“Dit boek onderzoekt het streven om het goede van een goed menselijk leven door de sturende macht van de rede tegen het toeval te beschermen.” Wat is goed (grieks: eudaimonia)? Wat is het belang van de opmerking dat het om een goed ménselijk leven moet gaan? Welke rol spelen emoties en begeerten bij de rede? Wat betekent toeval (grieks: túche)? Nussbaum werpt talloze vragen op en in dit lijvige boek van 570 pagina’s plus ongeveer 100 pagina’s aan voetnoten gaat zij deze en nog veel meer beantwoorden. En de kracht van Nussbaum in dit boek is dat zij dat heel gestructureerd doet, de lezer aan de hand van drie kernvragen meeneemt. Die vragen luidden: (1) hoeveel ruimte moet een rationele invulling van een leven bieden aan zaken als vriendschap, liefde, maatschappelijke betrokkenheid, gehechtheid aan geld of bezit, allemaal zaken die zelf kwetsbaar zijn en die derhalve iemand die zijn of haar goed-zijn daarop baseert ook afhankelijk van het toeval maken? (2) Bestaan de afzonderlijke bestanddelen van een goed leven harmonieus naast elkaar of kunnen ze onder omstandigheden die iemand niet in zijn macht heeft strijdige eisen stellen, wat op zich afbreuk kan doen aan de goedheid van de betreffende persoon? (3) Wat is de ethische waarde van de zogeheten ‘irrationele delen van de ziel’: begeerten, gevoelens en emoties?
Het boek is verdeeld in drie delen. Na een uitvoerige en heldere inleiding (hoofdstuk 1) beschrijft zij hoe deze drie vragen/problemen aan de orde komen in een aantal tragedies uit de vijfde eeuw voor Christus (Agamemnon; Zeven tegen Thebe; Antigone), die vasthouden aan een onherleidbare rol voor het toeval bij het bepalen van een mensenleven en de waarde daarvan (deel I, hoofdstukken 2 en 3 ). Vervolgens beschrijft Nussbaum Plato’s poging in zijn dialogen uit de middenperiode om het leven van mensen te beschermen door het immuun te maken voor het toeval (deel II, hoofdstukken 4 t/m 7). Tot slot komt het meest uitvoerig aan bod hoe Aristoteles allerlei inzichten en waarden uit de tragedies weer oppakt en een opvatting van morele rationaliteit formuleert die mensen onafhankelijk moet maken op een voor mensen passende manier (deel III, hoofdstukken 8 t/m 13). Volgens Nussbaum kan tragische poëzie een inhoudelijke bijdrage leveren aan een onderzoek naar toeval en menselijke goedheid die ontbreekt als we ons zouden beperken tot traditioneel filosofische teksten. Tussen de hoofdstukken door gaat Nussbaum in zogenoemde ‘tussenspelen’ nader in op het belang van stijl: haar aanname (die overigens overtuigt) is dat de stijl waarin menselijke dilemma’s worden besproken niet neutraal is, maar dat daarin al een opvatting tot uitkomt komt over wat inzicht is en hoe de ziel dat kan verwerven. Dus het verschil tussen proza en poëzie, de dialoogstijl van Plato en meer komt ook uitgebreid aanbod. Nussbaum tracht ook in haar eigen schrijven recht te doen aan deze opvatting, om in de hoofdstukken over de tragedies een ontvankelijkheid voor metaforische en emotionerende taal te hanteren (meer literaire elementen), en in de hoofdstukken over met name Aristoteles een meer wetenschappelijke, verklarende stijl. Persoonlijk waardeer ik met name haar verklarende stijl, haar gestructureerdheid, maar het is zeker waar dat Nussbaum ook goed ontvankelijkheid weet over te brengen.
