Nel 1963, a pochi mesi dalla morte di Fenoglio, esce nei Racconti moderni Garzanti "Un giorno di fuoco". È una raccolta composita: il titolo sarebbe spettato in senso rigoroso solo ai primi sei racconti, quelli che l'autore avrebbe voluto chiamare "Racconti del parentado". A quel primo nucleo, facevano seguito altri sei racconti e "Una questione privata". Questa edizione comprende soltanto gli originali sei "Racconti del parentado": Un giorno di fuoco, La sposa bambina, Ma il mio amore è Paco, Superino, Pioggia e la sposa, La novella dell'apprendista esattore.
Beppe Fenoglio (born Giuseppe Fenoglio) was an Italian writer. His work was published in a critical edition after his death, but controversy remains about his book Johnny the Partisan, often considered his best work, which was published posthumously and incomplete in 1968. The works of Fenoglio have two main themes: the rural world of the Langhe and the partisan war; equally, the writer has two styles: the chronicle and the epos. His first work was in the neorealist style: La paga del sabato (this was published posthumously too in 1969). The novel was turned down by Elio Vittorini who advised Fenoglio to carve out stories and then incorporate them into the The twenty-three days of the city of Alba (1952). These stories were a chronicle of the Italian Partisans or of rural life. One of such works was La malora (1954), a long story in the style of Giovanni Verga.
Fenoglio è il mio autore italiano preferito. La sua prosa asciutta, le storie che racconta, i personaggi che disegna mi emozionano sempre. Anche questi racconti sono splendidi: vicende minime, quotidiane, di povera gente che vive in piccoli paesi sperduti nelle Langhe, a cui la scrittura di Fenoglio fa il dono di un respiro epico. Tempo fa, leggendo una recensione, mi ha incuriosita questa frase: Non è quasi mai la storia a colpirmi, ma la musica di questi racconti che, letti ad alta voce, ti fanno godere ad ascoltare questo nostro meraviglioso italiano. Così ho voluto provare anch'io: ogni sera ho letto uno di questi racconti ad alta voce, come si fa con le poesie, o con le favole raccontate ai bambini (io lo faccio anche con i testi teatrali). Ed è stato davvero commovente.
Comincio le letture del 2026 con una raccolta di sei racconti ambientati nelle langhe piemontesi, la terra cara a Beppe Fenoglio [1922-1963], scrittore scomparso ancora giovane che ha lasciato dietro di sé il noto romanzo “Il partigiano Johnny” che non ho ancora avuto modo di leggere: Questi racconti ricordati anche come “Racconti del Parentado” sono tutti belli da leggere:
Un giorno di fuoco La sposa bambina Ma il mio amore è Paco Superino Pioggia e la sposa La novella dell’apprendista esattore
Quella che più mi ha emozionato è “Ma il mio amore è Paco”.
Met de recente vertaling van 'Dag van vuur' en 'Doem' van Giuseppe ‘Beppe’ Fenoglio (1922-1963) zijn twee ijzersterke staaltjes literatuur uit de neorealistische stroming in het Italië van het midden van de jaren vijftig nu beschikbaar in het Nederlands. Fenoglio’s oeuvre kenmerkt zich door twee grote thema’s: enerzijds de onbarmhartige, landelijke wereld van zijn geboortestreek de Langhe en anderzijds de verzetsbeweging van de partizanen tijdens het Benito Mussolini-tijdperk.
Het laatste onderwerp kennen Nederlandstalige lezers al van de uitstekende romans 'Een privékwestie' en 'De laatste dag', vertaald in respectievelijk 2012 en 2015. 'Dag van vuur', postuum uitgegeven in 1963, en 'Doem', Fenoglio’s romandebuut uit 1954, leunen aan bij het eerste hoofdthema. Hier treden de natuurpracht, de eeuwenoude tradities en het harde boerenleven van de Piemontese heuvels op het voorplan. Fenoglio bezingt het heroïsche leven van een ongeletterde gemeenschap die zwoegend het schaarse land bewerkt in en rond Alba, aan de oevers van de Tanaro, in het achterland van Turijn. In dit onherbergzame noordwesten van Italië zwaaien pachters en grondeigenaars de plak, kent het noodlot geen genade en gaat armoede over van vader op zoon.
