Ewout Meyster is zeventien en denkt de wereld en het leven begrepen te hebben, en dat zal hij zijn naïeve vriendjes wel eens tonen. Verbazen wil hij hen, maar ook de wereld, met zijn ‘optredens’ op straten en pleinen. In gesprekken met zijn vrienden legt hij uit hoe je een echte persoonlijkheid wordt, en wat je moet doen om belangrijk te worden en niet ‘onbenullig’ te blijven. Voor Ewout is het belang van deze gesprekken erin gelegen dat hij, zichzelf spiegelend aan de ‘onbenullige’ vriend tegenover hem, zijn eigen superioriteit oefent en tegelijkertijd bewezen ziet.
In De hoogstapelaar zien we de terugkeer van Ewout Meyster. In De verboden tuin (1986) probeerde hij de paradijselijke wereld van zijn eerste kinderjaren te hervinden. In De opdracht (1995) oefende hij als veertienjarige om populair en indrukwekkend te zijn tussen de oudere jongens in het zomerkamp. In De hoogstapelaar waant Ewout zich de situatie geheel meester, maar tegelijkertijd is hij onderhevig aan de krachtige tegenwind van zijn depressies en zijn angsten.
Afkomst en oorlogsgeweld De ouders van Wessel te Gussinklo zijn beiden in de stad Utrecht geboren in 1903, zijn moeder aan de Oude Gracht bij de Twijnstraat, zijn vader Wessel in de Lijnmarkt.
Te Gussinklo zelf werd begin januari 1941 geboren in de Buys Ballotstraat in Utrecht. Toen hij twee jaar was in kreeg het gezin in de zomer van 1943 onderduikers in huis. Daartoe behoorde de door de Duitsers gezochte Friese verzetsstrijder Lubbert Romkes, een man die landverraders zou hebben geëxecuteerd.[1].
Op 7 oktober 1944 hield de Duitse Sicherheitsdienst weer een razzia in Utrecht, onder andere in de Buys Ballotstraat. Te Gussinklo senior, die aan eerdere razzia's was ontkomen, negeerde de door buren geboden vluchtopties en ensceneerde een tableau vivant: de onderduiker zorgelijk naast het bed van zijn voor die gelegenheid zeer zieke vrouw. Bij de uitvoering door een keurkorps van Duitse Luchtlandingstroepen werd Te Gussinklo aangeschoten toen hij door de tuin probeerde weg te sluipen, en daarna op staande voet geëxecuteerd. Zijn lichaam bleef 24 uur als afschrikwekkend voorbeeld in de Willem Barendzstraat voor nummer 34 liggen.[2].
Tot zijn verhuizing in 2007 woonde Te Gussinklo in Houten, de Bilt en Den Dolder, nooit verder dan tien kilometer van zijn geboortehuis. Sinds 2007 woonde hij met zijn tweede vrouw Odilia in het Zeeuwse Kamperland.
Opleiding en carrière Te Gussinklo studeerde psychologie in Utrecht en in Zürich. Rond zijn twintigste begon hij met schrijven. De roman De expeditie, die hij schreef als tweeëntwintigjarige en waarvan hoofdstukken verschenen zijn in Maatstaf en in Literair akkoord, werd nooit in zijn geheel gepubliceerd. Hij besloot later zich definitief aan schrijven te wijden, maar voor zijn tweede roman De verboden tuin kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden. Pas na ingrijpen van K.L. Poll lukt dat (1986). Het boek kreeg onmiddellijk de tweejaarlijkse Anton Wachterprijs en de debutantenbeurs van het Fonds voor de Letteren. In 1995, een kleine tien jaar later, verscheen zijn omvangrijke roman (222.857 woorden) De opdracht, veelvuldig geprezen en inmiddels gerekend tot de klassiekers in de naoorlogse Nederlandse literatuur. Hij ontving hiervoor de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Bordewijkprijs, de ECI-prijs voor Schrijvers van Nu, en nominaties voor de Gouden Uil en de Libris Literatuur Prijs.
De hoofdfiguur in De opdracht, een jongen van veertien, gaat naar een zomerkamp van kinderen van oorlogsslachtoffers. Hij heeft zich voorgenomen net zo belangrijk te worden als Roosevelt en Churchill en zo veiligheid te vinden in zijn vaderloze wereld en te ontsnappen aan de verstikkende liefde van zijn moeder. Dat zomerkamp is een goede gelegenheid om daarvoor te oefenen en zich als zodanig te bewijzen. Hij onderneemt vele pogingen populair te worden en indrukwekkend te doen, regelmatig Roosevelt en Churchill citerend en soms ook Hitler, maar na de eerste schijnbare successen falen zijn pogingen meer en meer.
