Een historisch perspectief bieden bij het interpreteren van de actuele spanningen in de Belgische dat is het doel van dit inmiddels klassieke overzichtswerk. Daarom werd het voor deze tiende druk volledig geactualiseerd en bijgewerkt. Els Witte, Alain Meynen en Dirk Luyten beschrijven het politieke proces in zijn bredere maatschappelijke context. Niet alleen de strijd om de macht in de politiek en de Wetstraat, maar ook de economische en sociale veranderingen en de pressiegroepen die ze mee doordrukten, worden belicht. Alle belangrijke gebeurtenissen vanaf 1830 worden op thematisch- chronologische wijze belicht, met als rode draden de sociaal-economische, de levensbeschouwelijke en de communautaire tegenstellingen in ons land. Ook heel recente ontwikkelingen zoals de bankencrisis, BHV en de zesde staatshervorming, de aanvallen in Zaventem en de Brusselse metro et cetera komen ter sprake. Het resultaat is een levend en volledig geactualiseerd standaardwerk. Het boek bevat een uitgebreide bibliografie, een personenen zakenregister en een chronologisch overzicht van de regeringen sinds 1830.
Soms moet je beginnen met de klassiekers. Vooral het hoofdstuk van Alain Meynen over de socio-economische ontwikkelingen na 1945 geeft een goed overzicht. Hij geeft je de details, maar leidt je moeiteloos door het overkoepelende verhaal.
In een eerste instantie toont Meynen aan dat men tracht de economische crisis op te lossen met de oude recepten en binnen de oude structuren in de jaren ’70. De groei van de Belgische productie was afhankelijk van buitenlands kapitaal, hetgeen ten alle koste moest blijven binnenstromen. Toch daalde die met 60% tussen 1974 en 1975. Er trokken daarnaast ook enkele bedrijven terug, hetgeen niet zonder slag of stoot gebeurde: de talrijke stakingen op bedrijfsniveau zijn daarvan getuige. De staat werd verplicht om meer te interveniëren, hetgeen vaak gebeurde via participaties van de Nationale Investeringsmaatschappij (NIM) en directe bestellingen. Aan de ene kant legde dit een grote druk op de staat om meer uit te geven, aan de andere kant daalden nu net ook de staatsinkomsten door de slabakkende economie. In 1960 vertegenwoordigden de staatsuitgaven 34% van het BNP, hetgeen in 1976 al 50% was. Het resultaat was een crisis van de staat, die van de regionale breuklijnen kloven maakte. Het was immers vooral Wallonië die veel steun kreeg.
Als reactie kwam het eerste “soberheidsinitiatief” van de regering Tindemans I & II (1974-1977), een regering van tsjeven en liberalen. Bestrijding van de inflatie en staatsuitgaven was een centrale as van haar politiek, hetgeen vorm kreeg in een indrukwekkende reeks herstelwetten, programmawetten, versoberingsprogramma’s, indexmanipulaties en saneringsplannen. Het was de eerste aanval op de verworvenheden van de arbeidersklasse. Maar ze werd ook meteen geconfronteerd met scherp verzet. Het aantal stakingen steeg met 47% van 1975 naar 1976. Belangrijker was het gemeenschappelijke vakbondsfront dat uit de organisatie groeide: het ABVV en ACV stonden samen sterk. Vanaf 1977, toen de regering de harde besparingen in het Egmontplan aankondigden, werd de druk op de vakbondsleiding groot: ook binnen de basissen van het ACV riep men op tot een algemene staking. Het vakbondsoffensief oversteeg de fabrieksstakingen en richtte zich nu op de overheid, met de vrijdagsstakingen als symbolisch hoogtepunt. De regering strandde in 1977 en ontbond zichzelf. De eerste besparingsmaatregelen hadden de gevestigde orde uitgedaagd, maar ze had verloren.
Uiteindelijk overwon dus de keynesiaanse overlegstructuur op de besparingsmaatregelen. Maar daarmee was de kous niet af. De crisis bleef de politiek economische structuur bedreigen. Het aantal werklozen bleef stijgen (waarvan de uitkeringen geïndexeerd waren), maar ook de reële lonen bleven stijgen. In periodes van hoge inflatie is dit zowel een ramp voor de staatsfinanciën als een ramp voor private accumulatie.
