Ben je een lichaam of heb je een lichaam? Volgens Paul Verhaeghe berust intimiteit in de eerste plaats op de relatie met jezelf en pas daarna op een relatie met anderen. De verhouding tot ons eigen lichaam legt niet alleen de basis voor intimiteit, maar ook voor onze mentale en lichamelijke gezondheid. Vandaag de dag wordt die verhouding helaas gekenmerkt door schaamte, veroorzaakt door de overtuiging dat we nooit mooi en gezond genoeg zijn. In Intimiteit laat Verhaeghe zien dat onze tijd dringend behoefte heeft aan een nieuwe vorm van zelfzorg. Een waarin we meer samenvallen met onszelf. Hij rekent af met de klassieke verdeling tussen lichaam en geest zodat we op een andere manier naar het zelf en de wereld kunnen kijken. Met zijn doordachte pleidooi voor intimiteit zet Paul Verhaeghe de lezer aan het denken over zichzelf en over de ander.
Fascinerend boek waarin Paul Verhaeghe de vinger op de huidige plek weet te leggen wat betreft (het onvermogen tot) intimiteit in de huidige samenleving. Intimiteit gaat niet in de eerste plaats over iets tussen twee mensen, maar over een gezonde verhouding met mijzelf. Verhaeghe laat zien dat de basis hiervoor al vroeg gelegd wordt en bijvoorbeeld het spiegelstadium bepalend is voor de ontwikkeling van een baby. Op intrigerende wijze maakt hij duidelijk hoe een gezonde verhouding met jezelf samenhangt met de huidige beeldcultuur, met identiteit, de verplichting tot genot en de opvatting van wat een goed leven is. Het werkt allemaal op elkaar in en is erg herkenbaar voor mij als lezer. Verhaeghe verwijst naar interessante onderzoeken en er was bijna teveel interessants om te onderstrepen. Dit boek heeft me gegrepen en met een nieuwe blik naar mezelf en de wereld om me heen doen kijken. Dat het een aanrader is, is dan ook een understatement.
Favoriete quote: "Het klinkt tegenstrijdig: om samen met anderen te kunnen zijn, moet ik eerst alleen met mezelf kunnen zijn. Om intiem te kunnen zijn met iemand anders, moet ik eerst de stilte toelaten om te horen wat er komt, over mijn angsten en verlangens, mijn kwaadheid en verveling, mijn pijn en mijn genot. Een intieme conversatie met mezelf opent een mogelijkheid tot conversatie en intimiteit met iemand anders. Een pas gevormd koppel komt tijd tekort om te praten. Een koppel dat jarenlang samen is, kan genieten van stilte; de intimiteit is er." (p. 304)
"Met een selfie - o ironie - probeer ik zo goed mogelijk te beantwoorden aan de verwachting die ik bij anderen leg. Dat lukt nooit helemaal. Nooit voldoet het beeld aan het ideaal." (p. 46)
"Zo perfect mogelijk beantwoorden aan het verwachte beeld: dat is hét probleem bnnen de nieuwe invulling van onze immer verdeelde identiteit. Je moet meer inspanningen leveren, er zit méér in jou. Mijn lichaam en mijn persoon zijn voor verbetering vatbaar." (p. 131)
"In het huidige tijdperk zijn we niet afgestemd op ons lichaam omdat we het in een perfecte pasvorm moeten duwen. In beide gevallen is het gebrek aan afstemming een factor die ernstig bijdraagt aan ziekte en psychologische problemen." (p. 133)
"We krijgen van kindsbeen af te horen dat we moeten slagen en dat succes afhangt van onze eigen 'keuze' en bijgevolg onze verantwoordelijkheid is De keerzijde van het idee dat succes een keuze is en perfectie, mits de nodige inspanningen worden geleverd, binnen handbereik ligt, is voorspelbaar: angst (ik voldoe niet) en depressie (ik kan het niet), meteen de belangrijkste stemmingsstoornissen van onze tijd." (p. 135)
"In de huidige tijd is iedereen potentieel depressief, omdat niemand altijd aan het heersende ideaal kan beantwoorden." (p. 135)
"We blijven zoeken naar iets of iemand die ons de illusie van volledigheid kan bieden. Daarbij moeten we de ander wel overmatig idealiseren, want niemand is in staat ons gemis op te vullen. Met als gevolg dat we de ideale man of vrouw op een voetstuk plaatsen. Wanneer hij of zij op ons verlangen ingaat, is het slechts een kwestie van tijd vooraleer het ideale beeld vals blijkt te zijn. Waarna de slechte kant van idealisatie zichtbaar wordt. De bewierookte ander moet het ideaal waarmaken; doet hij dat niet, dan rekenen we hem daarop af." (p. 144)
"Genot veronderstelt dat het Ik de touwtjes uit handen geeft en verdwijnt in een activiteit waarbij het lichaam het overneemt. Angst voor controleverlies betekent dat ik bang ben om te verdwijnen. [...] Vreemd hoe een vergelijkbare ervaring - het verdwijnen van het Ik - aan de basis ligt van angst én genot." (p. 165)
"Op maatschappelijk vlak is de maatstaf vrij duidelijk: een ideaal leven is een succesvol leven. Drie generaties terug was dat nog een vroom leven. [...] Bij het succesvolle leven is genieten een bewijs van succes, dat bovendien zo veel mogelijk getoond moet worden." (p. 168)
"Mijn identiteit wordt voor een groot deel ingevuld door de verwachtingen van anderen en de bijbehorende voorgehouden beelden waarmee ik mij identificeer of waartegen ik mij afzet. Hiermee begrijp ik identiteit als de wijze waarop ik me verhoud tegenover belangrijke anderen, maar ook en vooral als de wijze waarop ik me verhoud tegenover de andere die ik voor mezelf ben. En dus tegenover mijn lichaam. 'Je est un Autre', zoals Rimbaud al wist." (p. 194)