Een jaar daarna verscheen de hilarische novelle Het engeltje, waarin na veelvuldig cafébezoek de hoofdfiguur bijna ontvoerd wordt door een beeldschoon engeltje ter bevrediging van de lusten van haar tandeloze moeder (longlist Gouden Uil).
Een jaar later verscheen de verhalenbundel Heimwee naar de DDR en andere vrolijke vertellingen.
In 2003 verscheen zijn roman d'essay Aangeraakt door goden, een indringend zelfportret, waarin hij uiteen probeert te zetten hoe hij schrijver is geworden en wat schrijven voor hem betekent.
In 2008 verscheen het uitgebreide essay Palestina als adderkluwen. De Israëlische tragedie (longlist Gouden Uil). Een boek dat als in een requisitoir een weging maakt van alle belangen in de kwestie los van fervente partijdigheden.
Pas weer in 2014 verscheen een nieuwe roman Zeer helder licht. Tot dan toe was het hem onmogelijk geweest na de dood van zijn eerste vrouw Jacomine Coumou een roman te schrijven – daarvoor is vrijheid en losheid van emoties
Een kolkende en obsessieve modderstroom van woorden, gedachten en wanen, die onontkoombaar is en diep tragisch. Een bijzonder knappe en verontrustende monologue interieur van bijna 400 pagina’s in de unieke, obsessieve stijl van Te Gussinklo. Je weet niet wat je meemaakt.
Wie zich in John Williams’ 'Stoner' al stoorde aan de arrogante gluiperd Charles Walker moet zich maar eens een paar bladzijden laten meedrijven op de gedachten van Ewout Meyster, het hoofdpersonage van Wessel te Gussinklo’s meesterlijke roman. Ewout beschouwt aanzien immers als de oplossing voor zijn existentiële twijfels en mondt daardoor uit in een kluwen van opschepperij, pose en oppervlakkigheid. En toch levert zijn interne monoloog een erg leesbare en zelfs verslavende roman op. Te Gussinklo is er wonderwel in geslaagd een magistrale roman op te hangen aan een lap pedante puberpraat.
'De hoogstapelaar' opent met een passage waarin Ewout zich spiegelt aan de afbeelding van een dirigent in een tijdschrift. Het is meteen een treffend beeld omdat het in al zijn eenvoud Ewouts ambitie blootlegt. Deze zeventienjarige wil neerkijken op anderen. Hij wil zelf de maat kunnen slaan en de toon aangeven. Zo kunnen zijn! En andere het nakijken geven! Wacht maar eens af! Ewout is een tiener die rookt met brede gebaren. Omwille van de allure. De uitstraling. Hij oefent zijn blikken en gezichtsuitdrukkingen voor de spiegel en analyseert uitvoerig zijn eigen gedrag.
Maar achter dat grootsprakerige en snoevende gaat een klein jongetje schuil. Tussen de regels (en tussen de haakjes) door is 'De hoogstapelaar' een roman over zwakte en onzekerheid, over leegte en eenzaamheid. En over oppervlakkigheid. Zo is het ook feit dat Ewout boven een boekenwinkel woont een trefzekere metafoor. Hij kent de namen en de titels wel maar echt lezen of begrijpen is niets voor hem. Hij hangt er zweverig maar wat boven, dweept met filosofen en hun theorieën zonder ze doorgrond te hebben en strooit kwistig maar wat namen in het rond om zichzelf als kenner te profileren.
Wie dit boek induikt op zoek naar een meeslepend verhaal komt bedrogen uit. Als een rivier kronkelt en raast 'De hoogstapelaar' voort, zonder plot, zonder narratieve lijn. Ewout cirkelt als verteller voortdurend om de essentie heen. Zijn relaas is dan ook een maalstroom waarin steeds dezelfde flarden komen bovendrijven en steeds dezelfde onvervulde verlangens de kop opsteken. Daar krijgt zelfs een driedelige compositie geen vat op. De zinnen zijn onaf en de chaotische, meanderende gedachtestroom spoelt elke vorm van structuur of verhaalverloop genadeloos weg. En toch leest het boek verrassend vlot. Een plotloze pageturner. Dat heeft natuurlijk met de volstrekt unieke schrijfstijl van te Gussinklo te maken die de vruchten van een puberbrein heeft weten te componeren tot een ritmisch en natuurlijk geheel.