Fenoglio’s oeuvre is uitermate consistent wat vorm, stijl en inhoud betreft. De steeds weerkerende thema’s (sociaal onrecht, de natuur, religie, de dood, het noodlot, vaderlandsliefde) maken het tot een strak, samenhangend geheel. De microkosmos van de Langhe – de vaste uitvalsbasis – wordt door Fenoglio op een geheel eigen wijze geëvoceerd. Aan de basis van die uniciteit ligt een op het eerste gezicht eenvoudige, maar geraffineerde stijl.
DAG VAN VUUR
In een interview verklaarde Fenogolio ooit: ‘Ik schrijf om talloze redenen maar zeker niet voor mijn plezier. Het kost me ontzettend veel moeite.’ Hij stond erom bekend eindeloos aan zijn teksten te schaven en de publicatie zo lang mogelijk uit te stellen. In 1961 overtuigde Italo Calvino Fenoglio ervan een reeks autobiografische verhalen waar hij al geruime tijd aan werkte eindelijk uit te brengen. De door de uitgever voorgestelde titel was ‘Racconti del parentado’ (‘Verhalen uit de familiekring’). Dit werd uiteindelijk de ondertitel van de zes verhalen die postuum als 'Giorno di fuoco' (1963) zouden verschijnen, amper twee maanden na Fenoglio’s dood. Voor 'Dag van vuur' – uitgegeven door Serena Libri, de kleine Amsterdamse uitgeverij die nu al twintig jaar lang Italiaanse literatuur in vertaling uitbrengt – namen drie vertalers (Frans Denissen, Karin van Ingen Schenau en Emilia Menkveld) ieder twee verhalen voor hun rekening.
'Dag van vuur' is onversneden Fenoglio en de ideale introductie voor wie nog niet bekend is met zijn werk. Bijzonder in deze bundel – zo blijkt uit enkele verklarende voetnoten van Fenoglio zelf – is het autobiografische aandeel: een aantal familieleden van de auteur treedt op als personages, onder meer een halfoom en een verre neef. Dat Fenoglio inspiratie haalde uit zijn eigen leven is niet zo uitzonderlijk (zijn gehele oeuvre is doorspekt met autobiografische elementen), maar wel dat hij zijn ‘bronnen’ aan de hand van voetnoten voor zijn lezers expliciet uit de doeken doet.
In het titelverhaal is de jonge Fenoglio zelf aan het woord. Hij is op zomervakantie in San Benedetto bij zijn tante en halfoom wanneer bij de gerespecteerde jonge boer Gallesio in een naburig dorp de stoppen doorslaan (‘maar onrecht met woeker is iets wat een mens vergiftigt’). ‘Dag van vuur’ opent met een krachtige paragraaf, in Fenoglio’s bij de lurven grijpende stijl:
Eind juni gaf Pietro Gallesio het woord aan zijn dubbelloops. Hij vermoordde zijn broer in de keuken, maakte op het erf zijn neef koud die op de knal kwam aangehold, zijn schoonzus stond op zijn lijst maar ze verscheen achter een traliehek met haar jongste kind op de arm en dus vuurde hij niet op haar maar stormde naar de pastorie van Gorzegno. De pastoor kwam net terug van een bezoek aan een stervende ergens aan de overkant van Bormida, en Gallesio schoot hem op straat dood met een kogel in zijn slaap. Het werd de belangrijkste gebeurtenis vóór de Abessijnse oorlog.
Na het bloedbad staat het dorp in rep en roer, want de moordenaar heeft zich verschanst in een schuur. De carabinieri omsingelen hem en openen het vuur, terwijl de bewoners van de naburige dorpen zich naar de plaats delict reppen om toch maar een glimp van de actie te zien. Dit verhaal is typerend voor Fenoglio’s manier van vertellen: korte maar krachtige zinnen, filmische scènes vanuit het perspectief van één verteller-getuige. Meesterlijk is hoe Fenoglio de spanning weet op te bouwen via een relaas waarbij de verteller zelf niet direct betrokken is. De slachting en de klopjacht gebeuren immers een paar heuvels verderop. Alles wat de verteller weet, heeft hij van horen zeggen. Hij luistert af door de spleten van de plankenvloer, vangt flarden dialogen van uitgelaten buren op en luistert vol verwondering naar de verhalen van zijn flegmatieke halfoom die het niet zo nauw neemt met de ware toedracht of enige vorm van feitelijkheid.