"Honderd jaar geleden liet Lewis Caroll in 'De avonturen van Alice in Spiegelland' de Rode Koningin uitleggen aan Alice: "Hier moet je zo hard rennen als je kunt om op dezelfde plek te blijven. En als je ergens anders wilt komen, moet je nog minstens twee keer zo hard rennen."" (p. 211)
"De nieuwe onvrijheid is de verplichting tot concurrentie, ook met onszelf, en tot pleonexia, de noodzaak om van alles steeds meer te hebben." (p. 231)
"Juist omdat ik geen man of vrouw uit één stuk ben, kan ik aan zelfreflectie doen. Ik denk na over mijzelf, praat met mijzelf, kijk naar mijzelf en leer op die manier de verschillende delen kennen waaruit ik samengesteld ben. Zelfreflectie is nodig voor zelfkennis, waarna de weg naar zelfbeheersing en zelfzorg opent." (p. 251)
"Stilte staat ons toe te luisteren naar eigen sensaties, zowel gedachten als gevoelens, zonder afgeleid te worden door de luidruchtige waanzin van de dag." (p. 265)
"Hoe sterker de oorspronkelijke eigenliefde is, hoe steviger we in onze schoenen staan en hoe onafhankelijker we ons later kunnen opstellen ten opzichte van invloeden van de buitenwereld." (p. 283)
"De wankeling tussen het verlangen om samen te vallen met de ander en te verdwijnen in hem of haar enerzijds, en het verlangen naar autonomie en dus naar de scheiding van hem of haar anderzijds, zit ingebakken in wie wij zijn." (p. 300)
Zeer boeiend en veelomvattend boek over het belang van een goede relatie met onszelf. Bewonderenswaardige mix van kennis uit de filosofie, biologie, psychologie, sociale wetenschappen, zowel vanuit theorie als empirie. Niet enkel oog voor het individu (bekende valkuil vanuit de psychologie) maar juist ook grootse historische ontwikkelingen (richting individualisme, hebzucht, concurrentie) die de intimiteit met onszelf verstoren. Verhaeghe leert de lezer enorm veel in korte tijd, maar doet dat altijd op een toegankelijke manier - hij neemt je bij de hand
Psychiater Paul Verhaeghe schrijft boeiende boeken waarin hij het gedrag en ervaringen van mensen duidt aan de hand van maatschappelijke ontwikkelingen. In Intimiteit richt hij zich op de verhouding van mensen tot hun lichaam.
In de eerste helft van het boek blijf ik maar zinnen markeren op mijn e-reader, zo treffend vind ik wat hier beschreven wordt. Op een gegeven moment valt de schrijver in herhaling. Alles bij elkaar bevat Intimiteit genoeg boeiende observaties en duidingen om het aan te raden.
Paul zet zoveel dingen die ik al dacht of voelde zo duidelijk op papier en verbindt ze ook nog eens allemaal aan elkaar. Veel uitroeptekens in de kantlijnen gezet.
Gedachtegang Verhaeghe De ‘bevrijding’ van de jaren ‘60 is mislukt; we zijn nog steeds slaaf van onze sociaal-culturele context, alleen nu van een andere dan voorheen. Religie is ingeruild voor marktdenken en genotzucht, een vroom leven voor een leven van hebzucht, exhibitionisme, YOLO (you only live once) en FOMO (fear of missing out). De soc-culturele context noemt Verhaeghe: de Ander; het zijn alle anderen om ons heen die ons opzadelen met wat goed is, wat moet en wat niet mag, te beginnen - en vooral - onze ouders in onze kindertijd. Het gevaarlijke van genotzucht, hebzucht en exhibitionisme is dat het eindeloos is, er is geen grens. Als gevolg daarvan zijn de moderne stemmingsstoornissen angsten, depressie, stress, burn-out en narcisme. Verhaeghe leent van Aristoteles het inzicht over wat ook in de moderne tijd een goed leven is: zelfzorg gecombineerd met zorg voor anderen; en combineert dat met het inzicht dat mensen zich voor geluk verbonden moeten voelen met anderen en met een groter geheel: zingeving. En dat allemaal met matiging, zowel aan de onderkant (te weinig is niet goed) als aan de bovenkant (te veel is ook niet goed). Psychologisch betekent geluk twee dingen: goed in contact staan met je lichaam, opnieuw met matiging (niet teveel of te weinig eten, drinken, sport, werken, vakantie, feest vieren, sex/porno) en af en toe ‘jezelf vergeten’, vrij komen van je ego, zoals in flow. Verhaeghe pleit voor zelfliefde en zelfzorg, niet te verwarren met narcisme, om van daaruit de verbinding met anderen aan te gaan: liefdevolle autonomie in verbondenheid als tegengif tegen narcistische eenzaamheid in isolement.
Placebo en conversie Twee omkeringen van oorzaak gevolg, lichaam geest: 1. Placebo = een patiënt krijgt een nepmedicijn, beeldt zich in dat het werkt, wat ook het geval blijkt te zijn. Heeft genezing tot doel. Variant: nocebo = negatieve verwachting; bijv dat je ergens last van zult krijgen, en dat ook krijgt. 2. Conversie = een psychologische problematiek - vaak een innerlijk conflict - wordt ‘opgelost’ door haar te converteren in het lichaam, en dit zonder dat de patiënt er zich bewust van is: een deel van het lichaam (bijv benen) of een functie (zintuig) functioneert niet meer, terwijl er medisch-biologisch niets aan de hand is. Ook wel: functional concersion disorder. Is een stoornis. Kortstondig wel acceptabel: knikkende knieën, ik moet ervan kotsen, beven van woede etc; landurig is een mysterie.
