Amai!
Ik vond dat het hoog tijd werd om dit gat in mijn kennis van de Nederlandstalige literatuur te vullen. Ik had in mijn tienerjaren “De Kleine Johannes” gelezen en had er niet veel van verstaan. Maar nu ben ik ouder en wijzer, nietwaar? Tijd om Frederik Van Eeden een tweede kans te geven.
Wel, de eerste gedachte die me trof toen ik het boek terzijde legde, was dat de literatuur van de tweede helft van de 19e eeuw een hoge mortaliteit had voor jonge vrouwen. Madame Bovary (1857). Anna Karenina (1878), Eline Vere (1889), Lily Bart in The House of Mirth (1905) – dames uit de goede stand die aan een slecht einde kwamen omdat ze niet heel braaf de (seksuele) zeden van hun tijd gevolg hadden. En nu Hedwig Marga de Fontayne uit dit boek (verschenen in 1900, maar zich afspelend in de jaren 1860-1890).
Dit is het verhaal : Hedwig wordt geboren in een gezin van de burgerij. Ze heeft een gelukkige jeugd, met liefhebbende ouders en heerlijke zomers op hun landgoed. Haar inwendig leven is intens maar chaotisch, met snel afwisselende buien van geluk en neerslachtigheid. Wanneer haar moeder sterft en haar vader zich terugtrekt in drank en depressie, wordt haar leven veel triestiger, en ze zoekt vermaak in de talloze feestjes en concerten waartoe ze uitgenodigd wordt. Ze is nogal gevoelig voor mooie schijn, luxe en verfijning, maar worstelt toch vaak met gevoelens van onwaardigheid. Haar ontwakende seksualiteit wordt snel onderdrukt, en vindt enkel uitweg in flirten met de jongens van haar stand, en een romantische vriendschap met Johan, een kunstenaar uit lagere stand. Daar kan natuurlijk niets van komen, en op 19-jarige leeftijd denkt ze het geluk te vinden in een huwelijk met de keurige Gerard.
Misberekend! Gerard heeft zo zijn eigen seksuele frustraties, en Hedwig blijft onbevredigd en rusteloos. Nerveuze inzinkingen, depressieve episodes, kuren en behandelingen.. het helpt allemaal niet veel. Ze fleurt enkel op als ze Ritsert ontmoet, een pianist die voor haar het tegengestelde is van de zuinige, preutse Hollandse burgerij. Na veel getob en geween, wat men nu een “on-off relationship” zou noemen, verlaat ze Gerard en vlucht ze met Ritsert naar Engeland, waar zijn muziektalent hen de deuren opent tot de betere kringen, waar ze alweer het onderscheid niet kan maken tussen elegante levenswijze en zielsverfijning. De relatie kan de sleur van het dagelijkse samenleven niet echt goed doorstaan en Ritsert is meer en meer afwezig. Dan bevalt Hedwig van een dochtertje, en ze beeldt zich in dat ze nu eindelijk gelukkig zal worden.
Noppes! Het kindje sterft, en Hedwig ontwikkelt een mooie postpartum psychose, compleet met achtervolgingswaan en religieuze manie. Een griezelig misverstand omtrent de “schat” in haar rieten koffertje leidt een bandiet ertoe om met haar naar Parijs te reizen, waar haar mentale status zo ernstig achteruitgaat dat ze opgenomen wordt in de Salpêtrière, het gekende ziekenhuis voor vrouwelijke neuropsychiatrische patienten. Na een paar weken kalmeert de waanzin, en Hedwig verlaat het ziekenhuis en trekt in met haar dokter (wat blijkbaar in die tijd wel vaker gebeurde). Tijdens een van haar nerveuze aanvallen geeft die haar een spuitje morfine…. En voor we het weten woont Hedwig alleen op een zolderkamertje in Parijs, verslaafd aan morfine, en moet ze zich af en toe prostitueren om te overleven.
Op een bepaald ogenblik wordt ze terug opgenomen in een ziekenhuis, totaal uitgeput en ziek. Daar gaat ze “cold turkey” van haar verslaving, en ontmoet ze een zekere zuster Paula, met wie ze gesprekken houdt over de Dood en de Zonde. En uiteindelijk vertrekt Hedwig terug naar haar geboortestad, waar ze heel bescheiden gaat inwonen bij een boerenfamilie, en waar ze haar zieleheil vindt in het uitvoeren van nederige, dagelijkse taken.
Frederik Van Eeden beweert in zijn voorwoord tot de tweede druk dat dit niet een beschrijving was van een pathologisch geval. “Dit is de banale opvatting van oppervlakkig denkende en voelende lezers.”
Wel, ik denk dat ik er zo eentje ben. Voor mij was dit een beschrijving, in 19e eeuwse termen, van een neurotische vrouw die een post-partum psychose ondervindt en later aan morfine verslaafd geraakt. De mystiek-religieuze oplossing na de kennismaking met zuster Paula kwam mij voor als de kunstmatige oplossing van een schrijver die vond dat zijn boekje een opheffend einde moest hebben.
En toen las ik het nawoord, en bleek dat ik totaal over het hoofd had gezien dat dit ging over mystieke ervaringen, en dat de gelijkenis tussen “Hedwig” en “Hadewijch”, de 13e eeuwse mystieke dichteres, geen toeval was. Wel, ik heb niets gesnapt van die uitleg, en veel van Hedwig’s puriteins getwijfel over zonde vs plezier vond ik repetitief en saai. Een zin zoals “Ze was namelijk blijde als zij hopeloos droefgeestig was na een terugval. “(p 202) is voor mij onverstaanbaar. De religieuze boutades die Zuster Paula debiteert (in het Frans, in HOOFDLETTERS), daar had ik ook geen boodschap aan. Ik zal dus maar moeten aanvaarden dat ik dit boek slechts op een oppervlakkig niveau heb gelezen.
Het boek is een eeuw-en-een-kwart oud, het was dus wel te verwachten dat de taal ouderwets zou overkomen. En ik vond het inderdaad moeilijk en ingewikkeld. De taal leek me ook zeer sterk beïnvloed door het Duits, met lange zinnen en pogingen tot het creëren van samengestelde woorden zoals “blij-getooid” en “scherts-lievende” en “oranje-licht”. Het kwam me allemaal nogal zwaar over. Daarentegen was het gesproken Nederlands, althans wanneer fonetisch uitgesproken, zeer modern. Dit grote verschil tussen de taal van nu en de taal van toen is me nooit zo erg opgevallen bij het lezen van Franse of Engelse romans uit die tijd. Misschien ervaren we dat enkel voor onze moedertaal?
Ik vind dat het boek erg op zijn tijd vooruit was in het beschrijven van het geestelijk en sensueel ontwaken van een kind, een tiener, later een jonge vrouw. Er zat werkelijk veel psychologisch inzicht verscholen onder die zware volzinnen. De uittreksels uit Hedwigs dagboek in Parijs zouden nog altijd actueel kunnen zijn als beschrijving van de miserie van drugverslaving. Sommige van de beschrijvingen van interieurs, feesten, het dagelijkse leven in Holland, Engeland, Parijs, vond ik interessant. Maar de religieuze inhoud, voor zover ik er iets van snapte, was aan mij niet besteed.