Knopf Date of 1981 hard cover First Edition Very Good/Good 8vo - over 7¾" - 9¾" tall 0-394-52079-3 Copyright date is 1981, 1st edition, blue and tan cover with gold lettering and design on the front and spine. Book has no tears or bent pages nor any writing. D/j has a small tear on the bottom right near the fore edge and a dent on the front on the groove. not price clipped. Minor shelf wear to the edges and to the spine. Bright, clean text with a tight binding, a solid book.
Bette Pesetsky is an American novelist and short story writer. She received her degrees at Washington University, St. Louis, and the University of Iowa, has been a Visiting Professor at the Universities of Iowa, California, and St Lawrence, and has been Writer-in-residence at the New College of Florida, Florida State University, Sarasota, since 2004.
“I have a garden of memories I visit as needed. I’ve been thinking of pruning them.” Thus begins one of fifteen very short stories in this very short collection where both memories and prose are pruned and clipped.
Though Gordon Lish edited the book, I suspect the terse style is Pesetsky’s own and it is effective – up to a point. It gives all the narrators – women, married and divorced, urban and harassed, beset by family and thankless children – a single voice. Probably a voice with a New York accent and a slight tendency to whinge in the manner of Renata Adler, but never for long enough to grate. The stories tend to coalesce, but amongst those I liked is “The Theory of Sets” (a brief autobiography defined by sets of passing friends – all carefully named – from schooldays onward), the title piece (a series of enigmatic extracts from everyday stories), and “Offspring of the First Generation” (the plaint of a woman who is forever the unwanted outsider – even to her children).
If these sound a bit grim, they are actually wryly amusing – though “funny” might be pushing it. Here’s an extract from “Dyslexia” – a story that will resonate with any reader faced with too many books, too little time:
“Ramon suggests that I read “Manon Lescaut”. Impossible. I am sorely lacking in time. Have to finish “Age of Innocence” and all of James Fenimore Cooper. Must also buy for supper. Remember to pick up cleaning. Cleaners close at six. I read Edith Wharton on the way.
Mother suggests de Maupassant. “A Woman’s Life”. I am learning from these books, Mother says. The hard lot of a woman. Lives destroyed by men. Mother, I protest. It was you who left Father. Not the other way around. And you do not struggle. Inwardly, Mother says, and looks aggrieved.”
Not an earth-shattering collection perhaps, but distinctive - and one that I quite liked.
I read this book by Bette Pesetsky back when I was still a professional guitarist. I was then reading widely, but had never considered becoming a writer myself -- until Stories Up To A Point. To this day, I don't know what it was about Pesetsky's dry, minimalistic, deadpan voice that got to me. Could a piece of writing hurt and be funny at the same time? It could and did. Pesetsky provided the key that allowed me to write. In retrospect, I see that my first six or eight stories were imitations of hers, poor ones; yet they constituted my first publications and got me into the Iowa Writers Workshop.
Where, astonishingly, Bette Pesetsky was spending a semester as one of the visiting writing teachers! I couldn't believe my good luck. Her tutelage influenced me as powerfully as her writing, and I continue to admire her greatly. I re-read Stories Up To A Point for the first time in 30 years the other day, and though my own stylistic tastes have changed considerably, I still found myself taken by these short, hard-hitting, bluntly-told yet mysterious tales.
Een boek aanraden dat Verhalen tot op zekere hoogte heet, alleen dat maakt het al de moeite waard Pesetsky's verhalen te lezen. Wanneer is een verhaal een verhaal? Waarom zou iets een verhaal tot op zekere hoogte zijn en niet volledig verhaal? Geen enkele van deze vragen krijgt daarop, zover mij bekend, een antwoord in deze bundel - en maar goed ook.
Het gaat dan ook niet echt om het vinden van een antwoord op de vraag: Wat maakt een verhaal een verhaal? Dat haal ik er alleen bij omdat ik er na het lezen eigenlijk pas bij stilsta hoe toepasselijk de titel van deze bundel (tevens de titel van één van de verhalen) op elk van de vijftien verhalen is (gebaseerd op een betrouwbaar onderbuikgevoel). Verhalen uit de bundel dragen titels als: Moe, Nat en Yrd, De dame die hier werkte voor u kwam en De parade trekt voorbij - maar dat zegt verder niets (behalve misschien dat ze best grappig zijn).
