Dostojevski weet op onnavolgbare wijze de uitzinnigste verhalen te combineren met diep inzicht in de menselijke psyche. Hij delft zijn verhalen zogenaamd op 'uit de herinneringen van een dromer', introduceert in de Russische literatuur een vrouw als verteller en laat onderlinge verhoudingen stormachtig uit de klauwen lopen. Dostojevski is in zijn vroege romans even veelzijdig als we van zijn latere, grote werken gewend zijn.
Dit nieuw vertaalde deel bevat behalve De kleine held vier andere vroege romans van Dostojevski: Witte nachten, Netotsjka Nezvanova, Wat oom had gedroomd en Stepantsjikovo en de mensen die er woonden. Vertalers Arthur Langeveld, Madeleine Mes en Gerard Cruys verlenen Dostojevski de glans die hij ook in het Nederlands verdient.
Works, such as the novels Crime and Punishment (1866), The Idiot (1869), and The Brothers Karamazov (1880), of Russian writer Feodor Mikhailovich Dostoyevsky or Dostoevski combine religious mysticism with profound psychological insight.
Fyodor Mikhailovich Dostoevsky composed short stories, essays, and journals. His literature explores humans in the troubled political, social, and spiritual atmospheres of 19th-century and engages with a variety of philosophies and themes. People most acclaimed his Demons(1872) .
Many literary critics rate him among the greatest authors of world literature and consider multiple books written by him to be highly influential masterpieces. They consider his Notes from Underground of the first existentialist literature. He is also well regarded as a philosopher and theologian.
Dostojevski is vooral bekend van zijn grote romans: "Misdaad en straf", "De idioot", "Boze geesten" (ook vertaald als "Demonen", nieuwste vertaling "Duivels") en "De broers Karamazov". Zelf las ik deze even uitzinnige als onbeschoft geniale boeken met verbijsterde bewondering, de meeste zelfs meerdere keren. Maar ander werk van Dostojevski ken ik slecht: de in dit deel vijf verzamelde korte romans had ik bijvoorbeeld nog nooit gelezen. Nu wel, in nieuwe vertaling. En gelukkig maar!
In dit deel zijn vijf vrij vroege Dostojevski's verzameld: de ontroerende novelle "Witte nachten" (volgens sommigen het mooiste wat Dostojevski ooit schreef), het even grillige als intrigerende - hoewel onvoltooide-romanfragment "Netotsjka Nezvanova" (met - voor het eerst in de Russische literatuur- een vrouw als ik- figuur, en met de demonische eigenschappen van kunst als motief), de wonderlijk lichtvoetige en originele novelle "De kleine held", de absurdistische klucht "Wat oom had gedroomd" en de eveneens absurdistische, inktzwart- komische korte roman "Stepantsjikovo en de mensen die er woonden" (volgens Vestdijk een van Dostojevski's meest geniale scheppingen). Al die korte romans verschillen sterk qua stijl, toon en thematiek, en daardoor is deze verzameling voor mij prettig gevarieerd. Ook interessant vond ik om kennis te maken met een andere Dostojevski dan de Dostojevski van de vijf grote romans. Die grote romans zijn pure opera: uitzinnig heftige meerstemmige schouwtonelen vol ongehoord intense driften en dramatische emoties, vol hartstochtelijke personages die met aan waanzin grenzende heftigheid worstelen met de peilloze raadsels van de wereld en van hun eigen innerlijk. Totaal gestoorde figuren, altijd in wording en in crisis, die echter ook verontrustend herkenbaar zijn: de geëxalteerde waanzinnigen die Dostojevski ons toont gedragen zich veel extremer dan wij, brave burgers, ooit zullen doen, maar lijken tegelijk onrustbarend veel op ons, zoals ook een groteske karikatuur op ons lijkt door iets uit te vergroten dat wij liever niet zouden zien. Dit vroegere werk echter is lichtvoetiger, soms ook zonniger, vaak komischer, kluchtiger: niet zo uitzinnig operatesk, kortom. En ik vind het heel intrigerend om te zien dat de vroege Dostojevski ook dat soort kanten in zich had, hoezeer ik de latere operateske Dostojevski ook bewonder.