De Ander Herkomst van placebo, nocebo en conversie is verwachtingen die door een ander worden voorgehouden of traumatische herinneringen; door beelden die worden voorgehouden of opgedrongen door anderen. Of nog liever: door mijn eigen beeld daarvan of herinnering daaraan. De wijze waarop ik naar mezelf kijk, hangt grotendeels af van hoe anderen naar mij kijken; ik wil beantwoorden aan het voorgehouden beeld. Voorbeelden: baby’s spiegelen hun ouders, die vervolgens onderdeel zijn van een cultuur...; schoonheidsideaal...
Duck face selfie = ik probeer te beantwoorden aan een verwachting die ik bij anderen leg. Dat beeld, wat anderen voorspiegelen, putten zij uit brede culturele context.
De abstracte Ander = dominante morele opvattingen van onze cultuur en traditie.
Gezondheid biopsychosociaal Mens sana in corpore sano = een gezonde geest in een gezond lichaam.
Gezondheid vroeger doel op zich; tegenwoordig zijn levensdoelen lang leven en consumeren, en is gezondheid het middel.
Gezondheid is biopsychosociaal; het effect van omgeving (schoon drinkwater, voeding, lucht en gezonde sociale omgeving), biologisch-genetische aspecten en psychologische aspecten en levensstijl. Het samenspel bepaalt wie gezond blijft. Één factor is nooit doorslaggevend, want er is altijd een groep mensen die daarbij wel gezond blijft. Huidige tijdgeest is benadrukken van levensstijl; risico op verliezen solidariteit; de beschuldigende Ander.
Slechte psychosociale omstandigheden leiden meestal tot mensen met psychosociale- en gezondheidsproblemen. Echter: 1. Er zijn ook mensen die aan hun omstandigheden ontsnappen. Onderzoek (Emmy Werner) vat de eigenschappen van die mensen samen als resilience, veerkracht: - Individu: als baby positieve reacties ontvangen van verzorgers. - Gezin: veilige hechting met minstens één iemand (bijv grootouder); jongens baat bij structuur met mannelijk rolmodel en emotionele expressie, meisjes bij accent op onafhankelijkheid en steun van een vrouwelijk familielid. - Gemeenschap: jongeren kunnen bij crisis beroep doen op leeftijdgenoten en betrouwbare volwassenen met autoriteit (leerkrachten, leiders, geestelijken). 2. De relatie tussen trauma in jeugd en latere gezondheidsproblemen is niet eenduidig. Niet iedereen met trauma ontwikkelt een stoornis, en niet alleen stoornissen zijn dezelfde per trauma. Voorbeeld: obesitas als bescherming tegen seksualiteit na misbruik; niet alle mensen met seksueel misbruik worden obese.
De uitzondering Welke individuele factor maakt nou dat sommigen ondanks slechte omstandigheden toch gezond blijven? Weten we niet goed; wordt wel aangeduid met termen als resilience (veerkracht) en grit (lef), stheniciteit (kracht, uit grieks), Konstitution (Freud), adaptive energy (Hans Seleye, grondlegger van stressonderzoek), weerstand.
Gevoelens, affecten, emoties Affecten = fysieke emoties die niet bewust worden ervaren Emoties = bewust ervaren gevoelens, bewuste en benoembare ervaring van onderliggende lichamelijke processen.
Emoties zijn onze bewuste ervaringen van lichamelijke reacties op wat de omgeving met ons doet, en/of onbewuste herinneringen die we herhalen. Bij herinnering-emotie is onze intuïtie onze lichamelijke herinnering buiten ons bewustzijn om. Irrationele emoties: niet in overeenstemming met de situatie. Bijv angst in een veilige omgeving, rust in een bedreigende. Uitlokking en zelfbevestiging: emoties roepen emoties bij anderen op, wat bevestigend werkt. Herinnerde emoties werken zo als self fulfilling prophecy.
Alle emoties gaan terug op onderliggende affecten, maar niet alle affecten worden bewuste emoties. Emotioneel bewustzijn gerelateerd aan het menselijke bewustzijn, met taal die de mogelijkheid geeft tot afstandname en reflectie (in tegenstelling tot dieren). De oorzaken van fysieke ervaringen zijn: - natuur: idyllisch landschap, aardbeving - ons eigen lichaam: pijn, genot - anderen: welwillendheid, kwaadwillendheid
Hechting, verdringing, dissociatie en de Ander Freud: verdringing, gericht op herinneringen. John Bowlby: hechting, defensieve uitsluiting = kind laat bep informatie niet meer toe tot bewustzijn om leed te vermijden. Verdringing is geen keuze, maar het gevolg van hechtingsprocessen. Vlgs Bowlby een ontbrekende inbeelding omdat het kind geen woorden en beelden heeft geleerd voor zijn affecten, als gevolg van een afwijzende ouder; de affecten hebben nooit de overgang naar het bewustzijn gemaakt. In extreme gevallen sluit de persoon toegang tot gevoelens helemaal af, bijv bij seksueel misbruik. Dat heet dissociatie. Dit komt dus door het omgekeerde van spiegeling, een gebrek aan spiegeling.
Verdringing van emoties uit het bewustzijn komt dus door de Ander.
Mensen met veel defensieve uitsluiting hebben als volwassene vaak een verkeerde zelfkennis en laag zelfbeeld, zijn vaak gevoelsarm (stiff upper lip) of pleasers.
Holisme en spanning Endocrinologie = leer van hormonen Neurologie = leer van de zenuwen Immunologie = leer van het afweersysteem. Tot voor kort gescheiden wetenschappen. Nu weten we dat ze aan elkaar zijn verbonden door: stress. Door stress daalt de weerstand, neemt de productie van stresshormonen toe, en ontwikkelen zenuwbanen zich niet optimaal of krijgen we een beroerte.