Met, het zijn gewoon verhalen tot op zekere hoogte, is al heel veel gezegd over de verhalen zelf, al snap ik dat dat als nogal vaag kan klinken. De verhalen zijn misschien ook wat vaag. Vaagheid van de bovenste plank. Vaagheid in omcirkeling, vaagheid in een wirwar van narratieven vanuit het perspectief van vergelijkbare vrouwen met nul tot hogere aantallen kinderen, met, in aantallen fluctuerende, mannen, scheidingen, familieverhoudingen, observaties van het leven van alledag en meer.
Ongeveer een maand gelezen las ik een verhalenbundel van Donald Barthelme. Ja? Ja. Oké. Dank voor die mededeling. Geen dank. Eh ja nee: Wat ik daarmee zeggen wil: Terwijl ik Pesetsky's verhalen las dacht ik regelmatig aan Barthelme's verhalen en toen ik beide namen samen googelde werden beide ook daadwerkelijk samen genoemd in zoekresultaten, en mijn onderbuikgevoel zegt dat dat terecht is. Terecht omdat de één daadwerkelijk aan het ander doet denken. Maar verder zegt dat nog niets. Barthelme sloeg/slaat voor mij soms wat door in geëxperimenteer waardoor sommige verhalen enkel een soort desinteresse bij mij opriepen omdat iets wat ik compleet onnavolgbaar vind (en vooral stilistisch geëxperimenteer lijkt) me weinig doet, hoewel het geëxperimenteer niet oninteressant hoeft te zijn. Toch deden zijn verhalen dus wat - maar wat en waarom? Waarom weet ik niet precies. Wat, ook niet. Bij Pesetsky's verhalen (ik weet niet of ik deze weg had moeten inslaan - een vergelijking tussen twee schrijvers, gebasseerd op een moeilijk uit te drukken onderbuikgevoel, wie doe ik hier plezier en/of tekort mee?). Pesetsky's verhalen, ik weet niet hoe ze te beschrijven, wil dat wel, maar heb er nu tot op zekere hoogte geen woorden voor, behalve tot op zekere hoogte in de woorden van Pesetsky zelf.
Einde van het verhaal: Verhalen tot op zekere hoogte:
"Soms lijd ik aan aboulie en soms aan agrypnie. Met tantes voel ik me slecht op mijn gemak. Gisteren begreep ik een telefonische boodschap verkeerd en holde schreeuwend de schoonheidssalon uit. Iedereen draaide zich om en keek me na. Ik schaamde me dood. Hoe kan ik ze ooit weer onder ogen komen? Maar stel dat het iets verschrikkelijks was geweest. Er had iets verschrikkelijks kunnen zijn gebeurd."
Uit Nakomelingschap van de eerste generatie:
"Ik heb gemerkt dat veel mensen mij niet mogen. Ten gevolge van een analyse is een vloedgolf van verdrongen herinneringen aangespoeld. Mijn therapeut mocht mij niet. Al vroeg nam ik het besluit om twee of drie kinderen te krijgen, in de zekerheid dat ze, eenmaal volwassen, van mijn bloed zouden zijn en daarom mijn gezelschap zouden begeren. Ik had het mis."
Wat verderop, gepieker over haar zoon:
"Ik raak achter op mijn werkschema van het vele gepieker over Noam. Hoe kan ik hem helpen? Hoewel we niet spreken als we elkaar in de vestibule voorbijlopen, weet ik dat hij van mij verlossing verwacht. Als ik hem kan helpen, dan zal hij voor altijd van mij houden, en zullen wij altijd samen op vakantie gaan."
Uit De parade trekt voorbij:
"[...] Wat doe je eigenlijk? Ik ga naar huis, zeg ik. Ik luister naar het nieuws terwijl ik het eten klaarmaak. Ik leid een intens contemplatief leven."