"Ik wil je voorstellen om samen een boek te schrijven,' schrijft Remco Campert eind 2017 aan Kees van Kooten. "We zijn vrij om te schrijven wat we willen. Wel moet de noodzaak van het schrijven erin zitten. Zonder elkaar zouden we het niet geschreven hebben.' Het is het begin van een sprankelende correspondentie. In de brieven laten ze hun fantasie de vrije loop. Onherroepelijk komen zo vele gezamenlijke herinneringen aan het licht, en brengen Kees van Kooten en Remco Campert op een geweldige manier de voorbije tijd tot leven. Maar het zijn ook de dagelijkse gebeurtenissen die hun pennen in beweging zetten. Zo leidt de laatste Voetnoot van Arnon Grunberg tot een buitelende associatie waarbij het voorstelbaar wordt dat hij op een dag zal opduiken als de Verlosser. Natuurlijk delen ze ook hun dromen, en delen ze verhalen over hun geliefden met elkaar. Wij zijn getuige van een intens warme en vrolijke vriendschap die al decennialang duurt, en zonder elkaar niet zou hebben bestaan. Als humoristen zijn zij gewaagd aan elkaar.
Campert kan ondanks zijn aangekondigde schrijfstop het toch niet laten en vraagt Kees van Kooten om samen een brievenboek te schrijven. Licht vermaak rondom zware thema's. De ongemakken van het ouder worden, de liefde, de dood, het houdt de mannen bezig. Duidelijk is het verschil in schrijfstijl: van Kooten is frivool, lichtvoetig, waar Campert steeds kortere stukjes schrijft en steeds meer moeite lijkt te krijgen met observeren.
Een vriendenboek, ongein met een serieuze noot, ter ere van Campert. Met van Kooten als aangever: "Hoeveel verhalen heb jij wel niet geschreven? Het moeten er honderden zijn. Ik wil je nu wel bekennen dat jouw verhaalfiguren (...) me al die jaren zulk onovertroffen leesvoer hebben geboden (...)" (pg 52). En Campert die de voordelen van het ouder worden ziet: “Je wordt met rust gelaten, iets wat ik altijd op prijs heb gesteld en nog stel” (pg 38).
Openhartig, mild, troostrijk, op deze wijze oud worden, ik hoop dat het velen is gegund.
Een zeer prettig leesbare briefwisseling tussen twee bevriende schrijvers op leeftijd, waaronder mooie gedachten over herinneren en ouder worden en met als toegift foto's van gezonden brieven en kaarten. Het boek ziet er mooi uit met harde kaft die aan de binnenkant van een fraaie illustratie is voorzien. Een echt hebbeboek.
Leuke onderhoudende brieven van Kees van Kooten aan Remco Campert. Over van alles en nog wat: vakanties, dagelijkse dingen en hun vriendschap. Soms best serieus, maar gelezen met een grote glimlach op mijn gezicht.
In de zon op balkon las ik Aanelkaar, de briefwisseling tussen Remco Campert en Kees van Kooten. Ontroerend, grappig, diep, nostalgisch, taalvondstig. Ik haalde er schrijfveren uit, zoals "hervaring" (Koot) en "was ik maar een ruwe bonk" (Campert).
Koot schrijft over gedichten: "Het gedicht moet mij even de adem benemen, een ruit bij mij ingooien, een door mij aangehangen onbegrip wegnemen of het gelijk van de dichter onweerlegbaar onder woorden brengen." Het gaat over rijmen of niet rijmen, en er volgt een prachtig voorbeeld van Komrij:
Er was een vriend aan wie ik heb geschreven, een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd. Je bent een deel van alles bij je leven. En alles blijft bestaan wanneer je sterft.
Over "waargebeurde verhalen" windt Koot zich terecht op. "Hoe slap, rammelend, overromantisch, ronduit gewelddadig het boek, dat stuk, hun film of die televisieserie ook uitpakt – de auctores komen er altijd mee weg, 'want zo is dat nu eenmaal gegaan in het echt.' "
Kees van Kooten is mijn grootste schrijfheld (ik wilde zeggen ‘literaire held’, maar dat voelt niet zo passend). Zijn talloze persoonlijke verhaaltjes vol zelfspot en ontroering en verwondering over, al dan niet gefingeerde, gebeurtenissen vormen een grote inspiratiebron. Toen hij in december zijn handtekening in mijn exemplaar van zijn liflafjesbijbel Karrevrachten Pennevruchten krabbelde, en mij en passant troostend toefluisterde dat ‘40 het nieuwe 20 is’, was ik in de zevende hemel.
Ik heb echter ook een groot probleem met Kees van Kooten. Of met zijn uitgever. Ik ben er nog niet achter wie de kwade genius is. Kees van Kooten heeft namelijk een stuk of 12 boeken geschreven die verschenen zijn in een stuk of 40 steeds opnieuw gerecyclede, herordende of met minimale inspanning uitgebreide edities. Naast de afzonderlijke Modermismen-boeken, verschenen Alle modermismen, Meer dan alle Modermismen. Alle Modermismen Ooit, etc. Om maar een voorbeeld te noemen.
