Tommy Wieringa is de nieuwe Kampioen van de Literatuur. Zijn Boekenweekgeschenk Een mooie jonge vrouw is de hemel in geprezen door de Volkskrant, NRC Handelsblad, het Parool, Tzum, Vrij Nederland en vele andere toonaangevende media. Zo veel unanieme lof maakte mij nieuwsgierig. En nogal wantrouwig. Ik besloot om dit werkje te fileren aan de hand van enkele basisregels voor het schrijverschap. Schrijven is immers een vak. Beheerst Wieringa zijn vak?
Basisregel nummer 1: de eerste zin van een verhaal dient de lezer bij de kloten te grijpen, te intrigeren, nieuwsgierig te maken. Helaas wond de eerste zin van deze novelle mij nou niet bepaald op, seksueel of anderszins: ‘Het is tijdverdrijf waarmee mannen en vrouwen elkaar tijdens etentjes vermaken, echtparen die elkaar nog niet zo goed kennen.’ Waarom koos Wieringa voor een komma in plaats van een dubbele punt, hetgeen veel duidelijker zou zijn geweest? Natuurlijk zou Wieringa hier een literaire bedoeling mee kunnen hebben. Het zou zelfs een kwestie van stijl kunnen zijn. Enfin. Het voordeel van de twijfel, en zo.
Onsympathieke personages
De beginscène dient de argeloze lezer het verhaal in te sleuren. Welnu: tijdens een etentje met vrienden valt de vraag hoe Ruth en Edward elkaar hebben leren kennen. Nogal cliché. Niet erg spannend. Bovendien kwamen de personages niet erg sympathiek over (ook zo’n regel): Edward blijkt eigenlijk op Ruths kont te zijn gevallen, de conversatie is niet erg sprankelend, Ruth verbiedt haar man Edward om sprookjes te vertellen en niemand biedt aan om de gastvrouw te helpen. Later blijkt Edward een man in een midlife crisis te zijn, die niet alleen Ruth tijdens haar zwangerschap bedriegt met een nog jongere vrouw, maar in zijn functie als viroloog ook miljoenen dieren laat ruimen. Ruth blijkt een vegetarische hysterica te zijn die haar man wegstuurt omdat ze denkt dat hij de oorzaak is van het huilen van hun baby.
Perspectiefbreuken
Op pagina 9 viel mijn mond even open. Wieringa pleegt hier een onvervalste perspectiefbreuk: het perspectief verschuift zonder waarschuwing van Edward en Ruth naar hun gastvrouw. Volgens alle schrijfhandboeken mag je heus wel van perspectief wisselen (zelfs zonder witregel), maar dat moet wel functioneel zijn. Dat is het hier niet. We komen alleen te weten dat Ruth en Edward vegetariërs zijn; informatie die later overduidelijk wordt. Dit is geen incident: Wieringa wisselt met name in het eerste deel van zijn werk zonder duidelijke reden tussen Edwards en Ruths perspectief. Op pagina 41 gebruikt hij zelfs een alwetend perspectief (als hij Ruths jongere broer beschrijft). Op pagina 47 is dit alwetend perspectief zelfs overduidelijk: ‘Daar laten we hen achter, te midden van hun geluk, aan de monding van de rivier die tweehonderdvijftig kilometer landinwaarts ontspringt.’ Wat is het nut hiervan? Wilde Wieringa misschien even laten zien dat de normale schrijfregels niet voor hem gelden?
Overbodige en onmogelijke adjectieven
Al snel blijkt Wieringa’s voorkeur voor een overdaad aan bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Een schrijver moet altijd omzichtig omgaan met adjectieven, want die kleuren de beleving van je lezer, terwijl die zijn of haar eigen fantasie zou kunnen gebruiken. Wieringa slaagt er bovendien in om mij in verwarring te brengen: wat moet ik me voorstellen bij ‘ronde, bemoste oevers’? Zijn oevers niet meestal juist recht? En hoe zien ‘autoritaire kuiten’ er uit? Wat is ‘de nociceptieve keten van zoogdieren’? Wat moet ik me voorstellen bij ‘het borende licht van de vroege zon’? Wieringa maakt zich zelfs schuldig aan mooischrijverij: ‘Het groen had zich gesloten boven hun hoofden, door de bladerkronen schoten pijltjes prismatisch licht. Hij roeide geruisloos. Waar de roeispanen in het water verdwenen, ontstonden zijdeachtige kolkingen van zwart en zilver.’ Welnu, ‘geruisloos’ roeien is onmogelijk. Probeer het maar eens.