Tussen 1977 en 1981 trachtte men de crisis te bestrijden met de gekende recepten, zonder op de tenen te stappen van de machtige actoren. De christendemocraten ruilden de liberalen in voor de socialisten, maar dit was alles behalve een gelukkig huwelijk: Tijdens deze vier jaar zouden er 7 regeringen vallen. Ze draaiden voornamelijk rond het terugdringen van werkloosheid door een systeem van brugpensioenen en deeltijds werk te introduceren en de industriële vernieuwing door te voeren via oa het Fonds voor Industriële Vernieuwing (1978). De staat begon zich nog meer te mengen in de reorganisatie van de belangrijkste industrieën, via het Staalplan en Textielplan. De staat kreeg daarme relatieve meerderheden in de raden van bestuur van belangrijke fabrieken, terwijl de macht bij de private firma’s bleef. Een nationalisering, maar niet zoals we die graag zouden zien. Het doel van dit beleid was duidelijk: de economische groei doen hervatten zonder pijnlijke saneringen. De staat legde daarvoor een extra duitje in het zakje. Het enige échte gevolg was echter een verder ontsporen van de staatsuitgaven zonder verheffing uit de crisis. Het geld ging vooral naar het vermijden van sociale catastrofes, eerder dan investeringen in hoogtechnologische sectoren. Zoals Meynen concludeert: “het Nieuw Industrieel Beleid ging er impliciet van uit dat, op voorwaarde dat de nodige correcties werden aangebracht, een herstel van het groeischema van de jaren zestig tot de mogelijkheden behoorden.
De onmogelijkheid om de crisis op te lossen vergrootte de ruimte om een neoliberale confrontatiepolitiek te opteren. Maar het vakbondmilitantisme moest gebroken worden. In 1977 waren er 264 stakingen, 379 in 1978, 283 in 1979, 316 in 1980 en 252 in 1981. Dit was vooral irritant voor de katholieke zuil, waar enkele sociale groepen (kleine burgerij, patronaat) reeds neoliberale tendsen vertoonden. Zij konden echter allerminst een breuk van de eenheid met het ACW en ACV riskeren, en moesten dus de keynesiaanse staat blijven tolereren. Dat zorgde er ook voor dat veel van de initiële critici op de verzorgingsstaat initieel van buiten de partij kwam en in nieuwe, extreem-rechtse kringen onderdak vonden. Uiteindelijk was het Jef Houthuys die de CVP de ruimte gaf om het neoliberalisme te omarmen zonder de eenheid te riskeren.
1981 en 1982 zijn belangrijke keerpunten voor Meynen omwille van enkele redenen. Ten eerste, tussen 1980 en 1984 verloren de arbeidersgroep 24.2% van hun koopkracht in hun reële loonsom, evenals de inkrimping van 17.7% van de globale koopkracht (die beiden tot 1980 nog stijgende waren). Ten tweede, de ontkoppeling van productiviteit en reële loonstijgingen. Ten derde, het herstel van de winsten, die opklommen van minder dan 20 miljard in 1980 tot 230 miljard in 1987 (dividenden van 60 miljard naar 196 miljard). Ten vierde, de versteviging van het financierskapitaal, die door de hogere rentes hogere winsten hadden. Dit werd ook politiek aangedreven door oa het verlaging van de voorheffingen op meerwaarde en de stimulering van de aankoop van aandelen via belastingsverlagingen. Ten vijfde, een daling van de staatsuitgaven. Ten zesde, de switch naar liberale coalitie ipv een socialistische. Als laatste, een ‘sterke stijging van de meerwaardevoet’, waar Meynen jammer genoeg zijn marxistische methode even inruilde voor marxistische ‘theorie’.
Het gevolg was duidelijk: een daling van het inkomen uit loon van 68.3% in 1980 naar 59.1% in 1987, terwijl het inkomen uit vermogen steeg van 15.1% naar 24.4%. Naast de talrijke indexsprongen en manipulaties mogen de aanvallen op werkloosheidsuitkeringen niet vergeten worden. Er kwam een afschaffing van de automatische koppeling aan de stijging van de welvaart en er kwam een invoering van de gezinsmodalisering (koppeling van uitkering aan behoefte). De staat ontplooide zich meer autoritair: volmachten voor de regering, ontwijking van het sociaal overleg en versterking van de rijkswacht. De sociale voorzieningen moesten meer en meer repressieve disciplineringsmaatregelen opnemen. De CVP had dus de zuil verenigd en het staatsapparaat vervolgens gebruikt om de bredere accumulatiestructuur om te vormen. Meer dan het “einde van de verzorgingsstaat”, had de CVP daarmee een “herstructurering van de verzorgingsstaat” voorzien.
De arbeidersklasse kon tegen deze nieuwe golf besparingen geen degelijk antwoord bieden. Enerzijds was er het “verraad” van het ACV. Anderzijds woog de crisis ook op het militantisme: de structurele werkloosheid en de nieuwe structuren van deeltijds werken wogen op de organisatiekracht. In 1982 waren er nog slechts 167 bedrijfsstakingen, in 1983 slechts 131 en in 1984 slechts 107. Er waren na 1982 nog belangrijke mobilisaties, maar die brachten de organisaties er niet toe om in het offensief te gaan. Een principiële afwijzing maakte plaats voor een gedeeltelijke aanvaarding van de inleveringspolitiek. Ook de socialistische partijen waren uitgesproken gematigd. De desintegratie van dit socialistische kamp creëerde de voedingsbodem voor extreem-rechts volgens Meynen, die de oude ankers van emancipatie hercodeerden obv ras en territorium.