Ont-spanning: fysieke activiteit die fysiek en psychologisch voelbaar is. - Lichamelijke spanningsontlading werkt genezend. - Associatief. Lichamelijke ontlading via spreken; benoemen van spanningen via associaties al dan niet onder hypnose. - Kijken naar de gevoelsbeleving van anderen. Lachen of huilen tijdens een film. Kunst loutert.
Gezondheid = homeostase, handhaven van evenwicht in lichaam en geest. Voor lichaam: temperatuur, bloeddruk, suikerspiegel etc, voor geest: spanning.
Huidige cultuur van individualisme, (maatschappelijk) succes en genotzucht (consumentisme) leidt tot eenzaamheid. Vroeger: deugdzaamheid. Tevens druk om te presteren: geluk en succes zijn je eigen verantwoordelijkheid op een markt: werk, relaties, allemaal vraag en aanbod. Dit leidt tot de twee belangrijkste stemmingsstoornissen van deze tijd: angst (ik voldoe niet) en depressie (ik kan het niet).
Perversie = ‘het negatief van neurose’, het meest verbodene waar de mensen van dromen. Narcisme = negatief van depressie, opgeblazen eigendunk van degene die denkt het gemaakt te hebben.
Genot Drie soorten: 1. Genot door ontlading. Volgens Plato: effect dat de mens ervaart wanneer een (pijnlijk) gemis ingevuld wordt. Freud: effect van spanning die te hoog oploopt (oa orgasme). Herstel van evenwicht: van spanning naar rust. 2. Door verlangen. Lacan: verlangen van de hysterische mens is het hebben van een onbevredigd verlangen. Een aanhoudende spanning zonder ontlading. Begeerte wil ontlading, verlangen wil versmelting. 3. Door flow. Aristoteles: genieten is positief, gelegen in een activiteit, in het ongehinderd uitvoeren en aansluitend bij het wezen van degene die haar uitvoert. Gevoel van tijd en ‘ik’ verdwijnen. Genot moet worden begrenst. Alleen maar opwinding leidt tot uitputting en uiteindelijk dood. Alleen maar rust en ontspanning betekent biologisch dat iemand geen voedsel zoekt en niet voortplant. Orgasme is een veiligheidsventiel. Oplossing: afleiding, je ‘ik’ vergeten, oosterse wijsheid.
Het goede leven Vroeger was goed leven vroom leven. Met het verdwijnen van religie is dat nu succesvol leven, met hebzucht en exhibitionisme. - Vroom leven: zorg voor anderen centraal - Succesvol leven: zelfzorg centraal - Goed leven vlgs Aristoteles: combinatie van zorg voor anderen en zelf
Factoren van invloed op matiging: 1. Hechting. Iemand die is opgegroeid met betrouwbare volwassenen durf zijn behoeften uit te stellen; iemand met onbetrouwbare volwassenen gaat voor korte termijn winst, pakken wat je pakken kan; 2. Stemming. Een optimistisch persoon kan behoeften uitstellen; iemand die depressief is, heeft een lage zelfcontrole; 3. Stress.
Intimiteit en vervreemding Individu is een koppel van lichaam en geest. Liefde: een dans tussen twee koppels.
Onbewust gehoorzaam = we vinden onszelf niet gehoorzaam, maar realistisch, normaal, rationeel. We leven alsof we weten hoe het leven echt is. (Adam Phillipps)
Elke ander is een potentiële rechter. Mensen zijn bang voor afwijzing. Dat leidt tot schaamte: voor lichaam, afkomst, kinderen, beroep etc. Mensen werken steeds harder om het negatieve oordeel van anderen te ontlopen. Óf: mensen schieten door in eigendunk, arrogantie, schaamteloosheid; veelal om hetzelfde gevoel van mislukking of ‘er niet mogen zijn’ te overschreeuwen. Mezelf blootgeven wordt steeds moeilijker; de therapeut moet een onbekende blijven. Intimiteit wordt zeer moeilijk als iedereen een potentiële rechter is.
Vervreemding= ik ben vervreemd wanneer ik mij identificeer met ideeën die mij van buitenaf opgedrongen worden. Identificatie = het proces waarmee kinderen leren van hun ouders. Separatie = het proces waarin kinderen zich losmaken van hun ouders om zelf autonomie te verwerven in denken en doen. Identificatie zonder separatie leidt tot vervreemding, tot volledig samenvallen met beelden die me worden aangeboden door anderen, door de Ander.
We hebben geen oorspronkelijke identiteit, wel de oorspronkelijke verdeeldheid tussen lichaam en geest; later ook tussen eigen ideeën en beelden die we hebben overgenomen van anderen. We zijn allemaal een meerstemmig koor. In tijden van crisis klinkt het vals, in het beste geval harmonieus. Juist omdat ik verdeeld ben, kan ik op mezelf reflecteren en harmonie herstellen, te beginnen tussen lichaam en geest, op basis van signalen van het lichaam van disharmonie.
Identiteit = je verhouden tot diverse anderen: - Anderen van het andere geslacht - Ouderen - Gelijken: leeftijdgenoten, anderen van hetzelfde geslacht, buren, collega’s - Tot mijzelf, mijn eigen lichaam.
Zelfbedrog Drie vormen van zelfbedrog: 1. Rationalisatie: een vergoelijkende uitleg geven aan je gedrag 2. Ontkenning: je eigen gedrag en emoties ontkennen 3. Projectie: je eigen verlangens en angsten bij de ander leggen, en die gaan bestrijden
Basis van zelfbedrog is gebrek aan zelfkennis: we kennen onze angsten en verlangens niet. Dat berust weer op twee mechanismen: defensieve uitsluiting en dissociatie.
Het drama van mensen met hoge mate van zelfbedrog, zoals bij een trauma, is dat ze met hun gedrag juist bevestiging zoeken en krijgen van hun verdraaide wereldbeeld.
