DE ZURIGE SAUS VAN LA FLANDRE PROFONDE
De ‘Brieven van Dikke Freddy’ kan ik wel smaken, maar aan ‘Een berg mens onder witte lakens’, de jongste roman van Erik Vlaminck, houd ik toch een dubbel gevoel over.
De insteek is origineel: een schrijver belandt in het ziekenhuis en moet daar, tegen heug en meug, het levensverhaal van zijn kamergenoot André aanhoren. Het begint zo:
‘Zijt gij getrouwd?’
‘Ja.’
‘Ziet ge uw vrouw graag?’
‘Ik denk het wel.’
‘Ik zie mijn vrouw graag.’
‘Proficiat.’
‘Dat klinkt alsof ge me niet gelooft.’
‘Ik geloof u.’
‘Dan is het goed. Want ik meen het, ik zie mijn vrouw graag. Als mijn vrouw er niet geweest was dan had ik nu niet in dit bed gelegen. Dan had ik mij, jaren geleden al, van kant gemaakt. Een koord aan een balk en afgelopen. Ik kom daar eerlijk voor uit.’
Na die introductie doet André, broksgewijs maar onstuitbaar, zijn familiegeschiedenis uit de doeken. “De schrijver” zwijgt en ondergaat de biecht. Wat André vertelt is niet min: transportbedrijf gehad, kind doodgereden, in de landloperskolonie Wortel beland, toch de draad van een “normaal” leven weer opgepikt. Zijn vrouw Karlien, drijvende kracht achter het bedrijf, blijkt een halve affaire gehad te hebben met een gehandicapte ex-trucker; bovendien is ze bevriend geraakt met de madam van Bar Barbados (ooit de troosteres van André in moeilijke tijden). Luc, de oudste zoon, hoereert en fraudeert. Dochter Marleen blijkt lesbisch te zijn en heeft (tot haar vaders afgrijzen) psychologie gestudeerd. En Marc, de jongste zoon? Die is aan aids gestorven. Een berg ellende dus. En dan heb ik nog niet eens de zelfmoordpoging van Luc vermeld, nog niets gezegd over het stelende kleinzoontje Pascal, en ook niets over het feit dat Karlien intussen aan Alzheimer lijdt (al is ze – volgens André – nog altijd even geil).
Het is wat veel, in één gezin, nee? Overkill. Dat ‘Een berg mens onder witte lakens’ toch genietbaar is, is te danken aan de stijl van Vlaminck: dat volksidioom waarop hij het patent lijkt te hebben wérkt. En hij is duidelijk ook een uitstekend observator. De manier waarop hij zijn hoofdpersonage neerzet blijft, ondanks alle overdrijvingen, altijd geloofwaardig. Ja, die André is een ongelooflijke drammer en betweter, maar tegelijk ook een zielenpoot die zijn complexen camoufleert met halfbakken theorieën en overcompenseert met domme stoerdoenerij. Allemaal gesopt in de zurige saus van la Flandre profonde. Dat is soms grappig, maar vooral pijnlijk herkenbaar.
Is Eric Vlaminck is “een van de belangrijkste schrijvers van nu”, zoals zijn uitgeverij Vrijdag beweert? Een goede schrijver met een eigen stem, dat zeker, iemand die de vinger aan de Vlaamse pols heeft en het gesundes Volksempfinden onbarmhartig te kijk zet. Maar een van de belangrijkste? Toch een lichte overdrijving, wat mij betreft. Iets te dikwijls moeten denken aan Wannes Van de Velde: 't is Vloms 't trekt oep gin kloête.
Spoiler alert:
“Ik hoor een hik, ik hoor het kraken van een bedbodem.” Oer-Vlaam André wisselt het tijdelijke voor het eeuwige. Fijntjes geeft “de schrijver” mee dat hij op dat ogenblik Joseph Roths ‘Biecht van een moordenaar’ aan het lezen is. Er is nog hoop.