Een verrassend hoogtepunt vond ik bijvoorbeeld "Witte nachten", met zijn kleine 60 pagina's eerder een novelle dan een korte roman. De hoofdpersoon is een lyrische ik-figuur die alleen in dromen kan leven, die niet kan en ook niet wil leven in de realiteit, en die met een opmerkelijk lichtvoetig soort van weemoedige vreugde zich schikt in een mislukt leven. Even bloeit er een liefde op, aan de randen van het verstand en van de conventies, een liefde die ondanks of juist dankzij zijn onmogelijkheid allerlei gejubel teweeg brengt bij de hoofdpersoon. Dat die liefde uiteindelijk mislukt, omdat zijn geliefde uiteindelijk toch kiest voor haar gedroomde verloofde, zorgt uiteraard voor treurigheid: hij ziet als droevig toekomstbeeld zichzelf maar dan vijftig jaar later, in een nog eenzamer kamertje met een nog meer vervallen uitzicht. Maar tegelijk spreekt hij, in een innerlijke monoloog, zijn verloren geliefde vol ontroerende dankbaarheid toe: "Moge je hemel helder zijn, moge je lieve glimlach licht en bestendig zijn, moge jij gezegend zijn voor het moment van gelukzaligheid dat je schonk aan een ander, eenzaam, dankbaar hart! Mijn God! Een heel moment van zaligheid! Is dat soms niet genoeg, ook voor een heel mensenleven?". Alsof dromen niet alleen genoeg is, maar zelfs beter dan te leven als conventioneel gehuwd stel. Alsof niet kunnen wortelen in de wereld van geslaagde gehuwden met een solide baan, hoe droevig en eenzaam ook, tegelijk ook een vreemd soort geluk geeft: het geluk een totale nul te zijn, die puur kan leven in lucht en droom. Prachtig, een verhaal dat ik eerder verwacht had van de geniale Robert Walser dan van Dostojevski. Want ook in Dostojevski's grote romans lopen de nodige onmaatschappelijke en onaangepaste personages rond, die soms ook zeer ontroeren, maar die kenmerken zich in de regel door krijsend verdriet en vertwijfeling. Soms zijn ze ook vol prachtig beschreven goedheid, maar ze zijn niet zo zonnig en lyrisch in het bezingen van de sprankjes zonlicht in hun troosteloos leven. En niet zo ontroerend weemoedig- lyrisch over hun leven als totaal onaangepaste, voortdurend dromende, maatschappelijk mislukte nul.
Andere hoogtepunten waren voor mij "Wat oom had gedroomd" en, vooral, "Stepantsjikovo en de mensen die er woonden". Twee totaal groteske kluchten, soms hilarisch- komisch, vol grillige en idioot hartstochtelijke personages en tot de rand gevuld met idioot onvoorspelbare plotwendingen. De late Dostojevski is opera, zo zei ik eerder (en dat jat ik van Langeveld, uit zijn mooie nawoord bij deze vijf verzamelde vroege romans). Maar ook deze twee vroege romans zitten vol hartstochten, vooral "Stepantsjikovo". Het voornaamste verschil is dan de humor, die geïnspireerd schijnt te zijn door Gogol en Dickens, mogelijk ook Moliere. Maar die humor heeft naar mijn smaak vaak een inktzwarte bodem. Volgens Kundera is het komische wreder dan het tragische, omdat juist het komische de onbeduidendheid van alles benadrukt: welnu, alles in "Wat oom had gedroomd " en Stepantsjikovo" lijkt mij inderdaad om te lachen en precies daardoor schrijnend onbeduidend. In "Wat oom had gedroomd" bijvoorbeeld hebben we te maken met een totaal seniele oude man, met fophaar en fopsnor en gekke spraakgewoonten, die op tamelijk hilarische wijze in een huwelijk wordt gemanipuleerd met een bijzonder mooie, maar ook zeer uitgestoten en arme dame. Althans, dat wordt geprobeerd, maar het gearrangeerde huwelijk mislukt faliekant en op lachwekkende wijze. De ellenlange redeneringen waarmee de moeder haar dochter tracht te overtuigen werken eveneens stevig op de lachspieren. Haar krankjoreme logica is dat de dochter feitelijk een goede Christin is als ze door dit huwelijk uit berekening een oude, seniele en bijna dode man nog even een illusie geeft van geluk, en dat die dochter snel rijk zal worden door een omvangrijke erfenis zodat ze alsnog een eerloos huwelijk kan aangaan met de teringachtige armoedige dichter die zij eerst om maatschappelijke redenen afwijzen moest. Maar die logica is, behalve heel komisch, ook ijzingwekkend berekenend. Daardoor, en door allerlei andere scenes in deze korte roman, wordt een wereld opgeroepen waarin oprechte liefdesidealen worden versmoord door berekening. Een wereld bovendien waarin niets werkelijk of oprecht is, behalve de irrationele hartstocht, het verval en de dood. Het lachen vergaat je dus snel bij "Wat oom had gedroomd", ook door het even absurdistische als ontnuchterende einde ervan.
