De schrijver maakt een wandeling met zijn hond Eddie. Alles verloopt naar wens. Hij heeft al veertig boeken gepubliceerd en hij is al vijftien jaar samen met Phoebe, de vrouw van zijn leven. Toch worden zijn gedachten zwaar verstoord. Een pas aangebrachte stent in zijn aders maakt duidelijk dat hij niet het eeuwige leven heeft, en als schrijver staat hij droog. Ook zijn verhangen nonkel Achiel en diens kwantumtheorie zitten hem dwars. Daarom begint de schrijver aan zijn autobiografie.
Herman Brusselmans is een Vlaamse schrijver, dichter en columnist. Hij debuteerde in de jaren tachtig en groeide uit tot een van de meest productieve en herkenbare stemmen in de Nederlandstalige literatuur. Brusselmans schrijft romans, verhalen, poëzie en columns, waarin autobiografische elementen, satire en maatschappijkritiek regelmatig samenkomen. Hij schuwt controverse niet en was meermaals onderwerp van publieke discussies en rechtszaken, wat zijn imago als polemisch auteur versterkte. Tegelijkertijd wordt hij geprezen om zijn taalgevoel, timing en vermogen om banaliteit en existentiële vervreemding te combineren. Hij geldt als een eigenzinnige, invloedrijke figuur binnen de Vlaamse literatuur, die bewust buiten het literaire establishment opereert.
Als je er één hebt gelezen, heb je ze allemaal gelezen, maar ik kan een zesmaandelijks Brusselmanstussendoortje wel waarderen.
“Hoe zat het met m’n wereldbeeld? Dat controleerde ik even. Het zag er nog altijd betrouwbaar uit. Het is mede gevormd door dat van m’n ene grootmoeder die altijd zei: ‘Het is me toch wat.’”
“Nog goed dat ik zelf met een mooi meisje getrouwd ben. Ik ben haar er nog iedere dag dankbaar voor en dat laat ik blijken door kleine attenties, bijvoorbeeld m’n tong in haar preut.”
Kort maar niet altijd krachtig. Niet dat boeken altijd krachtig moeten zijn of schrijvers een statement moeten maken, maar toch. Eerlijk geschreven met een pen die uitpuilt van zelfspot en tragikomische hilariteit. Soms verliest het de eerder opgebouwde continuïteit, maar daar moet je eigenlijk geen 'achterwaarts in de poes genaaide' fuck om geven. Ideaal treinboekje dat zelfs in een volle coupé met luidruchtige toeristen een lach toverde op mijn gezicht.
Herman schrijft korte zinnen waardoor het een fijn tussendoortje is. Al heb ik een dubbel gevoel over de manier van schrijven, we kennen hem wel.
Het werkt, al heb ik over dit boek niets speciaals te vertellen, hij ook niet.
Gewoon, los met de pen geschreven wat er in hem opkomt wat dan resulteert tot dit. Boeken moeten niet altijd een grote betekenis en kracht hebben. Al vind ik het wel vervelend dat er verschillende dingen steeds maar terugkomen ‘ik ben een goede schrijver’ - ‘ik ben getrouwd met (toen nog) Phoebe, een fantastische vrouw’. Ja, Herman dat weten we wel ondertussen.
Voor mij eens een ander kaliber, iets nieuws. Maar sta nog steeds open voor een ander boek van Herman erbij te nemen. Gewoon uit curiositeit. Soms wat vettig maar ik was voorbereid.
Vaak gelachen, een boekje dat ook gelezen kan worden zonder dat ge zelf er altijd 100% moet bijblijven.
Ik heb gewacht tot nu om dit boek te lezen om zo oud te zijn als toen Herman Brusselmans het schreef. Dezelfde leeftijd hebben: dat schept een band. Zo hebben we bijvoorbeeld allebei nogal veel last van onze benen. Met allebei bedoel ik het hoofdpersonage en ikzelf. Voor de vereenzelviging zijn zo'n overeenkomsten nu eenmaal belangrijk, of men dat nu wil of niet. Het stelt een 49-jarige gerust dat er nog andere 49-jarigen nogal veel last hebben van hun benen. Maar ik wou het dus, want anders had ik dit boek wel in 2006 gelezen. Nóg vroeger ging niet, omdat Herman Brusselmans het toen nog niet geschreven had. Ik hou wel van Brusselmans, of tenminste van zijn boeken; hij schrijft over niets. Dat is een verademing in onze jachtige tijden. Je vraagt je als je het boek uit hebt dan misschien wel af of je niets beters had kunnen doen, maar dat mag geen literair waardeoordeel opleveren; je kunt je dit immers afvragen bij alles wat je doet. Al bij al mag je blij zijn dat je niet iets anders gedaan hebt dat je stress had bezorgd. Dat stelt misschien weinig voor, maar wie het kleine niet eert...
