”Han skrev kun lidt: men det, han skrev, kom af kærlighed” The Guardian
Nescio bringer læseren ind i et univers, der ville være genkendeligt for bl. a. F. Scott Fitzgerald og Samuel Beckett. Eller man kan forestille sig Knut Hamsuns Sult malet med J. F. Willumsens farvepalet – sat langs Amsterdams kanaler. Og alligevel er de helt deres egne, disse selvstændige, sammenhængende og fremfor alt lysende historier om ungdommens drømme og alderdommens resignation. Nu endelig på dansk.
Biografisk betragtet kaldes Nescio (pseudonym: ’jeg ved det ikke’) den hollandske Kafka; pseudonymet dækker over J. H. F. Grönloh (1882-1961), en direktør i et handelskompagni, der af hensyn til sit borgerlige arbejde længe tøvede med at stå frem som forfatter.
”Denne samling fortællinger, med gentagne karakterer, udforsker periodens unge mand, hans håb og drømme, med en psykologisk intensitet, der overrasker i sin friskhed og nutidighed” Scottish Sunday Herald
“I dag er det netop bogens ufuldstændighed, der får den til at fremstå helstøbt, og ambivalensen vedrørende ’sindets liv’ endnu mere rammende” London Review of Books
Jan Hendrik Frederik Grönloh was born in Amsterdam, the oldest of four children. After an idealistic youth, he joined the Holland–Bombay Trading Company in 1904, becoming director in 1926, suffering a nervous breakdown leading to a short hospitalization in 1927, and retiring at age fifty-five, on December 31, 1937; he married Aagje Tiket (b. 1883) in 1906 and had four daughters with her, born in 1907, 1908, 1909, and 1912. Meanwhile, as Nescio (Latin for “I don’t know”; he adopted a pseudonym so as not to jeopardize his business career, acknowledging his authorship publicly only in 1929), he wrote what is now considered perhaps the best prose in the Dutch language.
Beautifully written novella, famous piece of Dutch literature, written around 1915 I think, about a couple of young guys who have great ambitions and philosophies, about to change the world, write and paint great works of art, but 'nothing really comes of it'. Beautiful still Dutch language, subdued humor, mildly sad, poetic descriptions of the landscape and the sea... A tiny gem. One of my goals is to read some Dutch literature, which I neglected for a long time. I listened to it in my car to and fro work, morning and evening. With the calm and wonderful voice of Job Cohen, former mayor of Amsterdam. Beautiful. I will move on to read Nescio's other masterpiece, 'De Uitvreter', soon. Enjoyed my renewed encounter with Dutch literature (oh how different it was when I was 17 of age and 'forced' to read Dutch literature for school.... )
Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n vijven. Alle andere menschen waren 'ze'. 'Ze', die niets snapten en niets zagen. 'Wat?' zei Bavink, 'God? je praat over God? Hun warme eten is hun God.' Op enkele 'goeie kerels' na werd iedereen door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: 'En niet ten onrechte', maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu, alweer behalve Bavink, en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg tegen Hoyer: 'we zijn er niet op vooruit gegaan.' Maar Hoyer is al te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S.D.A.P. te hooren, en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.
““God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen staan er vol schoone bloemen, die niet sterven, en statige vrouwen wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindeloze gebied is eindeloos 't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht naar de zee. En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie 't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende. En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor den wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf. Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid. Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.”
“O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen, wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit kwamen, en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden, die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij er aan, hoe Zondagavond de zon was ondergegaan. En hoe wij woordeloos 't heelal doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggenmerg gevuld had en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. En hoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië en Godweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooit zouden kunnen beleven.”
“Gods troon is nog ongeschikt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokken op te stapelen om ’m van z’n verhevenheid te storten en aan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt; ‘Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. ’t Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar’. En zo gaat alles z’n gangetje en wee hem die vraagt: ‘Waarom?’”
'Gods troon is nog ongeschikt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokken op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt; 'Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen , maar ik ben ook God maar'. En zo gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt : Waarom?'
Bijna iedereen kent de eerste zin van Titaantjes van Nescio en niet deze laatste regels. En dat terwijl die ook zo mooi zijn. Een verhaal over de dromen van de jeugd en de ontgoocheling van het ouder worden. Mooi.
De weemoedige herinneringen van 'koekebakker', de verteller aan zijn dromende en hemelbestormende vriendenclub zoals die was toen ze 19/20 waren en hoe hij deze dromen zes jaar later in allen voorgoed in duigen heeft zien vallen.
Het eenvoudige, doeltreffende proza is doordrenkt van een nostalgie en een spijt dat het leven veel minder spannend is dan het zou kunnen zijn. De 'helaasheid der dingen' ware een goeie omschrijving voor het gevoel in dit boek geweest. In al zijn beknoptheid is dit wonderschone boekje een van de onbetwiste meesterwerken van de Nederlandse literatuur.
