievelijk reële) levens vertonen namelijk nogal wat parallellen, zowel in bepaalde feitelijke omstandigheden als op het punt van met name gedachtegoed en mens- en wereldbeeld. De persoon van de schrijver dringt zich bij tijd en wijle nadrukkelijk op aan de persoon van de protagonist, waarbij de tweede lijkt te fungeren als spreekbuis voor de eerste.
Het gegeven dat de roman "Luitenant-kolonel de Maumort" als zodanig onvoltooid is gebleven, overigens geheel conform RMG’s verwachting, valt vanzelfsprekend ernstig te betreuren. De inhoud ervan is in alle opzichten boeiend en indrukwekkend, en de auteur heeft het allemaal helder en fraai verwoord (hetgeen in de Nederlandse vertaling overeind is gebleven). Om een beeldspraak van RMG zelf te gebruiken: de saus waarmee de haas wordt opgediend, spoort alleszins met de kwaliteit van het vlees. Anderzijds heeft het ook wel wat, om de geenszins voltooide kathedraal van de luitenant-kolonel waar te nemen op de bouwplaats, te midden van grote hoeveelheden materieel en materiaal die nog aan de constructie zouden hebben moeten bijdragen. Lezers kunnen proberen zich een beeld te vormen van de delen (hoofdstukken) die nog ontbreken en van de betekenis daarvan in het geheel van het werk – zoals ook de charme en de aantrekkingskracht van een ruïne niet onder hoeven te doen voor die van iets wat volledig is gerestaureerd.
Wat nu spreekt mij inhoudelijk het meest aan in het onderhavige boek? Ik beperk me tot een paar punten, en wil dan om te beginnen de context noemen die de reeds afzonderlijk gepubliceerde novelle "De verdrinking" hier krijgt (de, van begin tot eind zeer overtuigende, tekst zelf is opgenomen als hoofdstuk XIII, pp. 412-476). Waar het ontbreken van iedere context in sommige reviews als manco is aangemerkt, worden de lezers in kwestie desgewenst alsnog royaal op hun wenken bediend.
Zeer gecharmeerd ben ik voorts, in feite gaat het hier om een van mijn stokpaardjes, van de antidogmatische instelling waarvan de luitenant-kolonel en/of diens schepper keer op keer getuigen en die ik met behulp van tal van citaten zou kunnen illustreren, zoals: “Bij een dogmatische geest denk ik altijd aan een kompas waarvan de naald is blijven steken…” (p. 736). Of: “(…) mijn hersenen zitten dusdanig in elkaar dat ik geen behoefte heb aan zekerheid. De kwade fee heeft die vloek niet boven mijn wieg uitgesproken. Een nogal uitzonderlijke buitenkans. Ik bezit het privilege (…) me op mijn gemak te voelen te midden van gissingen, tegenstrijdigheden, gebrek aan samenhang. (…) Ik leef in een sfeer van twijfel. Niets is simpel of helder. Je kunt nooit ergens zeker van zijn” (p. 772). En: “Denken is het tegenovergestelde van geloven; nadenken is in de eerste plaats verwerpen wat we meteen geneigd zouden zijn als onomstotelijk te zien; nadenken is in de eerste plaats ontkennen” (p. 1009). Het hele boek -roman, brieven, dossiers- kan worden gelezen als een ode aan de twijfel. Daarbij gaat het misschien niet eens zozeer om existentiële twijfel, als wel om de noodzaak, de betekenis, de rol van twijfel in wetenschap en samenleving. Het boek laat zich lezen als een pleidooi voor de kritische rede, voor de ratio. Hier en daar lijkt wel of Karl Popper himself al even voorzichtig om de hoek komt kijken.
Aldus leren we protagonist en auteur tot op zekere hoogte kennen als verlichte geesten, telkenmale getuigend van een sterke neiging tot nuanceren. Niet altijd, overigens. Men hoeft niet erg feministisch te zijn om een aantal passages te ontdekken die in onze tijd als uiterst vrouwonvriendelijk overkomen, en over boeren lezen we zelfs het volgende: “En ik haat de boer (…). Hij mag dan het zout der aarde en de kracht van de natie zijn, maar zijn ondeugden vormen een onoverkomelijk gebrek. Zijn deugd, zijn boerendeugd, die heilzame deugden waar de literatuur de lof van zingt omdat ze verzonnen zijn, ben ik maar heel zelden tegengekomen. In geen enkele andere klasse is het individu zo lomp, zo egoïstisch, zo schandelijk berekenend, zo sluw, achterbaks, stiekem, en weerzinwekkend slecht (…)” (p. 999). Dat kunnen, in Nederland in de zomer van 2022, de boeren van de Farmers Defence Force in hun zak steken.
Overigens heeft, in de tweede paragraaf (‘Maumort en de nazi’s’) van hoofdstuk XXII, een van de Duitsers die in de oorlog het landgoed van de luitenant-kolonel in beslag namen, ook ons als Goodreads-participanten nog wat interessants te melden. Deze Weissmüller beschouwt lezen als ‘een van de meest funeste hedendaagse gewoonten, een van de onzaligste erfenissen van de bourgeoisie, een sociale plaag die op dezelfde wijze bestreden zou moeten worden als alcoholisme…’ (p. 748). Proost, zullen we dan maar zeggen, en een volgend boek openslaan.