In deze complete biografie met 200 pagina's aan noten krijg je een schitterend tijdsbeeld van het vooroorlogse Vlaanderen (Buysses jeugd, die tot ver voorbij zijn dertigste duurt, is het aangenaamste leesvoer), onvergetelijke anekdotes en een nauwgezet verslag van de toenmalige literair-maatschappelijke discussies. Die laatste konden Buysse worst wezen. Hoewel ze vaak boven zijn hoofd plaatsvonden, kun je ze niet losmaken van zijn schrijverschap. Denk daarbij aan zijn verkettering door de clerus die tot ver na zijn dood is blijven duren, maar ook aan zijn onbedoelde rol in de ontvoogding van Vlaanderen.
Akelig als het leven zelf eindigt deze turf met steeds meer stervende vrienden in de kring van de schrijver: Emiel Claus, Karel van de Woestijne en Louis Couperus lijken mij de bekendste. Buiten de snel slinkende pagina's is er echter niets dat doet vermoeden dat Buysse niet stokoud zou worden zoals mede-"Gentenaar" Maurice Maeterlinck. Helaas, VALAR MORGHULIS. Als 21e-eeuwse fans mogen we daar niet treurig om zijn: Buysse was een kinetische veelschrijver en hij leeft immer voort in zijn altijd, in meer of mindere mate, autobiografische werk.
Ik passeer nooit in Deurle, Afsnee of Nevele zonder aan Cyriel Buysse te denken. Hoe benieuwd ook naar zijn mening over de 21e eeuw, ik ben blij dat hij dat verminkte landschap in de Leievallei, de volgebouwde Molenheuvel en zijn geliefde Poekebeek niet meer hoeft te aanschouwen. Op mijn fietstochten neem ik hem dan snel mee naar de Bovenschelde, alwaar ik soms met toegeknepen ogen sta te vermoeden dat er daar weinig veranderd is in de voorbije 100 jaar.