Met 'De hoogstapelaar' heeft te Gussinklo veel meer geschreven dan de onsamenhangende spinsels van een tiener. Met Ewout levert hij een archetype af. Deze roman is, naast een sterk staaltje ‘stream of consciousness’, een scherpe analyse van het machtsgeile menselijke brein. Of hoe de vrije gedachtestroom van een uiterst irritante poseur omgezet kan worden in een uiterst leesbare en sterke roman.
Mooi boek, maar geen makkelijke lezing, af en toe moest het even weg - de gedachtekronkels van de 17-jarige Ewout zijn soms ronduit vermoeiend. Maar ach, ik lurk wat aan mijn sigaret, drink een coke en pak het volgende boek. Want ik moet door, ik moet mij groothouden.
Een boek als roggebrood of een Guinness. De eerste keer denk je wat is dit voor donkers; er is bijna niet doorheen te komen. De hoofdpersoon is onuitstaanbaar, maar met korte en toch beeldende zinnen weet Te Gussinklo een integrerende en meeslepend beeld te geven hoe het is om Ewout te zijn. Je bent aan het einde Ewout.
Hier had veel meer ingezeten. Bij vlagen is het best een boek dat intrigeert, met een boeiende karakterstudie van een jongen die er alles aan doet om 'iemand van betekenis' te zijn, en op zich is het boek ook zeker niet slecht geschreven.
Maar wat Opgezwolle in 1 rap kan ('Gekke Gerrit, je wil te graag, Gekke Gerrit het is beter als je chillt vandaag'), doet Te Gusselinko in een nogal langdradig boek, met wel erg veel herhalende patronen (hij ziet het weer zitten / depressie overvalt hem weer / hij gaat weer bluffen -Sartre, Camus, Churchill - / depressie overvalt hem weer) en een eindeloos gedoe over de plofkop van Meindert, de piepstem van Frits en de vermeende homoseksualiteit van Chris.
Dat laatste sluit aan bij wat voor mij uiteindelijk de overhand kreeg: het boek irriteert en voelt totaal irrelevant voor 2020. De stijl is enerzijds knap, maar lijkt anderzijds te komen vanuit een algoritme dat Reve/Hermans als input had. De setting en thema's werpen de lezer zo'n 70 jaar terug in de tijd, maar waarom? Wat moeten we met dit boek, nu? Het lijkt mij in deze vorm hooguit een zoethoudertje voor oude mensen met nostalgie naar de tijd van de Grote Drie.
Te Gussinklo schreef wederom een fantastisch werk. Er gebeurt in de roman vrij weinig, maar de manier waarop deze is geschreven en de psychologische ontwikkeling die het personage doormaakt, maken dit boek tot één van de beste die ik (tot nu toe) in 2019 heb gelezen. De fantastische beeldende zinnen van Te Gussinklo zijn niet te vergelijken met die van enig ander schrijver, het is een verademing om geen constante stroom van metaforen of middelmatige zinnen te lezen (zoals helaas in sommige hedendaagse romans het geval is), maar bij elke regel op het puntje van je stoel te zitten.
Wederom schetst Te Gussinklo in deze roman een beeld van een jongeman die lichtelijk onuitstaanbaar is en denkt iedereen naar zijn hand te kunnen zetten. Later in het verhaal komt de lezer erachter dat dit alles een act is, dat Ewout slechts toneelstukjes opvoert en dat zijn werkelijke zelf een stuk minder zelfverzekerd en stabiel is. De manier waarop Te Gussinklo de lezer kennis laat maken met dit personage doet mij denken aan Humbert Humbert in Lolita van Nabokov. Als lezer ga je bijna mee in de gedachtegang en het gevoelsleven van de protagonist, maar uiteindelijk blijkt het personage een ontzettend naar mens te zijn. Wanneer je als auteur zo’n effect teweeg kan brengen; mij als lezer dusdanig op het verkeerde been kan zetten en mij kan laten sympathiseren met een mens met totaal immorele gedachten en acties, dan heb je iets heel goed gedaan en spreek ik van literatuur.
