'Voortaan echter word ik braaf Nederlander; lees alleen over Nederlanders,' schrijf alleen over Nederlanders, en wil van niets dan Nederlanders weten', noteert de in Parijs wonende Nederlandse criticus en literator Conrad Busken Huet in een brief als hij in 1881 een begin maakt met zijn nieuwe werk, Het land van Rembrand. In dit boek, dat zal uitgroeien tot Huets magnum opus en dat door de critici als een meesterwerk wordt begroet, schetst Busken Huet een imposant tableau van de 16de en 17 de eeuw, het gouden tijdperk der Nederlandse beschaving.
Voor Busken Huet is cultuurgeschiedenis geen som van de letterkundige, wetenschappelijke en artistieke prestaties, maar een onderzoek naar de geestesgesteldheid van een tijdperk. Naast de denkwereld verdient ook de maatschappelijke context waarin zij gestalte krijgt, de aandacht. Met portretten van bekende mensen als Thomas à Kempis, Erasmus en Lucas van Leyden als uitgangspunt schetst Huet in het eerste deel de voorgeschiedenis van de Gouden Eeuw Het belangrikste deel van het boek beslaat de periode 1572 - 1/15, het tijdvak waarin een ware explosie van creativiteit en energie plaatsvond en de Nederlanden vele personen voortbrachten die op allerlei gebied - de handel, de wetenschap, de kunst, de letteren, de politiek en de krijgskunde - uitblonken. Maar niet alleen Huets moderne cultuurhistorische opvattingen, die hem tot een mentaliteitshistoricus avant la lettre bestempelen, rechtvaardigen een heruitgave van dit belangwekkende boek. Door zijn opmerkingsgave, scherp oog voor detail en prachtige schrijfstijl blijft het werk van Huet - die met Multatuli tot de grote literatoren van de 19de eeuw behoort - een genot om te lezen. 'De beste historiestijl', zo schrijft hij op de laatste bladzijde van zijn boek,'is nog altijd de stijl van veel weglaten, veel overdriven, en op een klein getal feiten of beweegredenen veel licht doen vallen.' Er zijn weinig schrijvers die hun eigen uitgangspunten op zo'n grootse wijze hebben verwezenlijkt.
***1/2 Sporadisch leest de late 19e eeuw als de vroege 21e, in haar veroordeling van de wreedheden begaan in Insulinde een generatie na "Max Havelaar" of zelfs in de onwenning tegenover een zeeslag met zeilschepen en buskruit in een tijd van staal en stoom.
Wil Huet afsluiten met een beschouwing over de beeldende kunsten waaronder zijn titelpersonage, dan gaat hij er wel héél vluchtig over; na een paar hoofdstukken van Kruistochten tot een (uitmuntende) schets van Erasmus, belanden we snel in een thematische Gouden Eeuw, ouderwets gesteund op de politiek van vooraanstaande namen uit de vaderlandse geschiedenis van De Zwijger tot De Ruyter, afgewisseld met enige wapenfeiten op Java.