In het eerste deel blijkt dat de tragedies niet zozeer een oplossing voor het probleem van morele conflicten geeft, als wel de rijkdom en diepgang van dat probleem toont. Dat het meedogenloos vereenvoudigen van waarden om conflicterende verplichtingen uit te sluiten (zoals Kreon, maar ook Antigone zelf!) met een te grote prijs betaald moet worden. Zowel Kreon als Antigone hanteert een smalle, beperkte morele strategie: in de ene is één enkele menselijke waarde tot het ultieme doel gemaakt (burgerschap); in de andere gaat één bepaalde plicht boven alle andere (het begraven van doden). In de Agamemnon blijkt dat er soms conflicten zijn waarbij elk alternatief vreselijk is (het offeren van een kind of heiligschennis tegen de goden), waarbij geen sprake is van eigen toedoen en hoe dan ook een prijs betaald moet worden. Maar dan, zo laat Nussbaum zien, is voor een goed leven nog steeds van belang wat de visie en emotionele reactie is van de persoon op het conflict.
Vanaf pagina 150 stappen we over naar Plato’s ‘extreme, strenge en mooie voorstel voor een onafhankelijk menselijk leven’. Volgens Plato is een hoofdtaak van de filosofie het uitschakelen van het risico dat mensen blootstaan aan toeval. Het toeval heeft zo’n grote invloed omdat mensen zich hechten aan kwetsbare objecten en activiteiten; meervoudige waarden nastreven en onze plannen en streven wordt ontspoord door hartstochten en behoeften. Plato is op zoek naar een wetenschap (grieks: techné) die de mens hiertegen kan wapenen. Daarbij is meten van groot belang, om met wetenschappelijke kennis uiteenlopende zaken kwalitatief homogeen en onderling uitwisselbaar te maken.
Een mooie passage van Nussbaum (p. 176) is voor mij het citeren waard: “Als we overwegen om onze huidige ethische ziektes met een nieuwe vaardigheid te bestrijden, moeten we dan ook met de grootst mogelijke zorgvuldigheid bedenken wat voor leven we met die nieuwe vaardigheid zullen krijgen en welke nieuwe doelen daarmee gepaard gaan. Misschien willen we helemaal geen ingrijpende oplossing als het gevolg daarvan is dat we niet langer menselijk zijn. Dan is het immers nauwelijks óns leven meer dat gered wordt.” Een belangrijke waarschuwing in het licht van de huidige (al dan niet terechte) hype van Artificial Intelligence (AI) en de vaak verwachte grootse zegeningen die dit voor de mensheid met zich zal brengen.
Na hoofdstuk 4 volgt het eerste tussenspel: ‘Plato’s antitragische theater’. Van belang is om te realiseren dat in de Griekse oudheid allerlei verschillende soorten teksten onderricht in ethische kennis boden (epische, lyrische, tragische, komische poëzie, natuurwetenschappelijke of historische verhandelingen en de retorica), en met name dichters als belangrijkste ethische leraren werden beschouwd. Nussbaum laat zien hoe de dialoogvorm van Plato door zijn vorm van actief, lopend gesprek en open einde een dialectische relatie met de lezer tot stand brengt, van wie een kritische en actieve betrokkenheid bij de uitwisseling van ideeën wordt gevraagd (min of meer zoals van een toeschouwer bij een tragedie wordt gevraagd dat hij er over nadenkt wat de gebeurtenissen voor zijn eigen waardestelsel betekenen). Maar we zien in de dialogen van Plato niet (1) personages die betrokken zijn in een handeling en (2) de niet-verstandelijke elementen van de menselijke ziel. Dat dit volgens Nussbaum (zie ook later hierover uitgebreid Aristoteles) een gebrek is, is inmiddels wel duidelijk. Plato is in zijn middenperiode (Nussbaum laat mooi de ontwikkeling van Plato zien en zelfs dat Plato expliciet terugkomt van eerdere denkbeelden) ervan overtuigd dat in het morele en intellectuele leven van mensen reacties vanuit de zintuigen en emoties een sterk negatieve rol spelen, en dat een goede menselijke ontwikkeling het beste kan worden bevorderd door het intellectuele deel van de ziel te ‘scheiden’ van dergelijke reacties. De stijl van Plato, de filosofische dialoogstijl, zet zich af tegen het zuiver literaire en in deze stijl brengt tot uiting dat het verstand (zonder emoties, zonder begeerten) de ultieme bron van waarheid is. Stijl is dus allesbehalve neutraal.