Verwarrende beeldspraak
Wieringa is niet consequent in zijn beeldspraak. Hij beschrijft Ruth afwisselend als een ‘wezen dat ongeluk brengt voor wie haar gezang volgt (een sirene?)’, ‘een lichtvoetige, heidense godin’ en een ‘nimf’. Drie zeer verschillende wezens. Welke van de drie is het, Tommy? En wat bedoel je met ‘uitdrukkingsloos als fruit’? Hoe kan ‘zonlicht’ ‘op hun voeten liggen’? Zonlicht kan toch alleen stralen, schijnen, schitteren, branden, steken en strelen, maar niet ‘liggen’? En hoe kunnen woorden ‘op vlezige, plompe vleugels door de kamer flappen’?
Onduidelijke ellipsen
Ook valt Wieringa’s voorkeur voor ellipsen op: ‘Hun lichamen, toegedekt door de groene schemering.’ Nou heb ik niets tegen ellipsen, maar dan moeten ze niet voor verwarring zorgen. Het ontbreken van een persoonsvorm doet mij in verwondering omzien: wat gebeurt er met hun lichamen? Liggen ze daar maar? Glanzen ze van het zweet? Ander voorbeeld, op dezelfde bladzijde: ‘Ze varen in het donker terug naar het watersportcentrum. Weilanden, houtwallen.’ Wat is er dan met die weilanden, houtwallen? Zijn ze vreemd van vorm? Zijn ze onzichtbaar? Nog meer voorbeelden: ‘Op tafel [staat?] wijn en [liggen?] sigaretten’; ‘De paden van turfstrooisel [kronkelen?] tussen de borders en pergola’s’; ‘De zenuwachtige urgentie [?]’; ‘[Zij is?] Een steil, onbuigzaam wezen. [Zij kent?] Geen genade, [zij volgt?] het ijzeren plan.’ Ik mis werkwoorden om deze zinnetjes duidelijkheid te geven. En ook stijlfiguren moeten hun nut hebben.
Onbegrijpelijke dialoog
Dialoog moet natuurlijk en bovenal duidelijk zijn. Regel nummer zoveel. Maar ziehier een dialoog tussen Ruth en Edward, als ze voor het eerst geneukt hebben:
‘Ik heb eens gehoord,’ zegt hij, ‘dat kunstenaars […] naar hun werk kijken en denken dat ze de geschiedenis hebben overtroffen. Een gevoel van…bevrijding. En triomf.’
‘Waarom zeg je dat?’
Hij grinnikt. ‘Bevrijding en triomf.’
Ze is even stil. ‘Nu, bedoel je?’
‘Nu.’
‘Leuke man,’ zegt ze. En, even later: ‘En de volgende stap?’
‘Welke?’
‘Dat het dus ook nooit meer beter zal worden dan dit?’
Niet alleen is dit een volledig onnatuurlijke dialoog, ik snap er ook nog eens niets van. Ligt dat aan mij?
Overige tekortkomingen
Achter duidelijke vraagzinnen (pagina 16, 82 en 84) miste ik vraagtekens. Wieringa strooit ook nogal met beletseltekens, die op dit niveau not done zijn.
Onorigineel plot
Oké, genoeg gezeur op woordniveau. Laten we het eens over het plot hebben: een oudere man versiert een jongere vrouw, maar dat wordt uiteindelijk zijn ondergang. Sinds De buskenblaser uit het jaar 1350 na Christus de dwaasheid van een relatie tussen een oudere man en een jonge vrouw aantoonde, is dit thema al duizenden keren herkauwd. Een enkele recensent wimpelt dit af door te schrijven dat ‘de tragiek juist in de voorspelbaarheid en lulligheid schuilt,’ maar zo makkelijk komt Wieringa er bij mij niet mee weg. Zijn plot was alleen te redden geweest als Ruth en Edward gelukkig samen waren geëindigd.
Ongeloofwaardige, naïeve personages
Waarom zou de bloedmooie Ruth vallen op een veel te zware, bebaarde, veertien jaar oudere man die dierproeven doet (terwijl zij vegetariër is)? En waarom zou ze tijdens de eerste date al gelijk met hem neuken? Waarom beseft Edward in al zijn slimheid niet dat het leeftijdsverschil hen later zal opbreken? Hoe naïef kan je zijn door te denken dat een baby hun aanvankelijke geluk zal verlengen?
Titel
Tenslotte nog de titel: die dekt de lading niet. Het verhaal gaat helemaal niet over een mooie, jonge vrouw, het gaat over een dwaas die met een jonge vrouw zijn jeugd probeert te rekken en daar – heel voorspelbaar – jammerlijk in faalt. Bovendien ontbeert de titel een komma.
Het Koningsliedgevoel
Conclusie: ik kreeg een Koningsliedgevoel. Een kleine, zelfbenoemde elite (van recensenten) maakt ons wijs dat dit een geweldig boek is, terwijl het een inferieur, onorigineel, ongeloofwaardig product is dat ons door de strot wordt geduwd. Wellicht een krampachtige poging om de teloorgang van de uitgeverijen en boekhandels te stuiten? Nou, die is dus mislukt: ook tijdens deze Boekenweek zijn er weer minder boeken verkocht. De vraag resteert waar dat aan ligt.