Wat is waarheid? biedt een heldere inleiding in de wetenschapsfilosofie voor de geesteswetenschappen en voor bèta- en gammaopleidingen.
Speciale aandacht gaat uit naar recente ontwikkelingen in de wetenschapsfilosofie. Volgens Chunglin Kwa is er niet één manier om wetenschap te beoefenen, maar zijn er meerdere rationaliteiten, die alle een eigen logica volgen en legitieme aanspraken maken op geldigheid. Hij maakt onderscheid tussen zes verschillende stijlen van wetenschapsbeoefening, die niet per se gebonden zijn aan een wetenschapsgebied, maar door de wetenschappen heen in verschillende combinaties voorkomen.
Aardig overzichtswerk over de verschillende gebieden, thema's en onderwerpen binnen de wetenschapsfilosofie. Kwa hanteert de indeling van Crombie (1994) - overgenomen door Hacking - van de wetenschap in zes stijlen: deductief, experimenteel, hypothetisch-analoog, taxonomisch, statistisch en historisch-evolutionair.
Het boek zelf volgt in grote lijnen deze indeling. Kwa begint met theorie, waar de deductieve en hypothetisch-analoge stijl een belangrijke rol spelen. Hij laat zien hoe vanaf de zeventiende eeuw (door o.a. Descartes en Galileo) de hypothetisch-analoge stijl - d.w.z. hypothesevorming op basis van technologische analogieën, zoals het hart als een pomp en het heelal als een theekopje - de deductieve stijl van wetenschap vervangt. Deze laatste stijl was het ideaal sinds Aristoteles, waar de filosoof zocht naar zelfevidente fundamenten en via logische deductie verdere zekere waarheden afleidde - waarheidsvinding vanuit de leunstoel dus.
Het tweede deel van het boek gaat vervolgens in op het experiment, dat gebruikt wordt om de gevormde hypothesen te onderzoeken én om zelf hypothesen te vormen. Kwa laat zien hoe de algemene opvatting van wetenschap als 'experimentele toetsting van hypothesen' ernstig tekort schiet en toont overtuigend aan dat het experiment een eigen rationaliteit heeft - sinds tweede helft twintigste eeuw is in veel wetenschapsgebieden de experimentele stijl zelfs eigenstandig verder ontwikkeld, los van de theorievorming. De natuurkunde is een belangrijk voorbeeld hier, maar ook moderne velden als hersenwetenschappen voldoen aan dit criterium, waar technologie de experimentator steeds verder brengt en de theoreticus in de achterhoede achter blijft.
In deel drie loopt Kwa de historische waarnemingstheorieën langs (Locke, Hume, Kant, etc.) en nuanceert de al te simplistische visie dat waarneming een passief proces is van het empirisch aanschouwen van de wereld (o.a. Locke en Hume). Sinds Kant, en zéker sinds de kwantummechanica, zijn we ons ervan bewust dat wij, als waarnemend subject, een fundamentele rol spelen bij het waarnemingsproces. Hier komen uiteraard ook de uitgekauwde voorbeelden Popper (groei van kennis via falsificatie), Kuhn (non-cumulatieve paradigmaverschuivingen), Lakatos (vruchtbare wetenschappelijke onderzoeksprogramma's) en Hanson (theorie-geladen waarnemingen) aan bod.
In deel vier laat Kwa zien hoe de intrede van de computer de wetenschap fundamenteel heeft veranderd en dataverzameling en -verwerking nu het primaat heeft boven theorievorming en experiment. Dit is in feite de statistische stijl van wetenschap, die in de negentiende eeuw (samen met de historisch-evolutionaire stijl) haar intrede deed als alternatief voor de hypothetisch-analoge stijl. Vanaf de twintigste eeuw ontstaat dan, o.a. door de invloed van het neokantianisme, de visie dat logica in staat is om alle formele systemen te beschrijven, waarvan de natuur/wereld er dan één van is - hierbij ontstaat de scheiding van de zuivere en toegepaste wiskunde die o.a. Einstein zo diep deed ingrijpen in de wetenschappelijke theorievorming. Kwa gaat verder in op Carnap, als hoofdpersonage van het logisch-empirisme, die de wetenschap wilde funderen in de waarneming en daar een zeer fundamentele rol voor de taal zag weggelegd. De meest interessante passage betreft de status van modellen in de moderne wetenschap, die o zo belangrijk zijn geworden, maar totaal zijn losgekoppeld van theorie. Kwa laat zien hoe een model niets anders is dan een beschrijving van een fenomeen - er wordt gesleuteld en gesleuteld aan het model, dat op zichzelf totaal onbelangrijk is, om de voorspellingen aan te passen aan de beschikbare data - een totale loskoppeling van theorie (en vaak zelfs experiment) dus!
Deel vijf van het boek gaat vervolgens in op tekst. Hier grijpt Kwa terug op de hermeneutiek. Hij selecteert de hermeneutiek en laat alle andere deelgebieden binnen de geesteswetenschappen (zoals grammatica, taalkunde, kunsttheorie en filologie) buiten beschouwing. Ik begrijp waarom hij het doet, maar het is zeer jammer dat hij niet meer verschillende invalshoeken presenteert. Kwa geeft een algemene beschrijving van het ontstaan van de hermeneutiek (Schleiermacher, Dilthey, Heidegger, Gadamer) en sluit af met Derrida, die de hermeneutiek (zoals bedreven door collega Gadamer) verwierp als conservatief en onderdrukkend omdat deze laatste de betekenis van een tekst als bemiddeld door de geschiedenis (à la Heidegger) voor zich zag. Voor Derrida bestaat betekenis niet buiten een tekst - iedere uiting vindt plaats binnen een gesloten netwerk van betekenisrelaties, dat wel eens oneindig groot kan zijn. De interpreet dient zich slechts bezig te houden met enkel de tekst.