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 De Republiek besproken, waarin wordt betoogd dat het beste leven voor een mens het leven van de filosoof is, een leven gewijd aan leren en nadenken over waarheid. En waarin het beste leven een leven is dat door de rede wordt geregeerd. Iemand waarbij hechting aan inherent instabiele doelen zoals liefde, seks, macht en rijkdom ontbreekt, is daarmee vanzelf ook de gangbaarste oorzaken van waardeconflicten kwijt. Zoals Nussbaum hier al laat doorschemeren (en bij het deel over Aristoteles verder uitwerkt), is dit een goddelijk ideaal, wat onaantrekkelijk is omdat het minachting inhoudt van allerlei dingen die we belangrijk vinden en omdat het voor ons leven áls mens niet relevant is. Is het wel mogelijk om de wereld en de waarde ervan te zien en te kennen los van onze menselijke interpretaties en zienswijzen, die gevormd zijn door onze belangstelling, betrokkenheid en leefwijze? Een interessant argument van Plato is dat de mens van nature een wezen is dat via de rede zijn louter menselijke grenzen wil overstijgen. Daar valt wel het een en ander op af te dingen, maar dat bepaalde groepen mensen dit toejuichen bewijst de stroming van het transhumanisme.
In hoofdstuk 6 wordt het Symposium uitgebreid besproken, met de nadruk op Socrates’ toespraak en – meest interessant – die van Alkibiades. Als hem wordt gevraagd om over liefde te spreken, wil Alkibiades het over een concrete liefde hebben. Zijn hele toespraak is een poging de uniekheid over te brengen. Zijn verhaal brengt waarheden over met behulp van beelden en gelijkenissen. Via Alkibiades’ toespraak komen we erachter dat er een vorm van inzicht is die neerkomt op een alerte reactie van verstand, voorstellingsvermogen en gevoel op de concrete bijzonderheden van een situatie. Verder wordt onder meer de rol van dichterlijke of literaire teksten bij moreel onderricht bepleit: voor echt begrip is het vaak noodzakelijk dat het voortkomt uit de cognitieve activiteit van verbeeldingskracht, emoties en zelfs lustgevoelens. Door jezelf in een probleem te verplaatsen en het te ervaren, en omdat we niet alles zelf kunnen ervaren wat noodzakelijk is voor een goed leven, kan de literatuur met haar verhalen en beelden ons stimuleren.
Hoofdstuk 7 vervolgt met de Faidros, waaruit een gedeeltelijke herroeping van Plato’s eerdere standpunt blijkt. Er volgt een nieuwe opvatting van de rol van gevoelens, emotie en concrete liefde in een goed leven. De niet-verstandelijke elementen worden door Plato nu gezien als noodzakelijk als bron van motiverende energie, en hebben een belangrijke sturende rol bij ons streven naar inzicht. Ze hebben een cognitieve waarde, want ze geven de persoon als geheel de informatie waar het goede en schone te vinden is. Wat Waarheid betreft, het verstand bereikt haar nog steeds, maar niet alle waardevolle waarheden hebben nu de vorm van algemene verklaringen of definities. De hartstochten en de daardoor geïnspireerde handelingen zijn intrinsiek waardevolle bestanddelen van het beste leven voor een mens. Opvallend is dus dat Plato nu bereid is om over de vraag naar het beste leven te oordelen vanuit het standpunt van de belangen, behoeften en beperkingen van het betreffende wezen (dus een menselijk leven). Deze gewijzigde opvatting van Plato werkt door in zijn stijl: meer dan eerdere besproken toespraken van Plato bevat deze metaforen, personificaties, kleurrijke, ritmische en verfijnde taal. Hij spreekt behalve het verstand ook het voorstellingsvermogen en de gevoelens aan.