De hoogstapelaar is geen roman die je gemakkelijk, laat staan diagonaal, kan lezen. Je doet jezelf daarnaast tekort wanneer je dit wel probeert te doen. Elke zin is er één om bij stil te staan en van te genieten. Daarnaast is De hoogstapelaar een roman die datgene vertegenwoordigt wat alleen literatuur kan bieden: een kijkje in de zielenroerselen en levensvisie van een ander en wel op zo’n manier dat je als mens geen toeschouwer bent, maar waarin je de persoon daadwerkelijk even ‘wordt’ en op deze manier nieuwe psychologische inzichten verkrijgt en de daadwerkelijke wereld wellicht met een andere bril kan bezien.
Lieve lezer, als ik u kon dwingen dit boek te lezen, dan had ik dat gedaan. In plaats daarvan schrijf ik deze recensie en hoop u te hebben overtuigd, of op zijn minst te hebben geprikkeld, om deze fantastisch geschreven roman te lezen. Gun uzelf deze beleving! Ik verzeker u dat u geen spijt zult krijgen.
Ik begrijp waarom dit een goed boek is, ik begrijp de stilistische keuzes, het drammende, het rusteloze, de jazz op papier - maar dat neemt niet weg dat het lezen lastig is. Even lastig wellicht als werkelijk in het hoofd van Ewout Meyster leven.
Nee, ideeën moest je hebben, inzichten - niet om de anderen te overbluffen en te verrassen zoals nu; o ja dat ook -, maar vooral om anderen te veroveren met de werelden die je liet zien. En de leegte, die holte in hem, daar waar hij zwak en weerloos was, zou zich vanzelf vullen (...) Alles moest anders. (371)
Voor mij vatten bovenstaande zinnen het boek samen. Ewoud, driftig op zoek naar een manier om zichzelf te positioneren in de wereld. Het is een worsteling voor Ewoud, maar soms ook voor mij als lezer. Ik heb het boek met plezier gelezen maar er zaten ook taaie stukken tussen. Te Gussinklo schrijft geen "makkelijke" boeken, door zijn taalgebruik en eindeloze haakjes en leestekens maar wel mooie.
Alle registers open. Of toch één register, maar dan wel helemaal open. Zo moet het. Niet prullen met registertjes maar het juiste register, je moet wel weten wat het juiste is, en dat dan helemaal open, en zorgen dat ze het zien en denken en voelen dat het openstaat. En dan pas staat het open, begrijp je, pas dan kán het echt openstaan. Anders weet je niet wat open is, nee, nee, als je weet wat open is, dan is het zo net goed.
Meesterlijk is het, hoe te Gussinklo de lezer dit hele boek lang meesleept in de drammende, repetitieve gedachtenstroom van de adolescent Ewout Meyster. De naam én het personage van de antiheld in dit verhaal, de hoogstapelaar (Hochstapler, Duits voor blaaskaak, opschepper), doen denken aan Felix, uit Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull (Ontboezemingen van een oplichter) waarin Thomas Mann in 1954 de metamorfose van Felix beschrijft. ‘Wie werkelijk van de wereld houdt, geeft zichzelf een aantrekkelijke vorm’, dat is ook wat Ewout probeert te doen. Probeert, want even onvermijdelijk als zijn gemoedswisselingen, is er het gegeven dat hij telkens weer faalt. Ewout is immers iemand die hij helemaal niet wil zijn (onder meer de jongen die nylons en andere vrouwenkleding in zijn ladekast verbergt - iets waarop zijn diepgelovige moeder hem eerder heeft betrapt - en een fetisj die hij zichzelf heel erg kwalijk neemt). Ewouts familienaam, Meyster, is mogelijks ook een verwijzing naar een andere getroebleerde jongeman: de Wilhelm Meister, uit Goethes Bildungsromans.
De onuitstaanbare, narcistische Ewout is zeventien, machtswellustig, verbaal brutaal, tragisch en komisch tegelijk. Hij rookt duchtig, drinkt cola ('trendy' new American drink in the 50's) en voelt en gedraagt zich superieur; niet alleen tegenover zijn vrienden maar ook tegenover hun door zijn arrogantie verbouwereerde ouders. Ewout is helemaal in de ban van het existentialisme en al heeft hij hun werken enkel doorbladerd, hij koketteert graag met citaten van Sartre en Camus. In gedweeë navolging van Sastres stelling dat de blik van de anderen je maakt tot wie je bent, slooft hij zich steeds opnieuw uit met eindeloze pogingen om als een belangrijke persoonlijkheid te worden gezien. Zijn betweterige grootspraak en ronduit beledigende opmerkingen brengen hem meer dan eens in de problemen (ik voelde soms een plaatsvervangende schaamte). Zijn vrienden mijden hem één voor één, onder andere omdat hij hen met dysfemistische termen voortdurend de les leest.