Kritisch Ik ben kritisch over Verhaeghes oordeel over ons Oordeel. Volgens Verhaeghe veroordelen wij mensen die niet goed letten op hun gezondheid, op het behouden van hun lichamelijke en geestelijke balans. Ongezondheid zou ‘eigen schuld’ zijn, en tegen die redenatie loopt Verhaeghe nogal te hoop. Hij legt overtuigend uit dat gezondheid biopsychosociaal is; daarmee is gezondheid nooit zomaar enkel en alleen ‘eigen schuld’. Maar is het niet juist wijs om mensen te helpen er zelf het beste van te maken, bijvoorbeeld door ongezond gedrag in de eigen invloedsfeer collectief af te keuren? Is teveel eten en drinken, verkeerd eten en drinken, te passief gedrag (bankhangen) of juist te actief maar eenzijdig (workaholic), niet ongezond? Is een levensstijl vol verdovende middelen en slechte slaappatronen dan niet af te keuren? Dat is het wel, en ik ben er niet mee akkoord om ongezonde levensstijlen te belonen uit angst om te stigmatiseren. Daarnaast hoeven mensen niet mee te doen met ongezond gedrag van anderen, mensen kunnen zelf denken, voelen en kiezen. Ik ben er blij mee dat steeds minder mensen roken, simpel omdat we weten hoe ongezond het is en we het collectief afkeuren. Om nog maar niet te spreken over het verminderen van de druk op de medische zorg... Kortom: ik vind zijn mensbeeld te passief, somber en cynisch.
Tevens ben ik kritisch over Verhaeghes cynisme ten aanzien van de huidige cultuur. Hij beschrijft een schijnbaar rechte lijn naar beneden van Adam Smiths wealth of nations naar De Sade, Houellebecq en Donald Trump. Verhaeghe keert zich best wel terecht tegen de lichaamscultuur van deze tijd (sporten voor buitenkant ipv gezondheid, plastische chirurgie), het ‘liken’ op social media, ‘shinen’ met materieel succes (bling) en porno; tegen hebzucht en exhibitionisme. Angst en depressie zijn de stemmingsstoornissen van nu. Hij wijst er maar kort op dat dat vroeger neurose was, vanwege de onderdrukkende moraal. Ik vind dat hij voorbij gaat aan de verdiensten van de moderne tijd, aan de toegenomen vrijheid van de mens om zich te ontplooien, vrijheid van kerk en politiek, van uiting van seksualiteit, de verrijking van multi-culturele samenlevingen, betere gezondheidszorg, toegenomen hygiene, beter voedsel, betere leefomstandigheden etc etc. Daarbij komt dat zijn kritiek rijke geïndustrialiseerde westerse samenlevingen betreft. En de rest van de wereld dan - de BRIC-landen, ontwikkelingslanden? Kortom: ik vind zijn maatschappijkritiek uit balans, eenzijdig en cynisch.
Een derde punt van kritiek is dat Verhaeghe ‘de schuld’ van alle moderne leed (lees: angst en depressie) wijdt aan de Ander - een abstractie van ons allemaal, maar niet degene met de sombere gevoelens. Verrassend gaat hij voorbij aan het feit dat het individu ook onderdeel is van de Ander, maar dan voor anderen... Daarnaast struikel ik over de abstractie, waardoor niemand meer iets kan ondernemen en initiatief zinloos wordt. Het reduceert mensen tot passieve angsten en depressies waar ze zelf niets aan kunnen doen, enkel ondergaan en naar de psychiater gaan om het leed wat dan al is geschied, een beetje te verzachten.
Tenslotte vind ik dat Verhaeghe erg veel herhaalt in zijn boek.
Cynisch ”Traditioneel halen wij de kennis over onszelf uit hogere sferen, vroeger religie en filosofie, tegenwoordig wetenschap.” Verhaeghe bouwt zijn cynische mens- en maatschappijkritiek op zeer oude referenties zoals Plato en Aristoteles, en wijst de huidige tijdgeest af - alsof het bij de Oude Grieken (of in de jaren ‘50...) allemaal zoveel beter was... Maar waar zijn de moderne denkers, de actuele wetenschappers? Waar is bijvoorbeeld de positieve psychologie met haar groeiende inzichten in wat een mens gelukkig maakt? In dat terugvallen op oud denken doet Verhaeghe me denken aan die andere populaire schrijvende Belgische psychiater, die het ook al niet op deze tijd heeft, Dirk de Wachter... Verhaeghe beschrijft in zijn boek zelf cynisme als volgt: ‘Cynisme is (...) waarbij iemand aan de zijlijn gaat staan en vanuit die positie gif spuit. (...) Statler en Waldorf (Muppet Show, red.), de twee heertjes boven in het balkon, zijn cynici; ze doen zelf niks, maar hebben commentaar op iedereen.’
Een van de meest interessante boeken die ik ooit gelezen heb. De holistische kijk op het lichaam en geest kende ik al wel, maar dit boek heeft me absoluut overtuigd dat de toekomst hier ligt. De jarenlang gedrillde exacte bètawetenschapper die soms nog in mij zit is quakinggggg lol, maar ik denk dat spiritualiteit echt serieuzer moet gaan worden genomen. Zoveel aantekeningen gemaakt van dingen die voor mij persoonlijk ook veel verklaren. Grote aanrader!!!