Op pagina 336 begint het meest uitgebreide deel III, over Aristoteles. Aristoteles ontwikkelt een opvatting over de juiste verhouding van een mens tot toeval (tuché) die neerkomt op een terugkeer naar en een nadere formulering van allerlei inzichten van de tragedies. Aristoteles uitgangspunt is ethisch antropocentrisme: elk onderzoek hoe de mens zich tot toeval en de wereld van de natuur verhoudt, moet impliciet of expliciet aangeven wat het betekent om een menselijk dier te zijn. Hoofdstuk 8 gaat dan ook uitgebreid in op wat het betekent om mens te zijn, over hoe wij kennis vergaren en het belang van fenomenen (of verschijnselen) in verhouding tot theorie. Volgens Aristoteles staan verschijnselen en waarheid niet tegenover elkaar, zoals Plato geloofde. Wij kunnen alleen maar waarheid hebben binnen de kring van verschijnselen, omdat we alleen daar kunnen communiceren en verwijzen. Zodra we gaan theoretiseren, benadrukt Aristoteles telkens weer, lopen we onmiddellijk het gevaar van een te sterke vereenvoudiging. Onze taal en leefwijzen zijn rijker en complexer dan veel filosofische stromingen erkennen.
In hoofdstuk 9 staat de verklaring van handelen centraal. Waarom bewegen dieren? Volgens Aristoteles heeft een analyse van gedrag belangrijke gevolgen voor de ethiek, met name als het vragen over onze kwetsbaarheid en passiviteit betreft. In plaats van louter passief een invloed te ondergaan, hebben we een complexe ontvankelijkheid die openstaat voor de wereld en zich op haar beurt naar buiten op de wereld richt (streven). Hiermee wordt rationeel handelen gedemystificeerd, omdat we daar nu op dezelfde manier naar kijken als naar de bewegingen van dieren. Evenals die bewegingen is het een selectief reiken naar iets en richt het zich op objecten waarvan gedacht wordt dat ze in verband staan met de ervaren behoeften. Dieren lijken minder dierlijk en mensen meer op een dier. We zijn geen inerte objecten en geen volmaakte goden, wij worden niet eenvoudig voortbewogen van binnenuit en bewegen evenmin spontaan uit onszelf, maar omdat we onvolledig zijn, reiken we allemaal naar buiten, naar dingen in de wereld.
Hoofdstuk 10 is de aristotelische tegenhanger van de hoofdstukken 4 en 5. Aristoteles zegt allereerst dat het maken van morele afwegingen niet wetenschappelijk is en ook niet kan zijn en ten tweede dat de passende maatstaf voor een correcte keuze volledig menselijk is, die zijn of haar oordeel baseert op een lange en brede ervaring. Aristoteles benadrukt het belang van praktisch inzicht, en stelt de praktijk boven theorie. Nussbaum laat zien dat Aristoteles hierin niet doorslaat: regels zorgen voor bestendigheid en stabiliteit in situaties waarin vooringenomenheid en hartstocht het oordeel dreigen te vertroebelen. Dus wetten en algemene regels blijven ook bij Aristoteles hun waarde houden.
Hoofdstuk 11 gaat over de kwetsbaarheid van het goede menselijke leven en de rol die rampspoed heeft. Aristoteles beschrijft, zoals zijn methode vaker is, twee extreme standpunten om ons te helpen een standpunt te vinden dat rekening houdt met de drijfveren van beide groepen, maar de uitwassen ervan vermijdt. Dit betekent echter niet per se een veilige, saaie middenweg. Elk extreem standpunt wordt serieus genomen als authentiek onderdeel van de verschijnselen en daarmee moet rekening worden gehouden. Nussbaum geeft een heldere samenvatting van dit hoofdstuk op p. 467 die ik parafraseer: een goed karakter van een deugdzaam volstaat op zich zelf niet om ten volle goed te leven. We eisen dat dit goede karakter een uitdrukking of vervulling krijgt door handelen. Door te handelen krijg je met de wereld te maken, zodat je kwetsbaar wordt. Elke invulling van goed leven heeft dit element van risico. Een meegevende, open houding tegenover de wereld verleent hem de kwetsbaarheid, maar ook de schoonheid van een plant.
