De debuutroman van Willemijn van Dijk is ambitieus en moedig: een geschiedenis herschrijven die voor velen in het geheugen is gebrand door de boeken ‘I, Claudius’ en ‘Claudius the God’ van Robert Graves en de daarop gebaseerde tv-serie. Van Dijk kiest in tegenstelling tot het ‘upstairs’ perspectief van Graves hierbij grotendeels voor ‘downstairs’ door de opkomst van de slaaf en later vrijgelatene Pallas centraal te stellen. Het keizerlijke hof in Rome leren we vooral kennen vanuit de hofhouding. Uiteraard geen gebrek aan keizers, keizerinnen, senatoren en andere bekende aristocraten, maar door de carrière van Pallas als rode draad te nemen heeft het boek meteen een sterke centrale spanningsboog die de historische gebeurtenissen vanuit een andere context belicht en die bovendien mooi in kleinere spanningsbogen uiteenvalt. Zo is de vrijlating van Pallas op ongeveer een derde van het boek een geslaagde ‘aktefinale’.
Aan het begin van het boek vrees je misschien heel even vrees je dat die toon wel érg gedragen is, tot je ontdekt dat die eerste bladzijden een quasi-mythische opmaat zijn tot het echte verhaal, en mooi aansluiten bij het sluimerende idee van Pallas dat hij een zoon van Apollo zou kunnen zijn. De observaties van het antieke Rome zijn prachtig; Van Dijk weet de drukke, chaotische metropool treffend op te roepen. De metaforen zijn vaak ook bijzonder geslaagd, en gelukkig gaat het boek niet gebukt onder een overdaad aan vergelijkingen.
Leren we Pallas te weinig kennen, gaat hij niet genoeg leven als persoon? Wat mij betreft niet; Pallas is een man die vooral observeert en calculeert, en zo zijn status probeert te verhogen en zijn afkomst probeert te ontvluchten. Waar hij kiest voor kunde, kiest zijn broer Felix bijvoorbeeld voor charme als overlevingsmechanisme, waardoor die laatste op het eerste gezicht makkelijker en sympathieker van de bladzijden spat. Pallas vereenzelvigt zich vooral met wat hij doet, niet met wat hij is, en anderen doen dat evenzeer. Zijn leven bestaat vooral uit het behalen van de materiële bakens van succes, terwijl hij daarvoor zijn morele bakens steeds verder verzet. Er is zeker sprake van liefde voor zijn gezin, maar dat kan voor hem bestaan naast zijn fascinatie en fysieke aantrekking tot Agrippina. Dat Van Dijk kiest voor een zekere afstandelijkheid is dus direct te verklaren vanuit de persoonlijkheid en de drijfveren van Pallas zelf.
Alleen het einde komt misschien wat gehaast over. Juist omdat Van Dijk daarvoor mooi de tijd neemt wordt de moord op Claudius wel heel vlotjes beraamd en voltrokken. Maar dat is maar een kleine kanttekening bij een verder zeer geslaagden rijk boek. ‘Het wit en het purper’ maakt benieuwd naar Van Dijks toekomstige carrière als romancière!