"Wat oom had gedroomd" is dus absurdistisch, tragisch en komisch tegelijk, en dat is nog sterker het geval bij "Stepantsjikovo". De dolzinnige intrige van deze roman draait sterk om oom Jegor, een intens goeiige maar ook uiterst naïeve man, die geregeld zegt: "Dat is natuurlijk mijn schuld. Ik weet natuurlijk nog niet waaraan ik me heb schuldig gemaakt, maar natuurlijk is het mijn schuld, hoor....". Iemand dus met een even onverklaarbaar als onoverwinnelijk schuldgevoel, dat helemaal geen enkele grond heeft en door geen enkele euveldaad wordt veroorzaakt, maar dat hem wel overal vergezelt. Temeer omdat zijn moeder hem voortdurend op volkomen irrationele wijze van egoïsme beticht. Net als de andere hoofdpersoon van het boek, Foma Fomitsj Opiskin: vroeger een naargeestige nar die zwelgde in zelfvernedering en in bespotting van zijn eigen ellende, nu een soort Raspoetin- achtige figuur die een op niets gebaseerd aanzien heeft in Jegors gezin. De vleesgeworden afgunst, die Foma Fomitsj, iemand die nu zijn zelfvernedering heeft omgezet in despotisch manipulatief gedrag, en die uit voortdurend gekrenkte eigenliefde continu alle aandacht opeist en zelfs gekrenkt wordt als hij die aandacht krijgt. Het is even komisch als ijzingwekend hoe Jegor en Foma met elkaar zijn vervlochten, en hoe Jegors irrationele schuldgevoel en Foma's rancuneuze despotisme elkaar versterken. In een normale komedie zou oom Jegor uiteindelijk Foma eruit knikkeren, waarna iedereen zou lachen omdat ze ooit zo dom waren dat ze in die manipulatieve Foma geloofden. En in een tragedie zou er op zijn minst een soort catharsis plaatsvinden, bijvoorbeeld een totale ondergang van Jegor of Foma maar dan wel gecombineerd met een dieper en in zekere zin troostrijk inzicht. In "Stepantsjikovo" echter blijft Foma tot zijn dood aan oom Jegor verklonken, en is er van enig verlossend inzicht geen sprake. Terwijl om Jegor toch, samen met zijn nieuwe geliefde nog lang en gelukkig verder leeft. Alsof het irrationele schuldgevoel voor oom Jegor ondanks -of: juist dankzij- al zijn irrationaliteit toch te sterk is om ooit te verdwijnen, en tegelijk te futiel om alles te overheersen. En alsof een rancuneuze manipulatieve parasiet als Foma, mede door dat schuldgevoel van Jegor maar ook door de perverse overtuigingskracht van Foma's gekrenkte rancune, bijna niet uit te roeien valt. Geniaal werkelijk, hoe Dostojevski die schuldbewuste Jegor en die rancuneus- despotische Foma neerzet. Prachtig ook hoe hij Foma niet alleen neerzet als een weerzinwekkende parasitaire despoot, maar ook als iemand die, door alle vernedering die dat despotisme en die gekrenkte eigenliefde voedt, tegelijk ook medelijden oproept. Schitterend is ook het tragikomische karakter van oom Jegor en Foma Fomitsj, de wijze waarop alles wat zij denken en doen onze lachlust oproept, en juist dat benadrukt hun onbeduidendheid en vergeefsheid. Dus hun lachwekkendheid is ook hun tragiek. Ik vind het kortom geweldig hoe Dostojevski zowel mijn lachlust als mijn afgrijzen als mijn medelijden oproept, met oom Jegor en Foma Fomitsj, maar ook met allerlei andere volkomen uitzinnige personages die Stepantsjikovo bewonen. Fascinerend hoe hij bij zijn personages dingen naar boven haalt die een ander liever zou toedekken: wij zouden een smerige snotlap liever verbergen, maar Dostojevski's personages lijken bijna trots er mee te willen wapperen voor zo veel mogelijk publiek. En dan is zo'n snotlap nog niks vergeleken bij wat Foma en andere personages van zichzelf laten zien. Bovendien voel ik soms tot mijn onrust ook enige herkenning. Want ik lach om oom Jegor, met enig mededogen, maar herken zijn op niets berustende schuldgevoel meer dan mij lief is. En ik lach met weerzin om Foma, maar herken zijn gekrenkte eigenliefde - en zijn behoefte om andere daarmee te terroriseren- meer dan ik zou willen.
