In Wispolia lijkt nooit iets te gebeuren. Dan wordt in 1959 een mysterieus gat in de grond ontdekt. Hoofdpersoon Junius (alter ego van de schrijver) herinnert zich hoe hij reeds als Friese peuter een manische belangstelling voor gaten ontwikkelt. Hij ziet ze overal, ze krijgen gaande het verhaal mythische proporties. In zijn misschien wel meest autobiografische roman ooit schildert Atte Jongstra in felle kleuren de schrijnende geschiedenis van een klein Fries dorp, gelegen op de grens van hemel en hel.
Ik ben niet onbekend met de regio waar deze roman zich afspeelt. Dus vermakelijk was het om te lezen over de omgeving waar Atte Jongstra is opgegroeid, opgetekend in anekdotische vorm.
Verder ging het verhaal hoofdzakelijk over de “gatenobsessie” van de hoofdpersonage. De verteller is ondermeer gefascineerd/beangstigd door was gaten feitelijk zijn: niets. Op zich is dit een interessant concept, maar na een paar hoofdstukken verliest het zijn kracht. De verhalen over de oorlog waren veel van hetzelfde en literair niet bepaald vernieuwend en bovendien vond ik de toon hier en daar te snobistisch. De symboliek is op veel plekken onnodig moeilijk, waar dit beslist niet nodig is.
De setting, Wispolia, bood uitstekend mogelijkheid tot een rauwer verhaal, in tegenstelling tot de nogal geconstrueerde vorm waar nu sprake van is.