Door een jubelende recensie op het onvolprezen mappalibri.be werd ik attent gemaakt op "Een sleepnet in de Marianentrog", de eerste essaybundel van de jonge Noorse schrijfster Ida Lødemel Tvedt. Ik hou wel van essays, als ze tenminste zijn geschreven zoals Montaigne- de uitvinder en onovertroffen meester van het genre- het had bedoeld: als pogingen zonder definitieve eindconclusie. Of, anders gezegd, als verkennende beschouwingen die ons brein prikkelen en in beweging zetten, en die onze verwondering en intellectuele nieuwsgierigheid stimuleren, juist omdat ze niet uitmonden in een definitief oordeel. Precies zo schrijft ook Tvedt haar essaybundel. Onder meer vanuit de volgende gedachte: "Het gaat niet over vooruitgang en kennisverwerving, rechtvaardigheid of ethiek, maar om een selfie- filosofisch experiment. We willen waarheden halen uit ideeën die we verachten en vrezen, ons laten verleiden door zo veel mogelijk levensvisies en de jenka dansen door de tijd". Het gaat haar dus niet om de definitieve en ultieme waarheid, maar om een verkenning van een pluraliteit van verschillende visies. Waarbij ze juist ook belangstelling heeft voor perspectieven die anders zijn dan de hare en die haar visie op de wereld aanvullen of zelfs ondermijnen. De wereld is immers enorm complex, veranderlijk en veelvormig, en dus niet te beschouwen vanuit één onwrikbaar perspectief. Bovendien is ook dat perspectief complex, veranderlijk en veelvormig: het ik dat naar de wereld kijkt kent die wereld niet, maar vooral ook zichzelf niet. Dus schrijft Tvedt niet als intellectueel die zichzelf en de wereld denkt te begrijpen, en al helemaal niet als intellectueel met een objectieve helikopterview, maar als iemand die zich verwondert over haar eigen zo onbekende ik en over hoe dat ik zich verhoudt tot de zo vreemde wereld. Dat vind ik een mooie insteek.
Tvedt komt duidelijk uit de links- intellectuele en universitaire hoek, en ze laat merken dat ze Nietzsche, Agamben, Susan Sontag, Heidegger en diverse feministische denkers goed kent. Maar de wijze waarop ze deze bronnen gebruikt is naar mijn smaak steeds fris, verrassend en origineel. Bovendien switcht ze met opmerkelijke souplesse van Sontag naar de kakkerlakken in haar New Yorkse woning, van Heidegger naar haar dementerende grootmoeder, van Hannah Arendt naar Dolly Parton, van pornografie naar de reinigende werking van stand-up comedy, van de mooie en de beperkende kanten van de volgens klassieke filosofen zo nastrevenswaardige "phronesis" (gematigdheid, zelfbeheersing) naar de rol van emoties in het leren kennen van de wereld, van de semi- autobiografische fictie van Knausgard naar de veel vreemdere autobiografische fictie van de mij volkomen onbekende Claire- Louise Bennet, van de verborgen schoonheden in de woordloze wereld van sommige autisten naar de totaal andere ervaringswerelden van de zo wonderlijk intelligente inktvissen, van dromerige passages over diepzeewerelden naar beschouwingen over Brejvik, van Brejviks aanslagen naar de volgens Tvedt soms wat merkwaardige wijze waarop de slachtoffers worden herdacht, en van Shakespeare naar Steve Bannon. Heel interessant en leerzaam, en met grote intellectuele lenigheid opgeschreven. Naar mijn smaak, tenminste. Ook doet Tvedt uitgebreid verslag van gesprekken met een op het eerste oog nogal enge alt-right aanhanger, of met een in mijn beleving nogal steile Republikeinse historica: personen met levensvisies die haaks op de hare staan, maar juist dat fascineert haar. En daar bewonder ik haar om: zelf zou ik niet het geduld of de moed hebben gehad om mij zo grondig in zulke personen en hun denkbeelden te verdiepen. Eveneens intrigerend vond ik haar worstelingen met de radicale denker Ta- Nehisi Coates, die wellicht al te radicaal komaf maakt met de door Martin Luther King gepredikte hoop, en die naar de smaak van witte mensen - zoals Tvedt, u en ik- mogelijk soms doorschiet in zijn radicaliteit, maar die ons wel attent maakt op een pijn van verdrukten die ons, als witte mensen, mogelijk te vaak ontgaat. En ook dat beschrijft Tvedt met veel vernuft.