"Een pleidooi om een beetje ongelukkig te zijn. [...] Als we de lat minder hoog leggen voor onszelf, en tevreden kunnen zijn met wat het essentie een beperkt leven is, valt er heel wat ongelukkigheid makende druk weg." p.32
"Bepaalde normen zijn ons aangepraat door de consumptiemaatschappij en zijn compleet verkeerd. [...] Waarom koesteren we enkel het geluk en niet het verdriet?" p. +-34
"De keerzijde van het idee dat succes een keuze is en perfectie, mits de nodige inspanningen worden geleverd, binnen handbereik ligt is voorspelbaar. Angst (ik voldoe niet) en depressie (ik kan het niet) , meteen de twee belangrijkste stemmingsstoornissen van onze tijd." p.+-100
Heel erg boeiend boek over de band met je lichaam, over intimiteit met jezelf als voorwaarde om echt intiem met een ander te kunnen zijn. Het boek staat vol interessante onderzoeken, boeiende filosofen (met een hoofdrol voor Aristoteles weggelegd) en wetenschappelijke inzichten. De rode draad was soms wat zoek en toch haakte ik niet af, want ook alle zijsporen die Verhaeghe bewandelt, zijn de moeite waard. Ik tracht ze hier te schetsen.
Hij schept een scherp en tevens verontrustend beeld van de huidige samenleving waar overheid en markt zijn versmolten, waar concurrentie, groei en doorgedreven individualisering de boventoon voeren. Het levensdoel is dubbel: zo lang mogelijk werken én zoveel mogelijk consumeren. Gezondheid is hier geen doel, maar een noodzakelijk middel.
Hij schetst met talloze voorbeelden waarom gezondheid nooit enkel een individuele verantwoordelijkheid is en heeft het over de invloed van de ander (ouders, opvoeders, omgeving en de Ander: een voorgehouden beeld waaraan we willen beantwoorden, heel veel daarvan is onbewust, meningen, woorden, beelden en indrukken bepalen ons denken, ons gedrag, ons zelfbeeld en zelfs ons reëel lichaam) op ons zelfbeeld en op onze relatie met ons lichaam.
“Ja, er zijn biologische factoren die bijdragen tot ziektes, maar in veel gevallen (veel meer dan de leek vermoedt) kennen we die nauwelijks. Ja, er zijn ouders die hun kinderen ernstig beschadigen door wat voor een opvoeding moet doorgaan, maar het overgrote deel van de ouders gaat door het vuur voor hun kroost. En ja, er zijn maatschappelijke invloeden die een lichaam aantasten, die ouders zoveel stress bezorgen dat zij hun spanningen afreageren op hun kinderen; maar er zijn ook maatschappelijke invloeden die ouders én kinderen beschermen, stimuleren en vooruithelpen.
Het biologische, psychologische en sociale zijn drie onderling verbonden onderdelen van een groter geheel dat bepaalt of we ziek worden of gezond blijven. Het is een complex netwerk van oorzaken en verantwoordelijkheden waarin het onmogelijk is een individuele schuldige aan te wijzen. Onderzoek naar een van de drie mag er niet toe leiden dat we de twee andere verwaarlozen. Waar we vooral aandacht voor moeten hebben is de interactie tussen de drie. De studies over placebo en conversie tonen hoe groot de invloed van psychologische processen op het lichaam kan zijn. Onderzoek naar emotieregulering wijst in dezelfde richting.”
Hij heeft het over wat Aristoteles 'pleonexia' noemt, een verlangen naar steeds meer, vaak ten koste van anderen.
"Het probleem zit ’m niet in de toestellen, onze eenzaamheid is geen gevolg van smartphones. Ik gaf het eerder in dit boek al aan: de oorzaak ligt in het ver doorgedreven concurrentieprincipe, waarbij we zelfs met ons spiegelbeeld moeten wedijveren. Het gaat niet langer over het nastreven van een ideaal, het ‘goed-genoeg’ is verschoven naar een ‘nooit-goed-genoeg’. ‘Amour propre’ en pleonexia sluiten hier een duivels verbond. Ik moet steeds meer produceren, steeds meer zijn, steeds meer hebben, meer dan dat ik vroeger zelf produceerde, was of had en in ieder geval meer dan de ander."
Ook steeds meer genieten is bijna een verplichting geworden. Iets wat te meten valt, waarin we moeten concurreren. Hij onderzoekt genot en heeft het over 3 vormen van genot: genot als piekervaring (met ontlading), genot als verlangen en genot als flow.
"Het goede leven" van Aristoteles is een leven met zelfkennis als brug tussen (gematigd) genot en zelfzorg. Zelfzorg is voor Aristoteles niet iets individueels, maar steeds gekoppeld aan de zorg voor de ander. In een goed leven ervaar je genot en geluk (genot als 'hedone', het positieve gevoel dat we kunnen voelen in ons lijf, het effect van een verhouding tussen mij en mijn lichaam, vaak via het samenspel met het lichaam van iemand anders, het opheffen van het Ik-gevoel) en zinvolheid in verbondenheid met anderen met wie we een gemeenschappelijk doel nastreven op grond van een gedeeld ideaal.
Genot én zinvolheid vragen steeds om inperking, matiging, zelfbeheersing. Dat is de sleutel tot dat goede leven volgens Aristoteles en volgens Verhaeghe.
Hij heeft het ook uitgebreid over identiteit en vervreemding. Over identiteit zegt hij het volgende: "We hebben geen oorspronkelijke identiteit. We hebben wel een oorspronkelijke verdeeldheid, in eerste instantie tussen ons en ons lijf; in tweede instantie tussen de verschillende beelden waaruit onze identiteit bestaat en die we van anderen overgenomen hebben. In het beste geval ben ik een meerstemmig koor dat harmonieuze geluiden laat horen. In tijden van crisis klinkt het vals. Juist omdat ik verdeeld ben, kan ik afstand nemen van mijzelf, nadenken over mijzelf, overleg hebben met mezelf en tot het besluit komen dat ik bepaalde invullingen van mezelf niet langer wil.