Het zo goed als plotloze verhaal, het voortgezette monologue intérieur waarin de auteur je meeneemt, in een opmerkelijk repetitieve, bijna oubollig aanvoelende, soms wat weerbarstige stijl - opvallend ook door de uitdrukkelijk aangehouden woordvolgorde (het overvloedig gebruik van het voltooid deelwoord en de haakjes) - in die nooit eindigende gedachtenstroom, met talrijke herhalingen en overvloedige uitweidingen vraagt een zekere verbetenheid, een doorzettingsvermogen dat ik als lezer zelden op die manier ervaren heb. (Ik wou steeds meer lezen, maar het vermoeide me vaak)
Maar, te Gussinklo beloont zijn lezer royaal, mij dan ook en vooral met het inzicht in de depressieve nature van de (letterlijk en figuurlijk) dwalende jongeman. Hij zorgt er voor dat je een vreemdsoortige empathie voelt voor de met een tengere fysionomie en dito geestesgezondheid worstelende Ewout. Dat je het ettertje zijn gezwollen handelingen en kwetsende opinies bijna vergeeft, als je hem kopje onder ziet gaan in zijn uiteindelijk toch heel zichtbare weerloosheid, in zijn dagenlange depressieve mood en in die passages waarin de pijnlijke ontmaskeringen telkens weer de kwetsbaarheid van zijn kleinmenselijke ziel blootleggen, is te danken aan de manier waarop Te Gussinklo dit meeslepend en tragische verhaal tot een meesterlijke, krachtige roman kon boetseren.
Je voelt gewoon dat iemand als Ewout nooit gelukkig, nooit natuurlijk zichzelf of spontaan en vanzelfsprekend in zijn handelen zal worden... dat kan ook de lezer pagina's lang heel triestig stemmen eigenlijk. Dan waren er gelukkig de grappige passages, waarbij de schrijver je even uit dat medelijden tilt.
Dat ik het hetgeen ik las nu en dan bijna als fysiek pijnlijk ervoer, toonde me aan hoe dicht ik tijdens het lezen op de huid van Ewout zat. Hoe de schrijver onder mijn huid wroette ook. Ik voelde het aan alsof ik het verhaal las van iemand die de lezer om ‘redding van zichzelf’ vroeg, en ik besefte ook eens te meer dat die onmogelijk vanuit een ander komen kan. Ondersteunen, ja, redden, nooit.
Het is zo dat te Gussinklo in een interview met Marnix Verplancke, in De Morgen (22/12/ 2019) verklapte dat De hoogstapelaar in grote lijnen zijn eigen verhaal is. “Ik was een heel vervelend kereltje, opstandig, een schreeuwertje. Veel personages komen zo uit de realiteit, maar in feite doet dat er niet toe. Mijn boek gaat niet over de details, maar wel over de sfeer, over suggestie en rafeligheid.”, zei Te Gussinklo. Je herkent de schrijver ook in de passages waarbij Ewout er blijk van geeft met zijn godsdienstige moeder op een permanente voet van oorlog te verkeren. De afkeer voor diens protestantse opvoeding wordt letterlijk weergegeven: ‘er was geen god, er was geen Jezus; alleen ben je, verlaten, niemand kan het overnemen van jou die van alles gescheiden is.’
Te Gussinklo zei in datzelfde interview nog: “..., zoals Mulisch zei: wanneer je net naast een ster kijkt, zie je haar beter. Zo is schrijven ook. Je moet om het raadsel heen schrijven. Dan evoceer je iets wat je zelf geen naam kunt geven, maar waarvan je wel het gevoel hebt dat het heel dichtbij is. Je moet steeds naar de essentie streven zonder ze te kunnen vatten. Schrijven is iets weten en het niet onder woorden kunnen brengen. En daarvoor zijn de juiste woorden onontbeerlijk, taal dus.” Goddank voor jouw taalmeesterschap, meneer Te Gussinklo! :)
This entire review has been hidden because of spoilers.