Voor Kwa is er een onderscheid tussen enerzijds mensen als Dilthey, Gadamer en Derrida en anderzijds mensen als Sontag, Frye en Jameson - de eersten wilden teksten begrijpen vanuit de inhoud, de laatsten claimen dat dit onmogelijk is en focussen zich enkel op de vorm van teksten. Frye ontwikkelt bijvoorbeeld een taxonomie van verschillende genres en Jameson historiseert deze archetypen door een beroep te doen op Hegel en Levi-Strauss ('dialectisch structuralisme'). Sontag claimt zelfs dat uitleggen van teksten niets anders is dan productie van allegorieën. We zien hier dus een stijlverandering optreden gedurende de twintigste eeuw, van hypothetisch-analoog naar taxonomisch.
In deel zes gaat Kwa in op de sociologie en met name de status van deze wetenschap. Er zijn verschillende stromingen binnen de sociologie die elk de nadruk leggen op een andere wetenschapsstijl (en anderen een combinatie van meerdere stijlen hanteren). De experimentele stijl leidt causale relaties tussen meetbare fenomenen af uit grote dataverzamelingen volgens Mill's principe van ' counterfactual conditions'. Een andere stijl betreft de 'gegronde theorie' waar concepten en catgegorieën worden geabstraheerd vanuit de empirische gegevens - met als uiteindelijk doel een aantal kernconcepten te vinden die onderscheidende kwalificaties betreffen. Het gaat hier dus om een taxonomische stijl die samenlevingen wil begrijpen door ze te classificeren. Een derde stijl binnen de sociologie betreft het functionalisme, dat gebaseerd is op metaforen. Een samenleving wordt hier vergeleken met een organisme of een machine, waarbij de bestudeerde fenomenen worden begrepen en verklaard in termen van hun functie in relatie tot het geheel. Samenhang en differentiatie zijn hier kernbegrippen en denkers als Comte, Durkheim en Parson waren leidend in deze stroming.
Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw heeft het functionalisme afgedaan en denkers als Bourdieu (veelvoud aan velden met elk eigen spelregels, socialisering van het individu), Lyotard (eindeloze differentiatie, dynamiek en (r)evolutie) en Castells (de netwerksamenleving - informatiemaatschappij en diensteneconomie in een globaliserende wereld) hebben elk eigen wegen ingeslagen. Tot slot noemt Kwa nog Latour met zijn actor-netwerktheorie, waar ieder sociaal fenomeen (inclusief de wetenschap zelf) een product is van de relatie actor-netwerk.
In deel zeven behandelt Kwa het thema geschiedenis en laat hij zien hoe de geschiedschrijving sinds de negentiende eeuw een radicale nieuwe stijl heeft ontwikkeld. Voor duizenden jaren gold de klassiek-deductieve geschiedsschrijving als norm: men beschreef gebeurtenissen (het liefst in chronologische volgorde) en destilleerde daaruit bepaalde eeuwige waarheden - o.a. de menselijke natuur en de relatie individuele deugden en publieke zaak.
In de zeventiende en achttiende eeuw dwingen politieke gebeurtenissen denkers ertoe om de geschiedenis 'uit te vinden' - d.w.z. men begrijpt de geschiedenis nu niet meer vanuit een eeuwigheidskarakter, maar steeds meer vanuit het product van antagonismen binnen en tussen staten. Dit is de tijd dat algemene begrippen als vrijheid, volk, vooruitgang, klasse en eenheid hun intrede doen. Dit mondt dan in de negentiende eeuw uit in de historisch-evolutionaire stijl van wetenschap, waar de historicus vooral focust op een volk of staat en de ontwikkeling daarvan in kaart brengt. Hier doeth et historicisme zijn intrede: de relatie tussen historicus en beschreven historische periode en de rol van deze relatie in de waarheidsvinding. Gedurende dezelfde tijd tonen denkers als Ranke, Tocqueville en Marx hoe een narratologische analyse van historische bronnen erg vruchtbaar kan zijn (daarbij verschillende genres hanterend). Vanaf 1968 doen nieuwe denkrichtingen hun intrede -o.a. microgeschiedenis (van een persoon, een dorp, e.d.), postkoloniale geschiedenis en 'global history' - die elk een nieuw paradigma binnen de historisch-evolutionaire stijl betreffen.
In deel acht, het laatste deel van dit boek, gaat Kwa nog kort in op de notie rationaliteit en de rol die deze speelt in de wetenschap. In het kort: iedere stijl van wetenschap behelst een eigen rationaliteit en dient op zijn eigen merites beoordeeld te worden - vergelijkingen van stijl 1 met stijl 2 of 3 zijn zinloos. Uiteindelijk gaat het om de vraag of een stijl van wetenschapsbeoefening vruchtbare onderzoeksvragen oplevert (met alle sociologische problemen van dien, cf. Kuhn).
Al met al is Wat is waarheid? (2017) een aardig overzichtswerk en laagdrempelige introductie in het veld van de wetenschapsfilosofie. Handig voor wie meer wil leren over dit vakgebied of voor wie na lange studie behoefte heeft om alle opgedane kennis in perspectief te zetten en te ordenen in een groter geheel. Desondanks viel het boek me wat tegen in de oppervlakkigheid van alle behandelde stromingen, denkers en thema's - maar dat is altijd het probleem van overzichtswerken. Kwa heeft wat dat betreft de balans tussen volledigheid en inhoudelijkheid aardig weten te behouden.
Mooie schets van waarheids- en rationaliteitspraktijken vanuit AC Crombie's stijlbegrip. De hoofdstukken over maatschappij en geschiedenis zijn wat beknopt maar er staat veel moois tegenover.