In januari 2012 verscheen bij De Bezige Bij Antwerpen de eerste bundel van Michaël Vandebril: 'Het vertrek van Maeterlinck', een bundel die vanaf de eerste druk meteen werd uitgegeven in de twee belangrijkste landstalen. Omdat deze bundel uit liefde voor de Franstalige poëzie is geboren, vroeg de dichter het gelauwerde dichtersduo Jan H. Mysjkin en Pierre Gallissaires om zijn gedichten te vertalen in de taal van Voltaire. Vandebril overstijgt met zijn poëzie graag de grenzen van het land en plaatst zijn gedichten in een Europese context en traditie. In enkele gedichten in de bundel werkte hij samen met andere dichters waaronder de Franse Jacques Roubaud, de Franstalig-Belgische Vincent Tholomé en de Roemeense Doina Ioanid.
Citaat : Refrein voor een stad/ in een stad die dichters zuigt/ tot zachte geraamtes glijd ik/ met de snelheid van een luipaard/ langs warme natte tuinen waarin stenen/ pauwen en paden zich als draden/ gedragen van een cocon/ langzaam opgegeten door struiken/ en kruinen en het tergend trage/ zwellen van schelpen in het vijverwater/ slechts een voorbode/ van grotere tuinen waarin stenen/ pauwen en paden zich als stralen/ gedragen van een zon/ langzaam opgezogen door struiken/ en kruinen en het tergend trage/ zwellen van schelpen in het vijverwater/ slechts een zucht/ van andere tuinen waarin stenen/ pauwen en paden zich als deining/ gedragen van een bron/ langzaam opgedronken door struiken/ en kruinen en het tergend trage/ zwellen van schelpen in het vijverwater/ slechts een zweem de stad kleedt/ dichters in doorzichtig vel/ ik leef hoog boven de tuinen/ met de gratie van een zwaluw/ en zie straten van geluk/ Review : Michaël Vandebril (1972) debuteerde in 2012 met de poëziebundel Het vertrek van Maeterlinck, goed voor meerdere drukken, de Herman de Coninck Debuutprijs en een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs. In 2014 schreef hij een jaar lang ‘achterafgedichten’ voor De Morgen. De titel van deze nieuwe bundel verwijst naar een trend die in het begin van de jaren tachtig opkwam: New Romantic. Achter in de bundel staat een instrumentale soundtrack met songs van artiesten uit die tijd (Simple Minds, Japan, Duran Duran, Magazine en dergelijke), die tijdens het schrijven door de dichterwerden geconsumeerd op volle geluidssterkte en ook tijdens het lezen van de bundel kan deze beluisterd worden . Niet alleen de artiesten van de playlist, ook de dichters naar wier werk
Vandebril verwijst, stonden in die jaren speciaal in de belangstelling: Rimbaud, Rilke, Cocteau, Baudelaire, Gilliams en anderen. De dichter in vol ornaat als dandy op het omslag is natuurlijk de kers op de taart. Het kan dus ook niet anders dan dat de gedichten de geest van het begin jaren tachtig ademen, onmiskenbaar melancholisch romantisch. De toon wordt al gezet bij aanvang van de bundel als de schrijver vijf romantische of decadente poses inneemt; die van de dichter, de flaneur, de leugenaar, de dubbelganger en de veerman. De poëzie van Michaël Vandebril is emotioneel geladen, lichamelijk van aard,wellust en lijden vermengen zich en klimmen vaak tot een hypnotiserend tableau vivant. Alles krijgt zijn plaats in dat grote en bedwelmende mozaïek van woorden .