Ewout is een enorme idioot en dat is prachtig tragisch. Hardop gelachen (hoe staat Hitler in een kroeg tussen pooiers, inbrekers en lieden met dikke nekken?), hardop gecringed (enkele van Ewouts debiele puber gedachten zijn evengoed herkenbaar, hoe graag je het ook niet wil toegeven), hardop meegegaan in Te Gussinklo's hypnotische stijl.
Het gebeurt me zelden, maar ik kom er niet doorheen. Ik val steeds in slaap. Stomvervelend geëmmer in het hoofd van een akelige, onzekere, ongezonde puber in de jaren 50. Voegt niks toe ( De avonden en Werther Nieland hebben we al gelezen).
Dit boek gaat over een 17-jarige, maar wat mij betreft sloot het taalgebruik totaal niet aan bij de gedachtegang en belevingswereld van een iemand van zeventien jaar oud. Ook vervelend gebruik van komma’s...
Als in een koker van duisternis ging hij voort, elke dag opnieuw. En geen einde, geen uitweg had hij kunnen vinden. Een melaatse was hij, een zieke, met die gedachten en ideeën die niemand had, en waarvan niemand mocht weten dát hij ze had. Want vals was hij en heimelijk, een paria, een vijand van allen die gewoon waren en als zichzelf.” Review : Wessel te Gussinklo (1941) debuteerde in 1986 met de roman De verboden tuin, waarvoor hij de Anton Wachterprijs kreeg. Ook zijn tweede roman De opdracht (1996) werd bekroond, met zowel de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs als de F. Bordewijk-prijs. In de essaybundel Aangeraakt door goden (2003) toont hij zijn passie voor Mulisch en Mahler. Zijn persoonlijke visie op het Israëlisch-Palestijns conflict legde hij vast in het lange essay Palestina als adderkluwen (2008). In 2104 verschijnt Zeer helder licht, dat goed wordt ontvangen en wordt genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. De in 2016 verschenen essaybundel Vijf sterren voor de gaarkeuken is een verzameling van beschouwingen over diverse maatschappelijke verschijnselen die in de loop der tijd in kranten en tijdschriften gepubliceerd zijn. Te Gussinklo’s schrijverschap wordt in de pers wel gekarakteriseerd als: virtuoos, gedreven en met een zucht tot provocatie in zijn vaak compromisloze essays in een volstrekt authentieke stijl. Hoogstapelaar is een in totaal onbruik geraakt woord. Uit de paar regeltjes die Van Dale er aan besteedt valt op te maken dat een hoogstapelaar behalve een oplichter ook kan slaan op een ‘zwarthandelaar die tijdens WOII opschepte over zijn fictieve voorraden’. En daarnaast kan een hoogstapelaar ook nog een ‘leugenachtige opschepper’ zijn. Deze laatste definitie komt het dichtst in de buurt bij wat Te Gussinklo met zijn personage Ewout Meyster neerzet. Een Ewout Meyster die nu zeventien jaar oud is en die eerder een jongen van negen was in De verboden tuin (1986) en een van veertien in De opdracht (1995). Vooral die tweede roman geniet een behoorlijke reputatie, vooral onder fijnproevers en veellezers. Ewout is opgegroeid tot een onhebbelijke jongen, voor wie je gaandeweg toch enige sympathie opvat. Hij rookt en drinkt cola - cola was in de late jaren 50 nog nieuw! - en meet zich graag de persoonlijkheid van de leider aan. Hij voelt zich superieur, en gedraagt er zich naar, zeker als hij met 'mietjes' te doen krijgt, jongens die niet in zijn beeld passen - hij hanteert graag een homofoob discours. Ewout leidt op zijn brutale, stoere manier een groepje naïeve vrienden die hij eigenlijk minacht. Zij verlenen hem macht en status, maar zijn hele opzet blijkt ook een pose, een vorm van onzekerheid, want hij lijdt aan depressies - hij is eigenlijk 'een jongen met ongekende diepten'. Hij zweert bij Sartre en Camus, wier werk hij doorbladerde. Zijn gedrag geeft hij zelfbewust vorm en hij hecht veel belang aan hoe hij spreekt en zich kleedt. Je voelt aan alles dat een jongen als Ewout – egocentrisch, sensitief en opstandig – zijn heil zal moeten zoeken in de kunsten. Ewout, die geen vader meer heeft en gruwt van zijn bezorgde moeder, duwt zijn vrienden richting rebellie en dwingt zo, een leiderschapspositie af. De vrienden hebben wel door dat ze met een bijzondere jongen te maken hebben. Te Gussinklo heeft met Ewout een figuur gecreëerd die niettegenstaande zijn onuitstaanbaarheid de lezer en ook de jury van de Bookspot Literatuurprijs kon charmeren, omdat hij hem wist te omringen door een uiterst literair opgebouwd verhaal.