In ‘Bruidskindje’ werkt Fenoglio een van zijn belangrijkste thema’s uit: de ‘erfelijkheid’ van het noodlot. Dat thema komt nog sterker tot uiting in ‘Maar ik hou van Paco’. Fenoglio’s oom Paco is een gokverslaafde en een vrouwengek (‘Hij had er eentje per dorp, of beter eentje op elke hoek van elk dorp’), een rokkenjager die met zijn eigen vrouw, tante Giulia, geen kinderen kan krijgen (‘Het staat nog te bezien of het aan jou of aan mij ligt’). Op één nacht verliest Paco zijn ganse kapitaal tijdens een onverbiddelijk spel chemin de fer. Bij thuiskomst wil hij zich in een waterput werpen net zoals de opa van Giulia ooit deed. In Fenoglio’s wereld geldt onverbiddelijk de wet van de onontkoombaarheid: eens een vogel voor de kat, altijd een vogel voor de kat.
In ‘Superino’ sluit Fenoglio vriendschap met ‘de slimste van het dorp’. Superino is ‘een tengere man met gloeiende konen, vaalblauwe ogen en haar zo rood als bloeiende gierst’ die de verteller aanvankelijk als een indringer ziet omdat hij van de stad komt, meer bepaald uit Alba. De eeuwenoude dichotomie tussen platteland en stad is een vaak terugkomend thema bij Fenoglio. Net als het thema ‘zelfmoord’, dat als een rode draad door het hele oeuvre loopt.
Zoals in de rest van zijn oeuvre is Fenoglio’s stijl in 'Dag van vuur' sober, onopgesmukt en kaal, maar altijd precies en direct. Er staat nooit een woord te veel. Niet voor niets wordt Fenoglio wel eens de ‘Italiaanse Hemingway’ genoemd, een auteur die hij bewonderde en wiens werk hij vertaalde.
Fenoglio’s taal is echter vooral bedrieglijk eenvoudig. Hij haalde uit het plaatselijke dialect de talige elementen die hij kon gebruiken en puurde er een origineel, vloeiend idioom uit. Voeg daar zijn scherp oor voor dialoog aan toe en je krijgt een indrukwekkend soepele en ‘natuurlijke’ taal.
DOEM
De korte roman 'La malora' (1954), vertaald als 'Doem', begint minstens even krachtig als 'Dag van vuur':
Het regende boven alle heuvels, daarboven in San Benedetto had mijn vader zijn eerste bui onder de grond te pakken. Hij was de donderdag daarvoor ’s nachts overleden en we begroeven hem op zondag, tussen de twee missen door. Gelukkig dat mijn baas me drie goudstukken voorschot had gegeven, anders hadden we bij ons thuis geen sou gehad om de priesters en de kist en het eten voor de familie te betalen. De steen zouden we later wel doen, als we er weer een beetje bovenop waren.
De jonge Agostino Braida, zoon van eenvoudige landarbeiders, begraaft zijn vader in de jaren net voor de Tweede Wereldoorlog. De begrafenis doet Agostino terugblikken op de belangrijkste momenten in zijn ‘miserabel bestaan’, voor en na de rouw. Agostino is in dienst als knecht op de boerderij de Pavaglione bij de despotische pachter Tobia Rabino, die op zijn beurt onder de knoet zit van een rijke landeigenaar, een vadsige apotheker uit Alba.
Op de Pavaglione zijn intermenselijke relaties zeldzaam, het is ieder voor zich. Er hangt een sfeer van agressie in de lucht. Geld en bezit bepalen de sociale hiërarchie. Alle personages ondergaan hun lot, als een noodzakelijke straf waaraan niemand kan verzaken (‘Maar het hielp niet, God was nooit met ons’). Het noodlot, in de vorm van ziektes, slaat hard toe. Zoals bij Tobia’s vrouw, die werkend en in stilte biddend bezwijkt zonder dat haar echtgenoot ook maar iets doorheeft.
Net als in 'Dag van vuur' beschrijft Fenoglio een keiharde wereld van uitgebuite arbeiders die zich krom en ziek werken. Het enige wat ze gemeen hebben is hun overlevingsdrang en hun liefde voor de Piemontese heuvels. Qua sfeer deed Doem mij meer dan eens denken aan Bernardo Bertolucci’s epische film 'Novecento' uit 1976, het verhaal van de klassenstrijd tussen een landheer en een lijfeigene op een Italiaans landgoed rond de eeuwwisseling, tegen de achtergrond van het opkomend fascisme. De prachtige natuurbeelden uit de film heeft Fenoglio weten te vangen in zijn spaarzame maar efficiënte taal. Je ruíkt het hooi, je hoort het gedaver van een boerenkar, je voelt het kloppen van de zon of het gestreel van een bries. Het grote verschil met de film is echter dat Fenoglio geen politiek standpunt inneemt. Zelfs in zijn partizanenboeken ('Een privékwestie' en 'De laatste dag') doet hij dat niet.
