Ton Anbeek heeft met zijn Nederlandse literatuurgeschiedenis over een eeuw die bij publicatie (1990) ternauwernood achter hem ligt, interessant en belangrijk werk afgeleverd. Alleen al de manier van benaderen van een periode, waarin verscheidene stromingen zijn te onderscheiden, is van belang. Hij geeft de belangrijkste vertegenwoordigers ruimte om hun programmatische idealen uit de doeken te doen, hij verklaart hoe ze uit elkaar voortkomen en/of zich er juist tegen afzetten. Hij doet dat door eigen analyses en bevindingen ruim te voeden met citaten van betreffende literatoren en critici. Zowel ten aanzien van poëzie als proza geeft Anbeek voorbeelden-met-zijn-uitleg, die goed illustreren welke denkbeelden ten grondslag liggen aan de literaire uitingen. Dat daarbij voor twee belangrijke aandachtspunten is gekozen, is terecht: de Tachtigers en de Beweging van Vijftig. Ook al heb ik van schrijvers uit de tweede helft van de 19e eeuw wel wat gelezen, bijv. van Busken Huet, persoonlijk ben ik vooral liefhebber van proza uit de tweede helft van de besproken periode. Het is dan ook plezierig om na ruim tweehonderd pagina’s, die voor mij bestonden uit interessante verhandelingen uit een tijd grosso modo voorafgaande aan mijn leeservaringen, voorbeelden behandeld te zien van werk dat ik zelf heb gelezen. Het is niet storend, zeg ik Anbeek na, “dat er waardeoordelen worden gegeven - literair onderzoek dat niet op waarden let, levert alleen trivialiteiten op.”
Het gaat in dit boek om ‘Nederlandse’ literatuur. De betekenis van ‘Nederlandse’ is in dit geval niet ‘Nederlandstalig’, maar binnen het land Nederland. Om de discussie over vermeende veronachtzaming van Vlaamse literatuur op voorhand te bezweren, heeft Anbeek er in zijn ‘Vooraf’ aandacht aan besteed. Ik citeer: “(het) is mijn overtuiging dat de Vlaamse en de ‘Hollandse’ literatuur aparte grootheden zijn, met een in hoge mate onafhankelijke ontwikkeling en eigen thema's, een standpunt dat ook door Vlamingen is verdedigd.” En voorts: “Mijn concentratie op de Hollandse literatuur heeft niets met enig waarderingsverschil te maken.”
Waar Bernaerts en De Potter trefzeker weergeven waar het Anbeek in het algemeen in wezen om te doen is: ‘een vorm van close reading, vaak tegen een comparatistische achtergrond en met een intentionalistische ondertoon’, houd ik het op: goed gedaan, meneer Anbeek. Ton Anbeek zal dit stuk tekst van mij niet meer in zijn ondermaanse leven kunnen lezen. Antonie Gerrit Hendrik Anbeek van der Meijden overleed op 6 april 2026. JM