Maar ik ben nu eenmaal bewonderaar en verzamelaar en dus moest en zou ik ook Aanelkaar hebben, een briefwisseling met Remco Campert, die ik ook geen misselijke schrijver vind. Een briefwisseling is een genre op zich en misschien is het daarom ook geen verrassing dat we hier niet met een literaire meesterwerk van doen hebben. Het is mooi, en af en toe ook een beetje pijnlijk om getuige te zijn van de kwetsbare briefwisseling van een oude - en een heel oude, Campert is 89 - man, die beide mijmeren over ouderdomskwalen maar vooral over hoe mooi alles vroeger was. En dat geeft niet, want ik ben halverwege hun leeftijd en vind ook al jaren dat vroeger alles veel beter was. Wat mij stoort is dat een handjevol schijnbaar achteloos geschreven briefjes voor 25 euro over de toonbank moet gaan, terwijl het ook gewoon een toiletboek van en tientje had kunnen zijn. Met zo’n perforatiegat in de linkerbovenhoek, voor het touwtje waarmee je het boek aan een haakje hangt.
Louter de auteursnamen, maar ook de hardcover uitvoering van het boek, doen een belofte die bij lange na niet ingelost wordt. Wie niet buitengewoon geinteresseerd is in het leven Campert en/of van Kooten, kan dit boek gerust overslaan. Omdat ik dat wel ben, heb ik toch met interesse gelezen over impotentie, herinneringen aan gezamenlijke vakanties, vermaarde drinkebroeders uit vervlogen dagen en de soms pijnlijk duidelijk naderende uiterste houdbaarheidsdatum. Ik ben dankbaar dat beide heren - die hun schrijverspensioen al hadden aangekondigd - dit project nog zijn aangegaan. Maar als ze elkaar, toen het idee voor dit boek geboren werd, vergoeilijkend voorhielden dat een briefwisseling wel het minste was dat ze zouden kunnen maken, moet ik hen na lezing gelijk geven. Dit was inderdaad het minste dat jullie konden doen.
Niets nieuws onder de zon maar (of dus) wat een verschijning is deze correspondentie, een grote-mensenpenvriendschap met voorbedachte rade. Scherp. Hartverwarmend. Een ontroerende, lieve en charmante ode aan vriendschap en een erkenning van het vergeten. Er gaat een even grote berustende als aanmoedigende werking van uit. Campert typt onweerstaanbaar: kort - niet lichtzinnig, wel levendig, zelfs als het over vroeger gaat, maar meestal gaat het bij hem over nu - in vergelijking met de leukige stukjes van de soms mopperende en verheffende Van Kooten die je uit duizenden herkent. Alsof ze 't leven én 't schrijven uit de mouw schudden. Easy.
Beeldig geschreven, ik heb menigmaal geschaterd. Af en toe was het voor mijn jeugdige leven verwarrend te lezen aan al die namen want die kwamen mij in het geheel niet bekend voor. Maar niettemin was het erg leuk om te lezen en heb ik geen enkele schaamte of spijt voor het kopen van dit boek, de boekverkopers kennen mij inmiddels van gezicht.
Kees van Kooten (79) en Remco Campert (90!) zijn al jarenlang vrienden en schrijvers. Hun briefwisseling in dit boekje over alledaagse dingen is dan ook bijzonder prettig om te lezen en zeer de moeite waard. Kees met zijn grappige teksten en Remco nog steeds een zeer literaire pen. Beiden op leeftijd. Wat je je niet meer herinnert, kun je als schrijver weer opnieuw verzinnen.
Laatste boek van het jaar op de valreep uitgelezen. Heerlijk onderhoudende gesprekken tussen twee boezemvrienden, met elk hun eigen stijl. Het is ook een perfecte afwisseling tussen de poëtische stijl van Campert en de schwung van Van Kooten, tussen de melancholie van eerstgenoemde en humor van laatstgenoemde. Doet me zin hebben in het briefproject dat Pieter en ik brandende houden.
Op pagina 49 brak mijn klomp. Daar schrijft de taalvirtuoos Kees van Kooten over de ‘multivaak’ (leuk) stoppende Sprinter, ‘waarin de treinreis van Amsterdam naar Den Haag Centraal tweemaal zoveel tijd kost dan je in de intercity kwijt bent’. Tweemaal zoveel dan? Tweemaal zoveel als!
De bijna tachtigjarige Kees van Kooten en de bijna negentigjarige Remco Campert waren met elkaar bevriend. Ze zochten elkaar op en schreven elkaar brieven. Op intitiatief van Remco kwam de brievenbundel Aanelkaar tot stand. Vooral Campert kampte met aftakeling en geheugenverlies en angst voor de naderende dood, maar hij probeerde dit ook te bezweren. Het elkaar schrijven dwong beiden om de sluizen van hun herinnering open te zetten en dat levert hier en daar mooie passages op, over vroege jeugdherinneringen en hun langdurige vriendschap. Ze citeren een strofe uit een gedicht van Gerrit Komrij, dat gaat over vriendschap.
Er was een vriend aan wie ik heb geschreven, een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd. Je bent een deel van alles bij je leven. En alles blijft bestaan wanneer je sterft.
Het boekje vormt naast dagelijksheden de afsluiting van het schrijverschap van Campert en vermoedelijk ook van Van Kooten.