Tvedt beschouwt kortom een enorme veelheid van uiteenlopende onderwerpen, op een voor mij vaak verrassende en leerzame wijze. Soms roept ze mijn tegenspraak op: de manier waarop ze "A little life" van Hanya Yanagihara afserveert vind ik bijvoorbeeld nogal ongenuanceerd. En soms snap ik helemaal niks van wat ze zegt. Maar meestal zijn haar beschouwingen juist rijk aan subtiliteit en nuance, en aan aanstekelijke nieuwsgierigheid. Bovendien zijn haar essays vaak verrassend, door hun originele inzichten, en door de onverwachte wijze waarop Tvedt geheel verschillend lijkende onderwerpen toch associatief aan elkaar knoopt. Elk essay geeft dus weer een andere invalshoek op onze zo complexe en veelvormige wereld. En elk essay geeft weer een nieuw beeld van het veelvormige, veel wetende en associatieve brein van de essayist Ida Lødemel Tvedt. Zodat het boek als geheel een steeds veelvormiger, rijker en intrigerender beeld geeft van hoe haar "ik" zich tot die vreemde wereld verhoudt.
Dat "ik" wordt ook steeds raadselachtiger naarmate het boek vordert. Bovendien is de raadselachtige onbekendheid van onze identiteit een onderwerp in veel van de essays. Dat gebeurt bijvoorbeeld in drie mooie, mogelijk deels verzonnen dialogen, met Greil Marcus en de mij onbekende experimentele kunstenaars Wayne Koestenbaum en Madame Nielsen. Die beide kunstenaars zijn "larger than life", als persoon en in hun kunst: de fluïde en veelvormige identiteit van Madame Nielsen bijvoorbeeld laat zich zelfs met termen als "transgender" nauwelijks in woorden vatten. "Nielsen is een optische illusie: je kunt de man zien of de vrouw, maar niet allebei tegelijk, zoals het eendkonijn op de tekening waar Wittgenstein zo van hield. Ze is een wandelende illustratie van de spanning tussen iets zien wat iets IS en iets zien ALS iets anders", aldus Tvedt. En ze vraagt zich af: "Was de vrouw daar op het museumbankje, die tevens man was, 'transgender'? Was ze niet gewoon Madame Nielsen, Gesammtkunstwerk, misschien vrouw, misschien man, al naar gelang hoe je het ziet?". Tvedt stelt aan Madame Nielsen dan ook de vraag: "Dus extase en aandacht hangen voor jou samen. Betekent dat dat je creatieve werk afhangt van een afwijzing van identiteit?". Waarop Madame Nielsen antwoordt: "Maar ik weet niet wie ik zelf ben, he? En extase betekent juist 'erbuiten staan'. Ik weet niet of ik dat doe, want ik ben immers niet buiten 'mezelf', wie dat ook moge zijn. Die extase is eerder een lichte levitatie. Een zweven".
Misschien probeert Tvedt, in haar essays, een soortgelijke levitatie te bereiken, een vergelijkbare zwevende toestand, een vergelijkbare onbeslisbare en ondefinieerbare positie. In elk geval beschrijft ze wel hoe ze soms zelf ervaringen opzoekt waarin ze haar ik als het ware leegmaakt. Bijvoorbeeld:: "Mijn gezicht voelt naakt, zoals altijd wanneer ik alleen in de natuur ben, zonder andere mensen. [...] Steile bergwanden worden weerspiegeld in de fjord en in de nevel wordt alles abstract behalve het pad, alsof de bergen, de fjord en de horizon met een zacht potlood zijn getekend. Grijs-paarse lijsteenhellingen, lood, flint, vocht en fluweel. Schetsen van iets wat er nog niet is". Hier beschrijft Tvedt dus een ervaring vol aangename voorlopigheid en ongedefinieerdheid. En als lezer van haar essays voel ik iets vergelijkbaars, omdat veel van deze essays naar mijn smaak eveneens met "zacht potlood" zijn getekend, en zich eerder presenteren als nevelige schetsen dan als definitieve tekeningen.
Ik heb mij kortom prima vermaakt met "Een sleepnet in de Marianentrog". Elk essay is mooi en avontuurlijk geschreven, en elk essay prikkelt mij met zijn verrassende perspectieven en denkbeelden. Bovendien laat het boek mooi zien dat het de moeite loont om je conclusies op te schorten, en om je eigen denkbeelden steeds kritisch te toetsen en te herijken. Ja, dit zijn essays zoals Montaigne ze ooit had bedoeld. En mijn trage brein werd er zeer plezierig door geprikkeld.