De voortdurende waakzaamheid die de hoofdpersoon Ewout nodig acht om zich neer te zetten en de juiste nadruk te geven. De oplettendheid die niet mag verslappen. Steeds moet Ewout waakzaam zijn. Er komt geen einde aan, steeds zijn er nieuwe eisen om de ander te overheersen. Ewouts aandoenlijke zoektocht naar zichtbaarheid en zekerheid - hij wil zijn wie hij moet worden - leidt echter tot verwijdering en eenzaamheid. Zijn constante controlewens op zijn nonverbale communicatie. Het gevecht met de sexuele geaardheid. Wat gun je zo’n jongen een volgroeide prefrontale cortex om de oorzaak-gevolgpuzzel te kunnen leggen!
In een omgeving waar Ewout zich volwassene voelt, met mensen die hem accepteren (of gedogen?), voelt hij zich thuis en “alles was zoals het hoorde te zijn ... vrede, ja vrede, alsof hij terugzonk, neerdaalde in een ruimte van zachtheid en rust”.
Door de ogen van Ewout kom je in een wereld die doet denken aan die van Holden Caulfield, maar beschreven met een superieure balans in stijl, inhoud en woordkeuze! Wessel te Gussinklo heeft een prachtige roman geschreven, die schreeuwt om herlezing van Gerard Reves de avonden.
Een blaaskaak, Ewout Meyster, nietsontziend (en toch, een jongen nog, riekend met bonzend hart). De hoogstapelaar is een Bildungsroman in de traditie van, ja..., in de traditie van wat eigenlijk? Is er een stem die klinkt als Te Gussinklo? Met al die echo's en spinsels en komma's en haakjes en dat herhalen, oeverloos herhalen. De vraag stellen is hem beantwoorden.
Ja, soms gaat het tegenstaan. De alomvattende vooringenomenheid van Ewout. De haakjes (omdat wat belangrijk is altijd tussen haakjes staat (al van belang, openbaart zich in het ongezegde)). Maar ik heb het ruimschoots voor lief kunnen nemen. Als kenmerk van een schrijver die zich onderscheidt door stilistisch vernuft (nietszeggend dat woord, lees gewoon het boek).
Maar ook omdat Ewout Meyster een zichzelf schrijvende puber is. En schrijven is beeldhouwen, schrappen, blijven zitten totdat het er staat. Passanten passeren, dat doen passanten nu eenmaal, ze kijken, en hoe groter je bent (hoe groter je je voordoet), hoe meer ze zien, hoe meer onwelgevalligheden. Ze zien wat je ervoor krijgt, maar niet wat je erin stopt.
Dat is het grootse aan deze roman, geen seconde wekt Te Gussinklo de indruk aan het jeremiëren te zijn. De lamento's van de jonge Ewout zijn niet de klaagliederen voor welk bijvoorbeeld zijn moeder ze aanziet. De hoogstapelaar is het wordingsverhaal van een doodgewone jongen die in een wereld moet leven waarin hij nergens zichzelf vindt. Dit is De hoogstapelaar: onovertroffen ambiguïteit.
Echt geweldig irritant. Je gaat je zo aan de hoofdpersoon ergeren dat je bijna knapt. De innerlijke monoloog van Ewout dendert maar door en al zijn vrienden sneuvelen voor je ogen: de een te gewoontjes, de ander te dom, niet speciaal genoeg, geen persoonlijkheid of gewoonweg homo, flikkertjes. Gefascineerd is hij door die laatste twee woorden. Alhoewel je op een gegeven moment denkt 'ja, zo kan ie wel weer', heb ik de ballen van m'n broek gelachen. Z'n vorige roman vond ik niks, dit is geinig.
Hoe krijg je het voor mekaar om zo'n dik boek over zo weinig gebeuren te schrijven, met zoveel spiralende herhalingen en dat dan zo verslavend leest! Het zelfbeeld, en de innerlijke stem, van de hoofdpersoon doen me denken aan Kees de Jongen maar dan in de jaren vijftig en als tobberige puber. Blij met het unieke geluid van Te Gussinklo.