Het boek heeft een ongemakkelijk begin, wanneer je net In Ongenade van Coetzee hebt gelezen. De paralellen met dat verhaal zijn zeker te vinden, maar waar In Ongenade over het Zuid-Afrikaans landschap zwerft, is dit verhaal geweven in cello-muziek.
Ik moest even wennen aan de twee perspectieven waar vanuit verteld wordt, net als de sprongen in de tijd.
De ontwikkeling van het verhaal zag ik wel aankomen, wad dus niet verrassend. Ik heb vooral genoten van het muziekcomponent.
Kan het - gezien het (andere) beroep van Koch - gezien worden als een vileine afrekening met de manier waarop de (klassieke) muziekwereld omgaat met echt muzikaal talent versus podiumtalent?