Tekenend voor Fenoglio is dat hij de partizanenstrijd of de ideologie erachter nooit benadrukt noch er een waardeoordeel over velt. Nee, hij vertelt het grotere verhaal altijd vanuit het persoonlijke perspectief van zijn personages. Ook in 'Doem' geeft de verteller de werkelijkheid weer zoals die zich aan de personages voordoet. Alsof de uiterlijke realiteit bijna uitsluitend binnendringt via hun innerlijke spiegel.
In 'Doem' ontbindt Fenoglio zijn gebruikelijke duivels. Uitzicht op een beter bestaan is er niet, strijden lijkt zinloos en het noodlot is én blijft almachtig. Agostino is gedoemd om ten onder te gaan, net als zijn voorouders. De elementen gaan verder tekeer, genadeloos en onophoudelijk.
Un giorno di fuoco è la raccolta del grande pasticcio. Doveva uscire nel 1961 per Einaudi, ma Garzanti bloccò tutto e ne rivendicò i diritti sulla base di un contratto firmato due anni prima tra Fenoglio e l’editore milanese contenente una clausola di opzione per cinque anni sui suoi inediti. Come tutte le cose migliori di BF - Una questione privata, Il partigiano Johnny, La paga del sabato - vedrà la luce dopo la morte del suo autore. Nelle lettere tra Calvino e Fenoglio sono noti anche come Racconti del parentado.
∞ Un giorno di fuoco ★★★★ ∞ La sposa bambina ★★ ∞ Ma il mio amore è Paco ★★★★ ∞ Superino ★★★ ∞ Pioggia e la sposa ★★★ ∞ La novella dell’apprendista esattore ★★★★
Zes verhalen die zich allemaal in dezelfde regio afspelen en ook enkele personages delen. Goede sfeerzetting, je ruikt het Italiaanse platteland bijna. Het eerste en het laatste verhaal zijn zeer gelijkaardig (een gewapende man verschanst zich in een huis en er volgt een vuurgevecht met de politie) en zijn ook de beste van deze bundel.
"Eind juni gaf Pietro Gallesio het woord aan zijn dubbelloops. Hij vermoordde zijn broer in de keuken, maakte op het erf zijn neef koud die op de knal kwam aangehold, zijn schoonzus stond op zijn lijst maar ze verscheen achter een traliehek met haar jongste kind op de arm en dus vuurde hij niet op haar maar stormde naar de pastorie van Gorzegno."
Dag van vuur is een verzameling van zes sublieme verhalen, kleine naturalistische pareltjes over het landelijke Italië, meer bepaald de streek van de Langhe, rond de jaren dertig van de vorige eeuw. Elk verhaal is een film op zich - samen vormen ze een onweerstaanbaar verslag van een unieke en voorbije Zeitgeist. Tijdens het lezen zie je elk personage in zwart-wit op je netvlies, karakterkoppen die leven in stoffige en arme dorpjes onder een immer verzengde zuiderzon. Fellini's La Strada lijkt nooit ver weg. Maar wat een adrenaline zit er in dat Italiaanse bloed. De verhalen spelen zich af in gemeenschappen waarin de clerus, gekleed in lange sutanes macht en aanzien hebben - alhoewel het ook daar tot de dorpsgeheimen behoort wiens kind er eigenlijk van wie was. De kroeg staat in elk dorp centraal, een biertje is altijd verfrissend. Naar huwelijksfeesten trekt men te voet, door bos en dal, door striemende regen. In deze verhalen komt de zee maar één keer kort voor wanneer een kindbruidje er op haar huwelijksreis voorbijrijdt, pijnlijk gezeten op een houten kar, bestuurd door haar echtgenoot op weg naar een zaakje voor zijn duistere lompenhandel. Wat had ze als dertienjarige liever verder geknikkerd op het marktplein. Van feminisme is in deze gemeenschappen geen sprake; vrouwen worden er door hun echtelieden afgeblaft en tot huiselijke taken veroordeeld. Na het baren van zoveel kinderen en hun noeste arbeid zien ze er sowieso al gauw afgrijselijk verlept uit. Maar terwijl de vrouwen in al hun dapperheid dag na dag voortdoen, grijpen de zwakste mannen terug naar hun vuurwapens om hun onmacht uit te schreeuwen. Goed aflopen doet het in deze verhalen nooit. En toch gaat het leven verder... Op de achterflap lees ik dat deze verhalenbundel na Fenoglio's dood in 1964 gepubliceerd werd. Wat ben ik verheugd dat uitgeverij Serena Libri de moed had om deze in 2017 in een uitstekende Nederlandse vertaling uit te brengen.
