Een kort verhaal van Joodse Nederlander en historicus Jacob Plesser over de gang van zaken in doorvoerkamp Westerbork. Iedere dinsdag vertrekt er een trein naar Auschwitz (en op het einde Sobibor) en de kampleiding is in handen van een groepje Joden die in opdracht van kampcommandant Schaufinger iedere maandagavond de af te voeren Joden selecteren om aan het opgelegde quotum te voldoen.
De hoofdpersoon, Jacob, schrijft een brief vanuit de strafbarak, terwijl hij wacht op de trein naar Sobibor. In deze brief vertelt hij hoe hij is beland in het kamp en waarom hij op moment van schrijven in de strafbarak zit. De jonge man was leraar op een Joods gymnasium, kreeg een aanbod van één van zijn leerlingen, Georg, om adjudant van zijn vader Cohn te worden in kamp Westerbork. Onder het motto 'iedere Jood komt vroeg of laat aan de beurt' besluit Jacob op het aanbod in te gaan.
Zodra hij in het kamp is krijgt hij 'les' in het kampleven van Cohn: als lid van de ordedienst (O.D.) moet Jacob hard en nietsontziend zijn - Cohn zegt een 'echte man' van hem te maken. Mensen als Cohn, en ook Jacob, verlagen zich tot de rol van kampbeul en uitvoerder van de SS-kampcommandant, in de hoop zélf te overleven. Hun machtspositie misbruiken ze door van mannen geld en van vrouwen seks te vragen, in ruil van een week uitstel van transport naar Auschwitz.
Al snel is Jacob zijn nieuwe rol gewoon en voelt hij geen enkele scrupule meer - totdat hij de intelligente en innemende Jeremiah Hirsch ontmoet. Jacques is in opdracht van Cohn als spion in de barak van Hirsch gegaan; gedurende zijn opdracht om informatie in te winnen bouwt Jacob een bond op met Hirsch, wiens vrouw en kinderen óók in het kamp zitten.
Op het eind zijn ook Jeremiah en zijn gezin aan de beurt: Cohn stuurt ze op de trein naar Auschwitz. Bij de mars naar de trein laat Hirsch zijn bijbel vallen; wanneer hij hem op wil rapen schopt Cohn het boek weg en slaat Hirsch een bloedneus - onder toeziend oog van SS'er Schaufinger. De hoofdpersoon Jacob rent op Cohn af, slaat hem ook in zijn gezicht en wordt vervolgens onder gelach van Schaufinger afgevoerd naar de strafbarak: de eerstvolgende trein is nu zijn lot. In afwachting van dat moment, schrijft hij een brief aan Dé, een jonge vrouw (de vrouw van een voormalige collega docent) die net in het kamp is en ook afgevoerd gaat worden.
Op dit moment eindigt Plesser zijn boek, de lezer achterlatend met vertwijfeling en reflectie op het gelezene. Plesser weet aan de hand van dit korte verhaaltje (zo'n 65 pagina's) goed de morele dilemma's uit '40-'45 te schetsen: Hoe ver ben je bereid te gaan om te overleven ten koste van anderen? Hoe makkelijk onderwerp je je onder dreiging van geweld? Hoeveel van je menselijkheid ben je bereid te offeren uit zuiver zelfzuchtigheid?
De meeste lezers zullen begrip op kunnen brengen voor Jacob en walgen van Cohn. Maar is hier wel sprake van een fundamenteel verschil? Of is het gedrag van Jacob misschien zelfs niet veel lager en opportunistischer dan dat van Cohn? En hoe kan het überhaupt dat mensen zich massaal onderwerpen aan andere mensen of hiervan wegkijken? Het zijn vragen die ongemakkelijke waarheden over de menselijke natuur blootleggen: de meerderheid zal nooit in beweging komen en zo lang mogelijk wegkijken, zolang zij maar niet te veel last heeft van hetgeen er gebeurt. Geschiedenis - zowel de positieve als negatieve aspecten - wordt geschreven door minderheden; meerderheden zijn slechts kuddedieren. Nietzsche schreef het al; Hegel bouwde zelfs zijn hele geschiedsfilosofie op dit punt.
Moed, principes, weerstand, het zijn zeldzame eigenschappen. Aan ons als mens de taak om hier blijvend aan te denken en te werken: "Opdat wij niet vergeten..."