Echt (feestje!) … Ik ben aan mijn allerlaatste bespreking ooit van een boek van Herman Brusselmans toegekomen. Ik koop nooit meer een werk van hem. Zelfs als ik het voor niks krijg, verhuist het meteen naar de zolder. Met Kwantum, verschenen in 2007 bij The House of Books, heb ik definitief mijn Brusselmans-quotum bereikt, zelfs al is dit boekje maar een goeie honderd bladzijden dik. Ik laat me niet meer vangen, ook al staat er, zoals op de voorpagina van deze uitgave, een strop op de voorpagina. Finito. Schluss damit. Het is volbracht.
Ik ga niet overdrijven door te stellen dat werkelijk élk boek van Brusselmans over hetzelfde gaat, maar dat is bij Kwantum toch wéér eens het geval: de fantastische schrijver Herman Brusselmans (“Ik ben de bekende schrijver. Ik heb meer dan veertig boeken gepubliceerd, waarvan het meest recente Muggepuut als titel heeft.”), zijn eeuwige durende (maar helaas nooit effectieve) writer’s block (“Sinds de publicatie ervan sta ik droog”), zijn vrouw (hier nog Phoebe – “Ik ben getrouwd met Phoebe. Je zou haar moeten zien. Wat een mooie, prachtige vrouw. Ik ben blij dat ik met haar samen ben, nu bijna vijftien jaar.”), de veehandel van zijn vader, levende en dode honden (Eddie en Woody), des schrijvers lul (en wat hij daar allemaal mee wenst te doen), Hamme (zelfs Moerzeke komt er weer aan te pas), het door elkaar halen van fictie en realiteit (“Misschien ligt het aan de werkelijkheid dat ik momenteel geen boek schrijf. Dat de werkelijkheid dus een mindere periode heeft. Het zou kunnen, want veel gebeurt er niet de laatste tijd.”), des schrijvers dooie moeder (soms met de dooie hond op haar schoot), imaginaire boektitels (Iedereen is uniek behalve ik, deel 4, bijvoorbeeld – meer dan drie keer is Iedereen is uniek behalve ik tot nog toe niet gebruikt als ondertitel), juffrouw Brijs, vrouwelijke Bekende Vlamingen, de lengte van zijn haar, “kolonel” Brusselmans die massa’s Duitsers doodt met zijn Browning, tekenaar De Meeuw (Erik Meynen), auto’s, moto’s, … Zelfs het mopje “Waar zat ik ook weer?” komt terug.
Het enige werkelijk originele aan dit hele boekje is dat hij tot twee keer toe reclame maakt voor ECI, maar dat was waarschijnlijk ook de uitdrukkelijke bedoeling van uitgever ECI. Ik ga van de weeromstuit dus géén reclame maken voor ECI. Per slot van rekening heet die “boekenclub” intussen al een jaar of drie niet meer zo.
Goed dat Herman Brusselmans dus ook in dit boekje bevestigt wat we al langer wisten: “(…) ik ben niet de beste schrijver aller tijden. Daar kan ik me de laatste tijd redelijk overheen zetten.” Dat was zo toen hij negenenveertig was (een feit waarop hij in Kwantum een paar keer wijst) en dat is nog steeds niet veranderd (ook niet ondanks het feit dat ik intussen zelf zo goed als negenenveertig ben). “Over honderd jaar zullen mijn boeken niet meer gelezen worden”, schrijft Brusselmans bijna aan het einde van het boekje. Wat mij betreft: vanaf vandaag al niet meer. Ook Kwantum verhuist bij deze naar de laatste halte vóór de rommelmarkt.
"Willen is één ding, het doen is iets geheel anders. Die twee hebben niets met elkaar te maken. Dat zei Kierkegaard al, en dat was een halvegare, laat staan hoe waar het wel niet is als ik het zeg. "
‘Ik ben heel benieuwd,’ zei Jackie, ‘ik kan bijna niet wachten.’ ‘Toch zul je moeten,’ zei ik. ‘De tijd houdt met niks rekening. Of je naar iets uitkijkt of het vreest, daar trekt de tijd zich niks van aan. Mocht de tijd een persoon zijn, hij zou me wel bevallen.’