René ten Bos neemt afscheid als Denker des Vaderlands met een knetterend essay over het begrip ‘uitsterven’. Het uitsterven van diersoorten gaat in een ongekend tempo en is een van de urgentste problemen van onze tijd. Toch is er weinig filosofische reflectie over. In Extinctie probeert René ten Bos deze omissie recht te zetten: hij laat zien dat ‘extinctie’ een subtiel ecologisch begrip is dat, net als alle andere begrippen in de ecologie, geen heldere contouren heeft. Extinctie gaat niet zozeer om het verdwijnen van het laatste exemplaar van een bepaalde soort, maar beschrijft veeleer een proces van ‘uitdoven’. Niet alleen het voortbestaan van planten en dieren staat op het spel, maar ook dat van onszelf. Het uitsterven van de mens heeft filosofen van alle tijden beziggehouden, maar volgens Ten Bos kunnen wij ons eigen uitdoven niet los zien van dat van andere soorten. Extinctie is bedoeld voor mensen die niet willen wegkijken van onheil en catastrofe; voor mensen die openstaan voor een nieuwe manier van denken over ecologie. Extinctie sluit naadloos aan bij de discussie over het antropoceen, waar Ten Bos zich nadrukkelijk in heeft gemengd. Het boek gaat verder waar het alom geprezen Dwalen in het antropoceen ophield.
René ten Bos (1959) is filosoof en organisatiedeskundige. Hij is als hoogleraar verbonden aan de Radboud Universiteit. Hij is voornamelijk geïnteresseerd in kritische management theorieën en heeft gepubliceerd over verschillende onderwerpen, zoals organisatie ethiek, strategisch management en genderstudies. In de afgelopen jaren heeft René ten Bos lezingen en cursussen gegeven voor verschillende organisaties en bedrijven, waaronder Corus, Philips, AKZO, Stork, Vodafone, Rabobank, Ministerie van Justitie, verschillende ziekenhuizen, scholen, politieorganisaties. Van 1999 tot 2003 was hij redactielid van M&O (bekendste Nederlandstalige wetenschappelijk managementtijdschrift). Ook is hij redactielid geweest van het tijdschift Filosofie in Bedrijf. Ten Bos is een bekende spreker voor zowel academisch als management publiek.
TB heeft de gave om zeer schoon te schrijven over zeer lelijke zaken. Dat is een bewuste keuze: ‘Over lelijkheid kun je maar beter mooi schrijven, anders wil niemand erover lezen.’ (p. 8) Er komt voldoende lelijkheid voorbij in deze filosofische verkenning van het fenomeen uitsterven. De verkenning is narratief gepositioneerd tussen twee zelfmoordpogingen in: een gruwelijke, mislukte poging (Nicolas Chamfort, 1794; p. 7, 165v) en een zeer geslaagde, huiveringwekkend rationele poging (Philipp Mainländer, 1876, p. 202v). TB’ centrale vraag is wat het betekent om te verdwijnen – zowel voor andere soorten als potentieel voor onszelf.
Allereerst observeert hij hoe wetenschappers zich genoodzaakt voelen morele uitspraken te doen over het uitsterven van soorten. Dit roept interessante vragen op over de relatie tussen verschillende vormen van autoriteit. Waar Hume een strikte scheiding tussen ‘is’ en ‘ought’ voorstelde, zien we nu wetenschappers die deze grens overschrijden vanwege de urgentie van de situatie – soorten sterven immers honderd tot duizend keer sneller uit dan voor de tijd van het ‘antropoceen’. Natuurwetenschappers worden zodoende ook een beetje geesteswetenschappers!
TB’ gebruik van teratologie – de studie van het monsterlijke – biedt verderop in het boek een interessant perspectief op hoe we omgaan met het onbegrijpelijke. In zijn analyse wordt de ecologische crisis als ‘monsterlijk’ ervaren omdat ze ons begrip te boven gaat. Dit raakt aan (theologische) vragen over hoe we ons verhouden tot dat wat ons begrip overstijgt. Ook zijn verkenning van verschillende vormen van ‘niets’ en zijn concept van een ‘niets dat ons kan raken’ vertoont raakvlakken met religieuze ervaringen van leegte en verlies (p. 189v). De introductie van ‘soglitude’ of drempelkunde als manier om ons te verhouden tot de crisis tussen verleden en toekomst biedt een kader dat ook theologisch/kerkelijk productief kan zijn. Zo zie ik hierin parallellen met liminale ruimtes in spirituele/liturgische tradities – de overgangsgebieden tussen het bekende en het onbekende, het oude en het nieuwe en een resonantie met het mystieke spreken over de ‘donkere nacht van de ziel’ en de ‘woestijnervaring’.
Interessant is hoe aan het einde van het betoog, met enige schroom, Augustinus ten tonele verschijnt met zijn opvattingen over intimiteit. Hier bekent TB ook kleur wat betreft zijn persoonlijke verhouding tot het denken van het onmogelijke. Hij probeert weliswaar als pessimist de zaak rationeel ‘open’ te houden, maar de extinctie van soorten en ons eigen einde laten hem niet koud. TB laat met Augustinus (en in zijn voetsporen Agamben) zien hoe ons gebrek aan werkelijke intimiteit met de schepping (spanning tussen innerlijke waarheid en uiterlijke vervreemding) een aanknopingspunt kan zijn om ons te laten raken door extinctie.
Interessante en vaak met humor omschreven filosofische bespiegeling op extinctie van mens (en dier). Hoewel er veel interessante passages bijzaten die me prikkelde om dieper na te denken over dit thema, voelde de structuur en vorm van het boek warrig. Ik vond niet dat het heel logisch in elkaar zat en kwam nogal lukraak op me over. Hierdoor vond ik ook moeilijker om de daadwerkelijke inhoud tot me te nemen. Interessante ideeën voor vervolgonderzoek van oa Blumenberg en Lutke.
It's not bad or anything but just really not my type of book. The writing voice didn't speak to me and by and large I found this a very boring read.
I was expecting it to lean more into the "nature non-fiction" genre when borrowing it from the library due to how it was catalogued there, but instead this is much more of a philosophical book and less about nature itself, which just isn't that interesting to me.
Prima boek, boordevol inzichten. Enkel de bladzijdenlange filosofische epistel over verschillende vormen van “het niets” was niet echt aan mij besteed.