De afstand tussen mij en mezelf maakt keuzes mogelijk voor nieuwe invullingen die binnen het koor dat ik ben opnieuw voor harmonie kunnen zorgen. Alleen al daarom moeten we onze verdeeldheid koesteren. Mocht ik volledig samenvallen met mezelf, dan was die mogelijkheid er niet. De voorwaarde voor een meerstemmige harmonie is afstemming, in eerste instantie tussen mij en mijn lichaam. Het belang daarvan kunnen we niet overschatten. Een dergelijke afstemming vraagt kennis en kunde, in dit geval kennis van wat goed voor mij is en wat niet. De klassieken wisten het al: zelfkennis is de belangrijkste voorwaarde voor zelfzorg."
Die zelfkennis verwerven kan via topdown, klassieke therapie of bottom-up praktijken. Onder dat laatste verstaat hij kunst, mindfulness en meditatie, yoga, EMDR. Hij ziet heil in de combinatie, de integratie van beide methodes.
In het laatste hoofdstuk, over liefde, schrijft hij:
"Verlangen naar intimiteit is verlangen naar een ander, naar intiem contact met iemand die van ons houdt. Onze huidhonger toont hoe dicht we bij iemand willen zijn. De dubbelzinnigheid die in ons aan het werk is, maakt dat we op gezette tijden ook alleen willen zijn en afstand willen nemen van dezelfde ander. Seksualiteit is het veld waar de tegenstelling het duidelijkst vorm krijgt. De versmelting van een erotische interactie voelt totaal, maar is toch eindig. Nadien liggen we naast elkaar, als twee individuen die vlak voor het orgasme nog een geheel vormden."
"Liefde is geslaagd als ze een duurzame intimiteit met zich meebrengt, voorbij het pingpongspel van aantrekken en afstoten, versmelten en uit elkaar vallen. Een duurzame intimiteit betekent: niet de behoefte hebben altijd met iemand samen te zijn, laat staan altijd op te gaan in de ander. Duurzame intimiteit betekent dat je ook alleen kunt zijn, samen met de ander."
Hoewel hij doorheen het hele boek voornamelijk bezorgdheden uit en de toekomst niet erg positief lijkt te zien (en wie kan hem ongelijk geven) besluit hij toch hoopvol:
"Het kunnen best fascinerende tijden worden, met nieuwe vormen van ouderschap en gezinsleven, nieuwe werkvormen, nieuwe woonvormen. Het nieuwe – dat is mijn hoop – zal erin bestaan dat we niet terugkeren naar de verplichte groepen van vroeger, en ook niet verder doorgaan in de individualisering, waar we al te veel van hebben. We mogen onze autonomie niet uit handen geven, maar we moeten ons opnieuw leren verbinden met anderen. Autonomie in verbondenheid, dat is wat onze tijd nodig heeft.
Het fascinerende aan dat idee is dat het aansluit bij de evolutie naar holisme die ik in de wetenschap herken. De tijd waarin lichaam en geest als aparte entiteiten gedacht werden is voorbij. Bovendien maken wij als organisme deel uit van een nog veel groter geheel, waar we een eigen plaats in hebben, zij het uitdrukkelijk in verbondenheid met dat geheel. Dat begrijpen lukt niet, omdat wetenschap zich daar vooralsnog niet toe leent. Misschien wordt het tijd om naast wetenschap ook spiritualiteit een plaats te geven.
Onszelf leren kennen als deel van een groter geheel, samen met anderen, zal borg staan voor een betere zelfzorg die niet los gezien kan worden van zorg voor de ander. Wellicht komt er dan ook meer ruimte voor intimiteit."
Mooie bespiegelingen over identiteit, opvoeding, jezelf leren kennen en voor jezelf zorgen. Intimiteit is in dit boek je eigen intimiteit, een "goed in je vel zitten". Van mij had Verhaeghe nog meer mogen ingaan op wat je de lezer kan doen om aan zelfkennis/zelfzorg te werken. Het accent ligt in het boek wel sterk op de problemen. Toch een aanrader, al was het alleen maar om inzichten uit allerlei wetenschappelijke disciplines over het "ik" te lezen.
‘Intimiteit’ is mij van harte aanbevolen door een voor mij veelbetekenende lezeres en derhalve heb ik mijn initiële weerstand overwonnen. Die weerstand lag in het feit dat, strikt technische bekeken, ik niet snap waarom enkele psychiaters, waaronder Paul Verhaeghe (hierna te noemen ‘de schrijver’), zo populair zijn nog hoe zij op grond van hun vakgebied zo vrijmoedig kunnen spreken over het goede leven. Is dit niet primair aan filosofen en theologen voorbehouden? Kan een wetenschapper, strikt bekeken, zich hier überhaupt wel over uitlaten? Afijn, u proeft mijn scepsis. Om het boek recht te doen dien ik met spoed te vermelden dat mijn eerdere vooringenomenheid niet juist is gebleken. Niet dat een dergelijke kritische noot niet gerechtvaardigd is, maar wel omdat Paul Verhaeghe het onderwerp zeer breed aanvliegt en zijn analyses getuigen van een brede filosofische kennis. Het is deze filosofische basis die tot een zeer interessante reflectie leidt op de (wetenschappelijk) psychiatrische kennis welke hij beroepshalve sowieso in huis heeft.