Hoofdstuk 12 vervolgt met de rol van relaties in het goede menselijke leven en de kwetsbaarheid die dat met zich brengt. Ook hier geldt dat je voor een goed menselijk leven risico gaat lopen, dat is onvermijdelijk. Maar als je eenheid en harmonie nastreeft door mogelijke bronnen van conflict weg te halen, verdwijnt daarmee ook de waarde. Omdat het doel van de aristoteliaan echter niet zozeer geluk is in de zin van tevredenheid, als wel in de zin van een vervuld leven dat rijk is aan waarden, is het geen oplossing dat je dan maar een waarde weglaat om je gelukkiger te voelen, dat je minder eisen aan de wereld stelt om prettigere antwoorden te krijgen.
Na hoofdstuk 12 volgt het tweede tussenspel over toeval en de tragische emoties. De grote tragische verhalen verkennen het verschil tussen onze goedheid en goed leven, tussen wat we zijn (ons karakter, onze bedoelingen, idealen, waarden) en in hoeverre we erin slagen als een goed mens te leven. Volgens Aristoteles kunnen medelijden en angst een bron van verlichting of verheldering worden, omdat iemand die op zijn of haar reacties afgaat en er gehoor aan geeft, een rijker zelfinzicht krijgt inzake de banden en waarden waarop deze reacties berusten. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Plato waarbij medelijden en angst nooit meer zijn dan een bron van misleiding en verwarring. Deze emoties, deze reacties zijn dan ook waardevol en verhelderend en net als het inzicht en de percepties van het verstand ook elementen van een juiste morele perceptie van onze situatie. Voor wie daar verder in is geïnteresseerd, heeft Nussbaum het nog omvangrijkere boek ‘Oplevingen van het denken, over de menselijke emoties’ geschreven.
Het laatste hoofdstuk, 13, gaat nader in op de tragedie van Euripides, Hekabe. Wat dit stuk laat zien door zijn verkenning van de mogelijkheden van een ideaal zoals dat van Aristoteles, is dat er waarde verloren gaat wanneer de risico’s die specifiek menselijke deugden met zich meebrengen worden uitgesloten. De mens zit als sociaal wezen tussen dieren en goden in en wordt ten opzichte van deze onafhankelijke wezens gedefinieerd door zijn open, kwetsbare aard, door de relationele aard van zijn belangrijkste waarden. Maar als mens-zijn een kwestie is van de aard van iemands vertrouwen en betrokkenheid en geen onveranderlijk van nature gegeven feit, dan is de mens ook het wezen dat het gemakkelijkst kan ophouden zichzelf te zijn – ofwel door zich (platonisch) te verheffen tot de onafhankelijkheid van het goddelijke, ofwel door af te glijden naar de onafhankelijkheid van hondsheid. Het betoog van Aristoteles waarin hij de inzichten van de tragedies voortzet en verfijnt, herinnert ons er echter aan dat we nooit zuiverheid of eenvoud kunnen bereiken zonder dat ons leven aan rijkdom en volheid verliest.
Na lezing van dit indrukwekkende boek krijg ik direct de neiging om de dialogen van Plato, de tragedies van Aischylos, Sophocles en Euripides te gaan lezen. Ervaring leert echter dat dit soms taaie kost kan zijn. Het is de grote verdienste van Nussbaum dat zij op een zeer gestructureerde wijze deze antieke Griekse denkers toegankelijk en relevant maakt voor mensen die willen nadenken en wellicht keuzes willen maken over wat een goed menselijk leven voor hen inhoudt.