Absoluut meesterwerk. Prachtig Nederlands zowel qua ritme als beschrijving. Het is zeer jammer dat de brave man niet meer geschreven heeft. Anderzijds heeft hij m.i. alles gezegd wat hij wou zeggen. Nescio's doel is eigenlijk een filosofisch tractaat (nauwelijks) verborgen in een verhaal. Het is een liefdevolle maar haarscherpe analyse van la condition humaine. Je moet wel 40+ zijn om het te apprecieren denk ik.
(Er komen enkele passages in voor die sterk een buddhistische kijk op het leven verraden zonder dat dit ook maar aangegeven wordt. Ik heb geen idee of Nescio ooit met het buddhisme in aanraking kwam.)
This time, there are four of them. Young men, never clear about what they were going to do, but sure they were going to do SOMETHING. It seems to me now that there is a constant refrain in Nescio's works: an unending amazement that we are mortals and that the world shall outlast us for a long, long time. The same thought I have, whenever I pass by a Starbucks outlet, remembering a friend, seeing the old table we once played chess in when he was still alive.
Nescio is erin geslaagd om in een erg modern aandoende taal een beeld te schetsen van de onmogelijkheid tot grootse daden van een vijftal jonge mannen. Ze dromen van een toekomst die voor hen niet weggelegd blijkt en botsen tegen de muren van de realiteit. Alles wordt verteld op een haast gezellige wijze en er hoeft niet veel te gebeuren in het verhaal om de pointe duidelijk te maken.
Hollandske Nescio er en ren fornøjelse af læse. Små titaner er hyldest til de unyttige drømmerier. En samling velskrevne, charmerende fortællinger fyldt med nærvær og melankolsk humor.
“Jongens waren we - maar aardige jongens, behalve Bavink”. Ze waren een pracht stel kerels om rijk te zijn, maar ‘centen hebben’ vonden ze verachtelijk. Dit vervolg op de uitvreter heeft weer het thema dat ieder mens zich uiteindelijk ten koste van zijn idealen aanpast. Hoe groot de afkeer ook mag zijn geweest, wordt er toegegeven aan de maatschappelijke eisen en vindt er uiteindelijk ook berusting plaats.
“Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en mijn hart had naar de verte getrokken en de roode luchten in ‘t Westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat mij de wijsheid, die mij leert dat ‘t niet anders kan en zoo blijven zal in eeuwigheid? ... Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid”.
Nieuwe titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen en God lacht maar en denkt:”Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. ‘t Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar.”
Een verhaal uit 1918. Toen het Damrak nog niet gedempt was. Geschreven met een losse toon die op mij als een realistische, bijna 21e eeuwse wijze overkomt. En een tijdloos thema van de vrienden die de wereld gaan veroveren maar door de gesel van 9 tot 6 nergens aan toekomen. En als ze eraan toe komen - via gedicht of schilderij - het ook weer laten vallen of vernietigen. Titaantjes waren zij, maar aardige titaantjes… De losse flarden en gedachten maken het tot een boek dat ook in het modernisme en postmodernisme meekan.
Het e-book dat ik heb gelezen kwam uit de Gutenberg-collectie en was gezet in spelling van 1918.
Did not read the version with illustrations from Joost Swarte (he is a great artist). But Nescio dies not need illustrations. He rights simply, beautifully and his writing evokes images of the people and their surroundings as if you are there with them. It is beautiful, funny and a little sad. A gem! Btw, I read the book in Dutch.
"Ga eens met je rug naar 't water staan en luister. Kan je eruit blijven?" "Waaruit?" "Uit de zee? Ik knikte van ja, dat kon ik best. "Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluid achter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is God ook. God roept."
The theme may seem common: a group of young men with grand aspirations realize over the course of the years that their grand aspirations are not attainable. They have to subject to the great order of things, or else remain outcasts. Nostalgic, powerful, universal, subliminal. Very worthy read.
Beautiful beautiful lucid poetic prose, all about youth and adulthood, friendship and lonelyness, and the light and the air and the sky and the sea and Amsterdam and constant change… Nescio added to my personal pantheon of greats.
Mooi kort verhaaltje dat ik van school moest lezen, het boek is kort maar heeft toch een soort van pessimistische boodschap in mijn ogen, tegelijkertijd is die ook wel mooi. De titanen slagen er maar niet in te "winnen" en uiteindelijk wordt iedereen maar toch 'gewoon' en 'normaal'
Tænk - at kunne se sig selv og sine venner, midt i ungdommen, som de guder, titanerne er, når man ved, at de faldt - og samtidig indrømme, man er lille