Op grond van diverse onderzoeken beargumenteert Paul Verhaeghe dat de geest en het lichaam elkaar op onnavolgbare en complexe wijze wederzijds beïnvloeden, al dient te worden aangemerkt dat dit paradigma eigenlijk niet meer voldoet. Het Descartiaanse dualisme is ‘oud’ en verdient geen navolging meer. Holistisch dient onze blik op de mens en onszelf te zijn! Dit is echter problematisch in een maatschappij welke op een dusdanige manier in elkaar steekt dat we meer en meer vervreemd raken van onszelf, ons lichaam. De hals over kop toenemende aantallen van depressie en burn-out zijn symptomatisch voor een slecht contact met ons lijf (en voor een primair op concurrentie gebaseerde maatschappelijke structuur welke ons meer en meer uitput). Ook zorgt het ervoor dat we problemen ondervinden op relationeel gevoel. De schrijver is stellig: lekker in ons vel zitten (zelfzorg) is voorwaarde voor het liefhebben van anderen. Eerst een goede intieme relatie met jezelf (je lichaam), daarna is dit pas met de ander mogelijk. Het betreft hier echter geen pleidooi voor egoïsme of narcisme, daar een goede relatie met de ander juist heel belangrijk is. Juist ons falen op dat gebied legt de oorzaak, gebrek aan intimiteit met onszelf, bloot.
Het betreft een pleidooi voor balans. De Aristotelische deugdethiek wordt van stal gehaald en is leidend voor Paul Verhaeghe als het gaat om het herkaderen van een goed leven. We moeten de Ander (het beeld dat de maatschappij ons over onszelf opgelegd) niet geloven. Diens succes norm als maatstaf maakt ons ziek, een oriëntatie op uitgebalanceerde waarden is betekenisvoller en zorgt ervoor dat we niet doorslaan. Deze filosofische onderbouwing maakt Paul Verhaeghe geloofwaardig inzake zijn schrijven over ethiek en het is een feest om zijn veelheid aan kennis op dit gebied te proeven!
Het is echter spijtig dat Michel Foucault nergens in het boek genoemd wordt. De grote lijnen bezien, evenals de uitgebreide behandeling van het begrip ‘zelfzorg’, doen mij vermoeden dat Paul Verhaeghe zeer is beïnvloed door hem. De scherpte en zeer kritische maatschappijkritiek van de schrijver lijkt zeer op die van Foucault en doet mij afvragen of hij niet veel meer schatplichtig is aan deze Franse filosoof dan dat hij laat blijken..
Al met al een boek welke in grote mate mijn verwachtingen overtrof en met een inhoud welke zeer relevant is voor deze tijd!
Aanvankelijk lijkt dit boek iets teveel een herhaling van eerdere thema's uit voorafgaande boeken van Paul Verhaeghe, maar langzaam wordt het nieuwe punt dat hij maakt duidelijk...
“De maat van alle dingen - zo die al bestaat - is de juiste nabijheid, inclusief de geboden afstand van wat mét ons en tégen ons is, niet in enige afgebakende ruimte, niet in een vermoede of gevreesde confrontatie, maar in het begrip van de buigzame, weerbare, slijtbare tussenruimte. “ - Albert Bontridder
Haarscherpe analyse van deze tijd. Wij zijn niet enkel ons brein, wij zijn ook onze omgeving en ons verleden. En wij brengen onszelf in een doodlopende steeg door enkel nog naar schermpjes te turen. Stilistisch beter dan Identiteit.
Hier en daar wat kort door de bocht, maar dit boek zit bomvol inzichten en fijne observaties. Tegen het einde valt Verhaeghe wat in herhaling, maar dat mocht voor mij de pret niet drukken.
Eye-opener, boek dat iedereen zou moeten lezen. Ik miste wat structuur en verloor zelf soms een beetje het algemene overzicht, maar er zit zo veel in dit boek waar iedereen eens bij zou moeten stil staan.
"...om samen met anderen te kunnen zijn, moet ik eerst alleen met mezelf kunnen zijn. Om intiem te kunnen zijn met iemand anders, moet ik eerst de stilte toelaten te horen wat er komt, over mijn angsten en verlangens, mijn kwaadheid en verveling, mijn pijn en genot."
Dit boek gaf mij veel inzicht en zette me aan het denken. De auteur geeft een gedegen overzicht en deelt interessante gedachten en verwijst naar veel andere literatuur en achtergrondinformatie. En pakt ook en passant de veranderende maatschappij waarin we leven erbij en wat voor invloed dat mogelijk kan hebben op onze relatie met onszelf en de ander.
Het is niet een zelf hulp boek. Het geeft geen antwoorden. Het is wel een heel mooi beschreven overzicht van zaken die met intimiteit te maken hebben, namelijk mijzelf en de ander (in de brede zin van het woord, niet alleen in liefdes of vriendschappelijke relaties maar ook omgeving bij voorbeeld). Een universeel thema dat voor iedereen belangrijk is, of men zich dat nu beseft of niet.
Enorm brede inhoud: onder meer psychologische processen en hun invloed, ziekte, identiteitsvorming, afstemming psyche-lichaam, spanning en stress, zelfkennis, zelfzorg, en intimiteit in de meest brede zin van het woord. De auteur legt enorm veel verbanden en ziet veel uiteenlopende dingen als een geheel, wat de schrijfstijl in het begin soms wat lastig maakt. Maar door veel herhaling en op bepaalde dingen opnieuw te wijzen in een andere context valt veel uiteindelijk wel op zijn plaats en wordt duidelijk waar hij naartoe wilt. Soms gaat hij wat ver in zijn (vooral maatschappelijke) parallellen en wordt het wat moeilijk om serieus te nemen, maar er zijn bepaalde ideeën en visies die me zeker gaan bijblijven. Als je ervoor openstaat en eventueel met een bepaalde filter dingen opneemt, valt er veel wijsheid in dit boek te vinden.
Met 'intimiteit' gaat Paul Verhaeghe verder met op hetzelfde aambeeld te slaan. Maar het stoort nog net niet. In dit boek bespreekt hij hoe de donkere randjes van onze competitieve samenleving invloed hebben op de belevenis van ons lichaam. De rode draad van psychoanalytische concepten is soms moeilijk te volgen en de link met intimiteit is soms wel erg dun. Maar de typische verwevenheid van psychologie en maatschappijkritiek maakt dit boek een waardige opvolger in de -eit reeks.