Theun de Vries verhaalt in deze roman de levenswandel van Melchior Hintham, een Brabants schilder werkzaam in het herfsttij der middeleeuwen, aan wie het eigen is zijn doeken van heiligenlevens en Bijbelverhalen op te luisteren met duiveltjes, ongedierte, misbaksels, en kruipende ondingen van iedere soort- zogenaamde 'Moergrobben'.
De moergrobben, duistere spinsels van Melchiors geest, komen voort uit de stuiptrekkingen van een wereld in verval, waarin hertogen en vorsten komen en gaan al in het gevolg van rovende bendes, waarin de oude zeden verdrukt worden door de weelde en nijverheid die de nieuwe tijd draagt, waarin kerkzuilen zuchten onder het gewicht van ontucht en zonde; waarin het slijk der aarde door straten stroomt. Het leven van Melchior, onsamenhangend en ogenschijnlijk zinloos, bestaat in wezen uit de zoektocht naar verzoening tussen de gruwelen die krioelen in het nachtelijk duister, en de hoop op een komende dageraad.
Immer kenmerkend aan het werk van Theun de Vries is zijn wonderlijke vaardigheid tijdsgeesten te doen ontspringen uit de bladzijden van een boek; zo ook in Moergrobben. Het taalgebruik dat de schrijver nuttigt is van een puur en bij tijden 'middeleeuws' Nederlands; men waant zich zodoende in een schilderij van Breugel of Van Eyck, in een Gentse kapittelkerk, of onder de kerklokken van een Henegouwse Belfort. Ook de socialistische inslag die te vinden is in alle werken van de Vries ontbreekt niet in Moergrobben, een boek dat, al handelende over het afzichtelijke en het edele in de mens, bij uitstek vatbaar is voor contemplatie over zulksoortige onderwerpen.
Men hoeft natuurlijk geen kenner te zijn om te begrijpen dat het hoofdpersoon Jeroen Bosch onder alias is, en zijn onbenoemde moederstad s'Hertogenbosch; desalniettemin dienen Bosch en het werk zijner hand enkel als de bodem voor een veel diepgaander roman, die haar historische achtergrond overstijgt.