Essentieel leesvoer
Simon Roozendaal probeert met dit boek een beetje nuchterheid te scheppen in het energiedebat, dat van kwaad tot erger lijkt te zijn gegaan. Even bij het begin beginnen: vrijwel iedereen is voor een groene, schone, frisse en opgeruimde leefomgeving voor mens en dier; niemand is voor een grauwe, vieze, rommelige en stinkende betonjungle. Dat betekent echter niet, dat alles mogelijk is: een euro kun je immers maar één keer uitgeven – en hetzelfde geldt voor ruimtelijke ordening; waar het ene staat, moet het andere wijken.
Voor de duidelijkheid: Nederland is het meest dichtbevolkte land van Europa, de 5de economie van de EU en is vanwege de ligging een Europees schakel- en koppelpunt. Logisch dus, dat hier niet evenveel ruimte is voor bossen, vogels , dieren en plantjes als in Rusland, Polen of Spanje. Tot niet zo heel lang geleden begrepen politici, dat zulke omstandigheden dwingen tot harde keuzes, maar sinds het afgelopen jaar gold dat inzicht duidelijk niet meer. In 2019 ging het idee overheersen, dat het kleine Nederland alles tegelijk kan zijn – een natuurreservaat en een industrieel knooppunt; een rijk, ontwikkeld land en een internationale klimaatkampioen.
Het boek begint met een beschrijving van de geschiedenis van de klimaatcrisis, de wetenschappelijke onderbouwing van de broeikashypothese en de lange, intellectuele ontwikkeling van de schrijver zelf mbt dit onderwerp. Daarna volgen een aantal kritische kanttekeningen, waar Roozendaal de klimaatcrisis probeert te plaatsen in een groter geheel en een behandeling van de risico’s van het klimaatakkoord. Het moge duidelijk zijn, dat Roozendaal hier heel ver van de politieke mainstream zit, maar tegelijkertijd ook veel beter geïnformeerd is. (Voor de duidelijkheid: Roozendaal behandelt in dit boek niet de stikstofcrisis, maar het Nederlandse klimaatakkoord.)
Het klimaatakkoord is het resultaat van een jarenlang overleg tussen politici, milieuclubs, wetenschappers en bedrijfsleven – eigenlijk iedereen, behalve de belastingbetalende burger dan. Roozendaal legt uit, dat de rol van politici (als vertegenwoordiger van de burger) ernstig is overschat, omdat politici zich in de luren hebben leggen door milieuactivisten -- activisme vanuit milieuclubs, maar ook vanuit de wetenschap zelf. Het meest absurde en treffende, dat ik op dit gebied in dit boek las, was dat de hoogleraar Jan Rotmans zichzelf “scientavist” noemt, een mix van wetenschapper en activist. Klinkt dat als iemand van wie je een evenwichtige positie in dit debat kan verwachten of klinkt dat als een radicaal die zijn positie gebruikt om zijn eigen hobby’s te bezigen? Wat Roozendaal verder duidelijk maakt is, dat de klimaatkwestie al vanaf het begin door “scientavisme” wordt omringd. Zo maande Al Gore —de man die de klimaatkwestie internationaal aan het rollen kreeg in het publieke debat — wetenschappers om zoveel mogelijk te overdrijven. (Al moet gezegd worden, dat het IPCC hier de laatste jaren waakzamer voor is geworden. Meer feiten, minder activisme.)
In de hoofdstukken hierna komt Roozendaal met allerlei onwelkome feiten en wetenschappelijke weerleggingen van het klimaatakkoord, die echt algemene kennis zouden moeten zijn, maar zelden gemeld worden in de media en politiek. Zo rekent Roozendaal sterk af met zon- en windenergie -- dit zijn geen oplossingen voor dit probleem, einde discussie. Deze vormen van “duurzame” energie zijn, zowel technologisch als economisch, niet tijdig klaar voor de energietransitie. Serieuze klimaatactivisten hebben daarom maar één optie, als alternatief voor fossiele brandstoffen: kernenergie. Alleen kernenergie kan fossiele brandstoffen vervangen op een adequate manier, waardoor ontwikkelde landen niet terugzakken naar een pauperniveau – zo simpel is het. Daarnaast, niet elke vorm van fossiele brandstoffen is even erg: steen- en bruinkool zijn veel vervuilender qua CO2 dan gas. Dat uitgerekend Nederland met zijn geavanceerde gas-infrastructuur besloot om te stoppen met gas mag met recht een dwaling van historische proporties genoemd worden. Op nog absurdere ideeën, zoals biomassacentrales (die meer CO2 uitstoten dan gas) en warmtepompen (geldverslindend en ineffectief) wil ik niet teveel ingaan... Misdadig en misselijkmakend is het, een abjecte verspilling van door de burger zorgvuldig verdiend belastinggeld en in het geval van biomassa nog anti-milieu ook. Waanzin.
In de laatste hoofdstukken probeert Roozendaal rustig uit te leggen, voor de miljoenste keer, dat kernenergie echt de beste oplossing is voor de energietransitie; goedkoop en relatief schoon (maar niet perfect, want dat bestaat niet!) De enige echte oplossingen voor de echte lange termijn zijn nieuwe technologieën en uitvindingen, die CO2-vervuiling tegengaan. Net als Roozendaal vermoed ik, dat er een technochemische oplossing zal moeten komen, van het Haber-Bosch-niveau, om de industriële CO2-uitstoot echt te beperken. Verder stelt Roosendaal nog – en ik ben het hier 100% mee eens – dat we ons gewoon beter kunnen inzetten voor adaptatie naar een iets warmere wereld, dan dat we een Parijs-akkoord opzetten, waarmee politici en bureaucraten doen, alsof de aarde een thermostaat heeft. Adaptatie aan nieuwe omstandigheden is echt niet onmogelijk; zonder adaptatie met dijken en watermanagement lag de helft van Nederland immers al eeuwen onder water.
NB Een kritische noot: Roozendaal geeft de milieuclubs een “compliment” voor hun activisme, omdat ze opereren “in een vrije samenleving”, “waar iedereen mag proberen te publieke opinie te beïnvloeden”. Ik geef deze clubs helemaal geen compliment. Het drammerige, groene radicalisme zal er juist voor zorgen, dat er elk jaar minder economische groei zal zijn, dan wat er anders mogelijk was geweest. Hierdoor zullen onze kinderen onnodig een stuk armer zijn en veel minder geld ter beschikking hebben om 1) de echte klimaatproblemen op te lossen en 2) hun koopkracht te vergroten voor een aangenaam leven.