Ik was kortom blij verrast door deze bundeling van vijf vroege Dostojevski- romans. Zijn vier grote en beroemde werken vind ik wel nog wat genialer, maar deze vijf romans zijn op verrassende en verfrissende wijze anders, en met name "Witte nachten" en "Stepantsjikovo" vond ik prachtig. Kort hiervoor herlas ik "Misdaad en straf", en ik wil nog altijd "Duivels" herlezen. Maar ik neem mij nu ook voor om ander, minder bekend van Dostojevski te gaan verkennen. Wat een schrijver!
Deel II van de verzamelde werken van Fjodor Michajlovitsj Dostojevski. In uitstekende nieuwe vertalingen (2018) van Madeleine Mes, Arthur Langeveld en Gerard Cruys. Niet het meest memorabele deel in de reeks, maar mooi om Dostojevski’s ontwikkeling te zien. Met name Netotsjka en Stepantsjikovo steken er bovenuit.
Vijf vroege novellen en romans uit de periode 1848-1859. Een periode waarin Dostojevski uit zijn bestaan als aanstormend talent wordt losgerukt. Hij brengt vier maanden door in de gevangenis, vier jaar in een kamp voor dwangarbeid en vijf jaar in verbanning in het leger, in het huidige Kazachstan.
Hij behoort in 1848 tot degenen die fel gekant zijn tegen de lijfeigenschap en sluit zich steeds meer aan bij de revolutionaire intelligentsia in de Petersburgse kringen.
Geschreven vlak voor zijn arrestatie: Witte nachten (1948) en Netotsjka Nezvanova (1849).
Kleine held (1849): geschreven tijdens zijn gevangenschap in de Petrus- en Paulusvesting.
Wat oom had gedroomd en Stepantsjikovo zijn beide uit 1859, wanneer Dostojevski zijn schrijverscarrière weer probeert op te pakken in Semipalatinsk, Kazachstan. Wonder boven wonder hierin geen spoor van de ontberingen van de voorgaande jaren.
Al met al een grote tijdsspanne, waarin de continue ontwikkeling zichtbaar is van een schrijver die zich afzet tegen de invloeden van zijn jeugd. Niet alleen ambtenaars en dromers, maar een steeds breder maatschappelijk spectrum. Ook de rol van de vrouw is in die tijd het meest ontwikkeld bij Dostojevski, in tegenstelling tot sommige van zijn tijdgenoten. Kenmerkend voor hem is de veelheid aan personages die gekarakteriseerd worden door de manier van praten en handelen. Nog niet zo uitbundig en grotesk als in zijn latere, beroemdere romans, maar bij vlagen toch al van hoge kwaliteit.
Witte nachten (1848):
Dostojevski’s meest lyrische verhaal over iemand die alleen in zijn dromen kan leven, vervreemd is van de realiteit en denkt in barokke volzinnen. De vrouw van zijn dromen ontmoet hij per toeval tijdens enkele van de eindeloze witte nachten in Petersburg. In een golf van onbaatzuchtigheid staat hij haar af aan zijn concurrent. Onze dromer is tevreden met de beleefde momenten van gelukzaligheid: “Mijn God! Een heel moment van zaligheid! Is dat soms niet genoeg, ook voor een heel mensenleven?”
***1/2
Netotsjka Nezvakova (1849):
Sterke bildungsroman, geschreven vanuit het perspectief van Netotsjka. Ze is een eenvoudige jonge vrouw en ontwikkelt zich tot een beroemde zangeres. Ze verliest op hartverscheurende wijze haar beide ouders, waaronder haar vader die een miskende violist is en ten onder gaat aan zijn eigen verwachtingspatronen. Netotsjka wordt opgenomen in een welgesteld gezin. Prachtig is de haast erotische verhouding tussen haar en Katja, het welgestelde meisje van het gastgezin waar ze verblijft. Katja lijkt op de latere romanfiguren van Dostojevski; wilskrachtig, zelfverzekerd en standsbewust.
