Zouden wij op de drie novellen een gezamenlijk etiket willen plakken, het zou ‘vorm’ zijn; Blokken: staatsvorm; Knorrende beesten: industriële vormgeving; Bint: karaktervorming.
Blokken.
Er zit al veel in de titel van stijl en sfeer: hoekig, bondig, functioneel, strak, emotiearm. Soberheid troef. De tekst ademt niet, zij doet verstikken. De staatsvorm die hier ten tonele wordt gevoerd, is een constructie, haast een abstractie. Er vinden wel gebeurtenissen plaats, maar de beschrijving daarvan laten het streven van het regime zien om efficiënt de rustigst mogelijke staatkundige aggregatietoestand weer in te nemen. Zo wordt ook het vertellen van een activiteit niet iets beweeglijks, maar het benoemen van een verschijnsel. Door het ontbreken van dynamiek is het lastig je het beschrevene eigen te maken of zelfs maar een beklemming te voelen, maar juist daarom is wel bijzonder dát de auteur het voor elkaar krijgt om puur met taaltechnische middelen je wel de staalhardheid van het regime bij te brengen.
Inhoudelijk vind ik dan ‘plezierig’ een spoor van menselijk inzicht bij de auteur te bespeuren, waar hij op het eind barstjes constateert in de houdbaarheid van een grote bestuursgestrengheid.
Knorrende beesten.
Deze novelle gaat over auto’s, maar dan anders. Auto’s wordt dierlijke eigenschappen toegekend, menselijke zo men wil. Ze worden van een afstand beschouwd. Zo blijft er iets afstandelijks in de opgeroepen sfeer; mystieks is een te groot woord. Bordewijk gebruikt hier veel meer bijvoeglijke naamwoorden dan in Blokken. Niettemin gaat het om de zelfstandige naamwoorden, waarmee hij de beesten en andere zaken typeert. Neologismen bij de vleet, evenals buitenissige zinsconstructies; hun bondigheid noopt daarom tot secuur lezen. Ik zie in dit opzicht, van taalkunstigheid, verwantschap tussen Willem Brakman en Ferdinand Bordewijk.
Ik geef een voorbeeld, uit de vuurwerkscene, aan het eind van de dag waarop de beesten in een bloemencorso opgetuigd hebben mogen paraderen over de boulevard.
“De pier had weer haar tunnel van roze licht, extra vermooid met zware lichttrossen hier en daar aan de bogen als enorme frambozen. Men was er van bewondering voor zijn doen stil. Toen doofden de pier en de parade en al het buitenlicht en ging het vuurwerk zijn feërieke ruikers naar de hemel dragen. Er waren pijlen die regenden en pijlen die geizerden. Er waren multicolore garven, tot vijf toe, van een zelfde stengel. Stammen rezen op en hun top sloeg uiteen tot de palmenkroon van een seconde. Tot hemelhoogte werden onzichtbaar bommen uitgeslingerd die op het onverwachtst barstten in een onmetelijk rad van kleurige kogels, beangstigend vlakbij. Van de pier zuchtte het welbehagen hoorbaar op.”
Het is welhaast lyriek.
Dit boek kent toch zeker wel dialoog? … Ja, één, bestaande uit wel zeven woorden.
(Aldus heb ik twee maal zeven woorden gebruikt om dat uit te drukken.)
Bint.
Bint staat als een huis. En houdt dat lang vol.
Het wordt de proef op de som voor de invallende leraar om een als onhandelbaar bekend staande klas te temmen, discipline bij te brengen. Deze De Bree wordt daarmee de protegé van rector Bint. Het is een toestand als in een karikatuur van een hyperstreng Engels internaat.
De school, onder aanvoering van Bint, komt ermee weg, ook als er op school na een indringende gebeurtenis ongeregeldheden uitbreken, een opstand. Strateeg Bint bedwingt de situatie met gebruikmaking van een middel, inherent aan zijn systeem.
De Bree vraagt zich diverse keren af of het systeem op de lange termijn houdbaar is. Zelf heb ik de indruk van wel; een symptoom daarvan lijkt mij dat hij het volgende seizoen terugkeert op de school, ook al was dat aanvankelijk niet afgesproken. Hoe Bint zelf daarover gaat denken, laat ik in het midden. Het zou wel eens kunnen zijn dat in het subtiele antwoord dat de auteur op deze vraag geeft, de houding van de auteur zelf schuilgaat. Laat ik er dit van zeggen: dit stuk literair gewapend beton vertoont scheuren.
Het verhaal overziende: een systeem wordt in het extreme doorgevoerd, in de handeling zo overdreven aangezet dat wel sprake moet zijn van hoogdravende spot tot in het surreële, ofwel: satire.
In de laatste scenes is een ontwikkeling van de twee hoofdpersonen kenbaar die voor Bint de genre-aanduiding ‘roman’ rechtvaardigt. JM