Als een boek van 350 bladzijden je vanaf pagina 60 of zo geleidelijk aan en in toenemende mate begint te irriteren, kan je het beter aan de kant leggen, denk ik normaal gezien. Het leven is te kort en de stapel ongelezen boeken niet te overzien.
Anders ligt dat als het de meest recente roman van één van de beste Nederlandstalige auteurs van zijn generatie betreft, en de auteur het in een interview in Humo zelf als zijn meest geslaagde beschouwt. Dan hou je vol in de hoop dat je toch nog wordt meegetrokken.
Helaas.
Zuivering is, laat dat duidelijk zijn, Lanoyesk virtuoos geschreven, en de materie actueel en complex.
Het voelt echter snel aan alsof Lanoye zichzelf een opdracht gaf, een soort receptenlijst, waarmee hij dit werk moest construeren. “Schrijf een boek over een ietwat zonderlinge hoofdfiguur die een surrogaatfamilie opgedrongen krijgt in de vorm van oorlogsvluchtelingen, doe er een scheut vriendschap en verraad bij, heb het over de mechanismen van mensensmokkel, radicalisering, racisme en xenofobie, dwaze regels van overheidswege, de dunne lijn tussen hulp aanvaarden en profiteren, en vergeet het vleugje erotiek niet.”
En hij doet dat perfect, alleen: voor mij voelt het echt wel als geconstrueerd aan, als “kijk eens wat een vakman ik ben”.
Alles zo expliciet gesteld, de personages getekend aan de hand van overduidelijke kenmerken - Gideon luistert naar Mahler en Satie, drinkt Pomerol van een goed jaar en leest Verlaine en Apollinaire, om een voorbeeld te geven -, nergens enige ruimte om als lezer zelf verbanden te leggen of interpretaties te bouwen, de parallel tussen de haan op de cover en deelaspecten van de verschillende personages die me nogal gezocht overkomt...
Ik hou persoonlijk nogal van goed gestructureerde romans, en dat is bij Zuivering wel degelijk het geval. Alleen zit ook daar een patroon in dat me al snel op de zenuwen werkte. Een proloog en een epiloog, daartussen drie boeken onderverdeeld in nog eens 2 of 3 hoofdstukken, die hoofdstukken nog eens onderverdeeld in korte genummerde hoofdstukjes die vaak eindigen in de voorlaatste zin die een hoop of verwachting uitspreekt, en altijd in een laatste zin die cliffhangergewijs meer onheil in het volgende hoofdstukje aankondigt.
En dan de ik-figuur, Gideon Rottier. Nogmaals, Lanoye hanteert als vanouds zijn virtuoze, soms ietwat bombastische Nederlands. In de mond gelegd van de ik-figuur die zijn memoires neerschrijft en terugblikt op een bepalende passage in zijn leven, zelfs wetende dat deze man een grote esthetische verfijnde smaak heeft (zoals oeverloos geïllustreerd doorheen het boek), komen nogal wat passages me toch zeer vreemd voor:
“Wie een vaderrol wil opeisen, moet niet verwonderd zijn als vadertje Freud om de hoek komt kijken. Bij ontstentenis van zijn biologische vader had Rafiq mij uitgekozen voor de symbolische verwekkermoord die hem volwassen moest maken. Daartoe projecteerde hij de gekste verwijten op mij, als haatplacebo jegens de afwezige Youssef.” (P 270)
Nou moe! Dat kan tellen voor een autodidact die zijn hele leven in een nichetak van de schoonmaakindustrie werkt en als tegengif inderdaad veel poëtische schoonheid tot zich neemt. Naar mijn gevoel komt dit soort passage beter tot zijn recht als het van een anonieme alwetende verteller komt, dan van de ik-figuur die Gideon is.
Het had misschien een heel sterke toneeltekst kunnen opleveren, maar deze roman kon me echt niet bekoren.
En tot nader order is Lanoyes beste werk voor mij het uitmuntende, prachtige en doorleefde Sprakeloos.
Maar dat is slechts mijn mening.