Netotsjka is een krachtige hoofdpersoon en Dostojevski gaat tegen de tijdsgeest in door te laten zien dat zij haar milieu ontworstelt.
****
Kleine held (1849):
Opmerkelijk verhaal over een uiterst jonge casanova van 11 die zijn eerste liefde beleeft met een wonderschone jonge, innemende vrouw. Wonderlijke plot met bizarre uitspattingen. De scène met een op hol geslagen paard is memorabel.
Moeilijk voor te stellen dat Dostojevski zo’n optimistisch gestemd verhaal met veel vaart heeft geschreven tijdens zijn vier maanden hechtenis in de Petrus- en Paulusvesting.
***1/2
Wat oom had gedroomd (1859):
Fjodor probeert zijn carrière rond 1859, in ballingschap in het huidige Kazachstan, weer op te pakken. Ook deze roman is dus weer geschreven onder moeilijke condities. Lastig voor te stellen dat hij zo’n geestig en realistisch beeld van de Russische, benauwende provincie weet te schetsen (in de stijl van Gogol) onder zulke omstandigheden.
Een kluchtige vertelling, met veel vaart geschreven, over de ondergang van een welgestelde familie onder leiding van de berekenende, voorname, maar gehate Marja Moskaleva. Onbeduidend en nietszeggend is haar echtgenoot die ze letterlijk en figuurlijk de tent uit scheldt.
Erg geestig is de verwarde, dromerige, klungelige vorst K (de oom uit de titel) die te gast is en prachtig over the top de beeldschone, maar trotse Zinaïda Moskaleva die onder geen beding met hem uitgehuwelijkt wil worden door moeder Marja.
Prachtig hoe iedere bijfiguur zo zijn (absurdistische) hebbelijkheden heeft:
“Sofja Petrovna Farpoechina, de kolonelsvrouw, had alleen in moreel opzicht veel van een ekster. Fysiek had ze meer van een mus. Het was een kleine dame van vijftig jaar met scherpe oogjes en met sproeten en gele vlekjes in haar hele gezicht. Haar kleine, dorre lijfje, dat op sterke, dunne mussenpootjes stond, was gehuld in een donkere zijden japon die altijd ruiste, omdat de kolonelsvrouw geen twee seconden kalm kon blijven.”
***1/2
Stepantsjikovo en de mensen die er woonden (1859):
Wonderlijke, hilarische klucht van Fjodor. Een rariteitenkabinet met de meest uiteenlopende personages.
Een greep: de waanzinnige, licht zwakzinnige Tatjana Ivanovna. Beoogd huwelijkskandidaat van kolonel Jegor Rostanjev, eigenaar van het landgoed Stepantsjikovo, maar geschaakt door de slinkse Obnoskin.
Absolute antiheld van dit verhaal: Foma Fomitsj Opiskin. Klaploper der klaplopers. Hij behoort niet tot de adel, maar houdt het landgoed volledig in zijn greep, inclusief de bedienden en speelt iedereen tegen elkaar uit. Een waar terreurbewind. Hij overspeelt zijn hand wanneer hij de eer van de kolonel aantast en hij eruit wordt gegooid.
Mede door de bewoners van Stepantsjikovo komt het tot een verzoening en keert Foma Fomitsj terug naar het landgoed waarbij het zelfs lijkt alsof hij dit heeft bewerkstelligd.
Een komisch verhaal met een bitterzoete, bijtend-spottende ondertoon en met de structuur van een toneelstuk. Niet altijd even evenwichtig, maar memorabel.
Vijf vroege romans van Dostojevski. 1. Witte Nachten. 5 ⭐️ 2. Netotsjka Nezvanova. 4,5 ⭐️ 3. De Kleine Held. 4,5 ⭐️ 4. Wat oom had gedroomd. 4 ⭐️ 5. Stepantsjikovo en de mensen die er woonden - Uit de aantekeningen van een onbekende (p. 409 - 638) 3,5 ⭐️ voor deze kluchtige vertelling die me deed denken aan Much Ado About Nothing.