Sono piemontese prima ancora che italiana, e una parte profonda di me arriva dalla Langa di Fenoglio — mia madre e la sua famiglia ne sono un frammento vivo. Un giorno di fuoco non è solo una raccolta di racconti: è una mappa dell’anima di un territorio che conosco bene, fatto di colline aspre, nebbie testarde e silenzi più eloquenti delle parole.
Anche se i racconti sono ambientati in un passato lontano, riescono a restituire con potenza la natura della gente di Langa: dura, intransigente, sanguigna. Quegli stessi tratti, levigati forse dal tempo, si ritrovano ancora oggi in chi abita quelle terre. I paesaggi descritti da Fenoglio non fanno solo da sfondo: sono parte attiva, modellano caratteri, storie, destini.
Leggere queste pagine è stato come tornare a casa attraverso la letteratura. Per chi ha le radici tra quelle colline, questo libro non si legge soltanto: si riconosce.
Serena Libri is een fantastische uitgeverij, ik vind het altijd moeilijk om een boek van hen te laten liggen. Deze bevat een verzameling oerdegelijke Italiaanse verhalen van Beppe Fenoglio. Thema's als overspel, verraad, geweld en liefde passeren allemaal de revue tegen de achtergrond van de verstikkende Italiaanse plattelandsdorpen in de jaren '30.
Bellissimi questi racconti, un gioiello dopo l'altro.
Un po' mi hanno ricordato le storie di James M. Cain, il personaggio che senza starci a pensare troppo su prende e ammazza qualcun altro. Poi Cain si addentra negli aspetti più del thriller poliziesco, invece con Fenoglio sai già che finirà male, quando il vecchio si barrica in casa circondato dai carabinieri, sai già che finirà male per lui e forse anche per qualche carabiniere, una tragedia in entrambi i casi.
Non c'è scampo alla miseria umana, in questo mi ha ricordato Flannery O'Connor, i suoi raccontini senza senso apparente, la ragazza che immagina lo spirito santo in una macchia di muffa sul soffitto. In Fenoglio però c'è la testardaggine, la piccola privata ribellione dei personaggi a non farsi umiliare, a non chinare la testa più del necessario, come il vecchio che finisce per morire senza farsi catturare dai carabinieri.
In una collezzione di racconti collegati dal filo rosso della presenza infantile di Fenoglio stesso, l'autore ci mostra uno spaccato della realtà popolana degli anni posteriori al primo conflitto, la vita di famiglie ancora lontane dalla lotta di resistenza che hanno rappresentato la maggioranza della produzione Fenogliana, ma non per questo meno intensa e partecipe.
Che bello il ritmo di Fenoglio, la sua prosa. Ma come accade anche per i romanzi, ho apprezzato ancora di più le sue opere inedite e incompiute. Insomma: racconti splendidi ma i più belli sono nell’Affare dell’anima
è sempre bello tornare a leggere fenoglio, un autore a cui mi sono sentita estremamente connessa fin dalla prima volta in cui ho letto qualcosa di suo e a cui tengo particolarmente ❤️
che belli questi racconti. nella famiglia di mio nonno, che era di carmagnola quindi non tanto lontano dalle terre di fenoglio, c'era quello che si era rovinato al gioco, tirando nella sua rovina la madre vedova (e si chiamava come me, lui). e c'era quello che aveva una figlia illegittima che gli somigliava molto, e la madre era rimasta nella stessa famiglia e qualcuno - che non sapeva - stupiva per certe somiglianze. le storie di fenoglio sono simili a queste, con gli stessi personaggi che ritornano perché la famiglia è sempre quella ma le storie sono diverse. e la langa, ci sono tornata la settimana scorsa e non a caso ho preso in mano fenoglio.