Joseph Roth is vooral bekend van de ongehoorde prachtboeken "Job" en "De Radetzkymars", twee meesterwerken waarvan ik zeer heb genoten en die ik graag nog zal herlezen. Maar zijn andere romans zijn volgens veel kenners minder: zijn vroege werk had nog niet de strakke compositie van "De Radetzkymars", en het latere werk is door Roths alcoholisme ook nogal onsamenhangend, zo luidt het verhaal. Stilistisch wel helemaal prima, dat vroegere en latere werk, maar toch van een andere en mindere orde, aldus die kenners. Dat heb ik een tijd lang geloofd, gezagsgetrouw als ik ben. Maar ja, ik heb inmiddels toch een paar van die 'mindere' Roths gelezen, en ik geloof er inmiddels echt geen fluit meer van: die Roth is volgens mij ALTIJD geweldig, en ik ga nu gewoon alles van hem lezen.
Dat al een tijdje sluimerende besluit is definitief geworden nu ik 'Vlucht zonder einde' heb gelezen, een zogenaamd minder rijp jeugdwerk. Dat boek draait om de omzwervingen van de Oostenrijkse ex-soldaat Franz Tunda, die tijdens WO I in de Oekraïne verdwaalt, een jaar te laat ontdekt dat WO I is afgelopen, vervolgens zijns ondanks in de Russische revolutie terechtkomt, via allerlei geografische en vooral mentale omwegen toch weer 'thuis' komt, om dan te merken dat er voor hem geen thuis meer is en dat hij als ex-soldaat de meest overbodige van alle mensen is geworden. Een totale dooltocht dus, van vervreemding en vergeefsheid doordrenkt en uitmondend in volstrekte thuisloosheid. Roth vertelt dit verhaal vaker, in allerlei varianten: het verhaal van de totale leegte NA WO I, een oorlog die voor Joseph Roth en zijn personages niet alleen een gruwel op zich was, maar ook de ontmanteling van alles van waarde in de wereld. En dat verhaal vertelt Roth naar mijn smaak prachtig, ook in 'Vlucht zonder einde'.
Sommige lezers (o.a. de eerder genoemde 'kenners') zullen dat niet met mij eens zijn, vanwege de nogal eigenaardige compositie van het boek: het verhaal dobbert immers nogal doelloos en onsamenhangend van lotgeval naar lotgeval, en zit op sommige punten ogenschijnlijk wat slordig in elkaar. Maar ik zit daar niet mee: het leven van de hoofdpersoon is immers ook zonder doel en samenhang, dus daar past een weinig strak gecomponeerde romanvorm eigenlijk prima bij. Of Roth daar ook met opzet voor heeft gekozen weet ik niet, maar ik kan mij best voorstellen van wel. Bovendien wordt naar mijn idee elk debat over de al dan niet deugende plot en compositie helemaal zinloos door de werkelijk briljante stijl van Roth. Want elke zin en elke alinea is zo ongehoord briljant geschreven, en zo verbluffend prachtig en ontroerend, dat het mij gewoon geen zak kan schelen of de compositie deugt. Roths stijl bedwelmt mij totaal, en al het andere doet er voor mij niet toe, ook de compositie niet.
Die stijl is een nauwelijks te beschrijven en volgens mij ook tamelijk unieke mengeling van treurigheid, melancholie, ironie en deernis. Alsof de verteller met een droevige glimlach kijkt naar het gesukkel van de tragische thuisloze Franz Tunda, en daarbij voelt en wil overbrengen dat dit ook zijn gesukkel is en dat van ons. Een stijl ook vol sentiment, en medegevoel, maar door zijn ironie en beheersing toch zonder sentimentaliteit en pathetiek. En werkelijk ongelofelijk helder, kernachtig en precies: in twee zinnen heeft Roth je helemaal ondergedompeld in een bepaalde stemming en sfeer, en die sfeer is dan de samenvatting van een leven. Zo zegt Tunda, normaal toch niet een voorbeeld van welsprekendheid, ineens dit: "Je zit zo dicht op de dingen dat alles langs je heen gaat. Zoals u zich er niet om bekommert hoeveel knopen er aan uw vest zitten. Je dwaalt door de dag zoals je door een bos dwaalt. Je ontmoet mensen en verliest ze weer, zoals bomen hun bladeren verliezen". Dit is PRECIES de ontheemdheid die Tunda voelt, gevat in een paar ongelofelijk kernachtige en daardoor niet te parafraseren zinnen. Even kernachtig en precies als een latere observatie, nu van buitenaf: "Hij keek als iemand die heel wat pijn op de koop toeneemt om ervaringen op te doen. Hij zag er zo wijs uit dat je bijna kon denken dat hij goedaardig was. Maar in werkelijkheid leek hij al die mate van wijsheid te bezitten die iemand onverschillig maakt". En zo gaat Roth maar door, met de ene weemoedige, ironische en ongelofelijk precieze zin na de andere. Zinnen die steeds een droevige glimlach oproepen over Tunda en de uit zijn voegen geraakte wereld om hem heen. Zinnen die je niet kunt parafraseren zonder betekenisverlies: ik zelf kan ze alleen maar lezen, nog eens lezen, zorgvuldig proeven, met een soort droevige bewondering omdat ze in al hun droeve ironie zo ongelofelijk raak zijn en omdat geen enkel woord vervangbaar lijkt door een ander woord.
Ik heb dus kortom zeer genoten van deze minder bekende roman van Roth, en ik ga ook allerlei andere minder bekende boeken van hem lezen. Zodra dat klaar is, herlees ik "De Radetzkymars". Zodra dat klaar is, lees ik alles weer opnieuw. Ja, volgens mij kan een mens zijn leven lang vooruit met Joseph Roth!