Na 1988 veranderden de tsjeven terug van coalitie, van liberalen naar socialisten. Er was daarmee echter geen breuk met het besparingsbeleid, enkel eerder een vertraging. Sommige neoliberale beleidsaspecten werden verder uitgerold zoals oa de Wet tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen (1989), uitgeschreven door socialistische minister W. Claes. Dit is een voorloper van de loonwet van 1996. Hoewel het aantal werklozen daalde, de inflatie ingeperkt werd en de economie terug groeide, bleven de grote groeicijfers van weleer uit. Er kwam ook terug een recessie tussen 1991 en 1993. Twee verschillende reacties kwamen hierop. Enerzijds was er het Vlaams Blok, die sinds Zwarte Zondag een groter politiek gewicht had gekregen. Die duwde verder op de splitsing van de sociale zekerheid. Anderzijds was er Jean-Luc Dehaene, die met zijn groot Maatschappelijk Project appelleerde naar het naoorlogse verzet, maar in realiteit de neoliberale loonrestricties verder zette. De onmogelijkheid van een nieuw sociaal pact onder het neoliberalisme werd duidelijk, waar het ‘globaal plan’ van 1993 werd afgeschoten door een brede sociale protestbeweging (waaronder een hernieuwd gemeenschappelijk vakbondsfront), maar er niet in sloeg om het tij te keren. Ze kon geen stop zetten op de structurele aanpassingen. De hele beweging steunde op een behoud van oude machtsmechanismen die reeds lang vervlogen waren.
De regering Dehaene II steunde op de nederlaag van dit sociaal protest. Het resulteerde in het Interprofessioneel Akkoord van 1998, die volgens Meynen een symbolisch eindpunt is van de ommezwaai. In dit interprofessioneel akkoord, afgesloten binnen de formele keynesiaanse staatsstructuur, was conflictbeheersing helemaal getransformeerd. De vakbonden, die vroeger autonoom macht opbouwden via stakingen binnen industriële bastions om die daarna in de schaal te werpen van het sociaal overleg, legden nu eerder een gedragscode op aan de basissen. Als ze nog iets wilden betekenen in de beslissingsprocedure, dan mochten ze geen tanden meer hebben. Er kwam een zeer expliciete syndicale acceptatie van de wettelijke loonnorm.
Meynen plaatst dus de vakbonden als centrale actoren in de socio-economische politiek van België na 1945. Sinds 1976 waren die in het defensief, maar een belangrijk switch gebeurde wanneer het defensief onschadelijk werd gemaakt, zeker na 1982. Verschillende actoren, maar voornamelijk de katholieke zuil, kon de politiek de macht in handen nemen via de vakbonden om, of konden succesvol hun eigen vakbond integreren in hun beleid. De vakbonden moesten aanpassen of ophoepelen. In hun aanpassingsproces moesten ze belangrijke inleveringen aanvaarden. Uiteindelijk werd de arbeidersklasse hun directe politieke macht ontnomen, waardoor het ressentiment zich uitte in extreem-rechts.
Zijn hoofdstuk bevestigt dat geschiedenissen van het neoliberalisme vooral interessant zijn vanuit de politieke geschiedenis in plaats van de economische geschiedenis. Bij economische discussies zit je snel vast in een moeras van tegengestelde interpretaties uit verschillende theoretische tradities waarvan de conceptuele apparaten nauwelijks in betekenisvolle conversatie kunnen gaan. De politieke geschiedenis van het neoliberalisme, daarentegen, geeft snel een elegant dialoog tussen feiten en theorie, waaruit de voorzichtige ontplooiing van de neoliberale hegemonie duidelijk wordt.
Een belangrijke voorwaarde voor zo’n geslaagde geschiedenis is het aanhouden van een koppige causaliteit: de economische crisis forceerde de Belgische machtshebbers om gaandeweg het neoliberalisme te institutionaliseren. De economische crisis moet verder intens genoeg geweest zijn om een brede sociale basis ervan te ‘overtuigen’ dat verandering noodzakelijk was. Dat is een groot verschil met gebruikelijke geschiedenissen van het neoliberalisme, waar er nogal samenzweerderig verwezen wordt naar het grootkapitaal die haar politieke connecties gebruikte om de schroeven aan te spannen. Het grootkapitaal als enige actor zien in deze geschiedenis zou veronderstellen dat die een sterke politieke macht had, hetgeen niet waar was. In een democratische, keynesiaanse staat hadden de vakbonden minsten evenveel macht als het VBO. De geïnstitutionaliseerde macht van de vakbonden in de massapartijen was ongezien. Het grootkapitaal, die het neoliberalisme uiteraard promootte, was afhankelijk van een brede sociale basis om die door te drukken.
Een brede sociale basis die zich genoodzaakt zag, door de intense economische crisis, om gaandeweg het neoliberalisme te implementeren. Hun intenties waren niet om de winstvoet te verhogen. Hoewel we zeker kunnen spreken van een systeemverandering, mogen we het ultieme doel van vele neoliberalen niet uit het oog verliezen: het behoud van de kapitalistische welvaartstaat. Zo’n visie op het ontstaan van het neoliberalisme is een soort ironische “TINA”. En dat is wat Alain Meynen zo goed beschrijft in zijn hoofdstuk.
I found this book in the second-hand shop last october. Since I am done with my thesis, I finally had time to finish it completely.
This book is about the political history Belgium from 1830 to the end of the 1980s/beginning of the 1990s. The work gives an overview of the major political events, discussions, persons, and parties during this period while connecting it larger economic, foreign or social trends. As a Dutchman, it is interesting to see that the important political events of Dutch history also took place in Belgium, but often in a different way, like the pilarisation (and subsequent de-pilarisation) and the "schoolstrijd" (school struggle).
Instead of submarising the entire political history of Belgium; a view things which stood out to me: > The book has changed my view on the Belgian Revolution. In school, I was always taught that "Belgium splitted from the Netherlands since the Walloons felt subordinated to the north." Although this is partly true, other causes (like Willem I's secularisation policy and his absolute power) played significant role too. > Although Belgium had a pretty liberal constitution since its independence, it used to have many conservative elements. For instance, general voting rights in which every man regardless of his income had one vote (algemeen enkelvoudig stemrecht) did not became a thing until after WWI. > The history of Belgium basically shows that it a country of compromises; whether it is federalism or social topics. I have the feeling that cooperation between parties is more a thing in Belgium than in the Netherlands. Where you end up in the Netherlands with nearly always the same five parties, in Belgium nearly every party has been government.
Nonetheless, it must be said that this book is a bit outdated. It ends with the positivity of the 1990s, which is nowadays nearly fully gone. It is funny to read the author stating that "PVDA-PTB will never gain popularity", since nowadays it even polls around 10% in one of the most right-wing regions of Europe. Still, I assume this is a fine read if you are interested in older politics.
Lastly, I feel like this book is a bit too academically written. It feels very inaccessible for the average reader and - especially for the paragraphs about major economic trends since the 1950s - it requires a lot of searching.
Standaardwerk over de Belgische geschiedenis. Vooral de politieke delen lezen vrij vlot, de economische hoofdstukken die ook een vrij grote plaats innemen, moest ik soms wel doorworstelen, al kan dit ook aan mijn vrij gebrekkige kennis van de economie liggen. Het overzicht eindigt in 2016, maar maakt de huidige situatie door goede analyse van het verleden toch begrijpbaar.
This is quite possibly the worst written book I have ever read. The structure is based purely on chronology. Every paragraph contains simply fact after fact after fact. There is no overlay of explanation or argument to help the reader make sense of the facts. The onslaught of information becomes overwhelming very quickly and I found I would get to the end of a page and barely be able to remember what I had read.
The title is 'political history' and I was hoping for an analysis of how Belgium has become the way it currently is. However, the book focuses mostly on political parties and alliances, and on micro-facts related to this. Surprisingly, fascinating episodes such as the constitutional reforms Belgium has gone through are barely covered. Having said that, if what you are looking for is an analysis of politicians and their interactions over time, you will find the research in this book to extensive and the information very detailed.
Els Witte nam de fakkel over van Theo Luykx om de politieke geschiedenis van het federale België te beschrijven, met verve, al ligt haar academisch Nederlands soms zwaar op de maag en is dit niet bepaald een boek dat de meeste mensen zullen uitlezen buiten het kader van een verplicht vak als haar "Politieke Geschiedenis van België".
Het bevat jammer genoeg ook geen spitsvondige anekdotes zoals professor Witte tijdens hoorcolleges putte uit haar rijke ervaring bij de BRT raad van bestuur etc. Een aula met 1200 studenten wordt met strakke hand onderwezen, maar in kleinere groepen is ze een onderhoudend docent.
Hopelijk komt er nog een nieuwe editie die het verhaal van de staatshervormingen vervolledigt, nu België het etiket "failed state" krijgt opgekleeft en onze staatsstructuur misschien een andere weg dient in te slaan; Witte zelf erkende in recente opniestukken alvast de langetermijnproblemen van het huidige federalisme.