Andermaal heb ik genoten van Elsschots plezierige, ongedwongen vertelstijl en meesterlijke woordkeuzes. Ik ben weer gesterkt in mijn overtuiging dat hij met afstand mijn favoriete auteur is en misschien vormt dit boek algeheel wel mijn nieuwe favoriete werk. ‘De leeuwentemmer’, een vervolg op ‘Tsjip,’ is opgebouwd als een briefroman: elk hoofdstuk is een brief die Elsschots vaste personage Frans Laarmans richt aan zijn in Parijs verblijvende zoon Walter. Hierin bericht hij over de belangrijkste gebeurtenissen omtrent zijn kleinzoon Jan Maniewski, zoon van Walters zuster Adele en haar Poolse echtgenoot Bennek. In de loop van de roman besluit Adele, ten gevolge van hun niet te rijmen persoonlijkheden en ambities, echter te scheiden van Bennek. Het kind vormde hierbij natuurlijk een lastige kwestie. Hoewel oorspronkelijk was overeengekomen dat Adele het kind mocht houden, op voorwaarde dat het regelmatig eens naar Polen overgezonden zou worden, werd Bennek meer en meer sceptisch over de wijze van opvoeding die er daar te huize Laarmans op na gehouden werd en trof hij uiteindelijk toch maar de beslissing het kind, 'voor zijn eigen bestwil', in Polen te houden. Dat bracht aan het Antwerpse front uiteraard grote droefheid met zich mee - ieder had al op zijn eigen manier een bijzondere band gekweekt met dat kind. Zo ook Laarmans, die een groot aantal binnenpretjes met hem deelde (waar de leeuw er een van is, zodoende ook de titel ‘de leeuwentemmer’ die aan Jantje refereert) en met hem zelfs een geheime broederschap, dat van de ‘Dorre Bladeren’, had gesloten. Het boek eindigt op een positieve noot, want na hem voor bijna een jaar te hebben afgestaan, worden Laarmans en gezinsgenoten uiteindelijk weer met den leeuwentemmer herenigd, die Adele tijdens haar bezoek in Polen op slinkse wijze had ‘ontvoerd’. De intieme band van Laarmans met de leeuwentemmer en zijn grote affectie voor hem raken ook de lezer, althans mij toch in ieder geval. Naast de gebruikelijke dosis humor en ironie behelst dit boek ook een ontroerend element. Hieronder enkele leuke excerptjes die mij nog in het oog gevallen waren:
• ‘Als Jan een leeuw bij de Duitschen zet, wat is het dan?’ (Jan) Wat wordt er sedert het verdrag van Versailles met dat arme Duitschland al niet uitgehaald. Na al die gieren nu ook nog die leeuw. Ik zou wel antwoorden, dat de Duitschers zijn leeuw bij Hagenbeck zouden onderbrengen, maar ik durf niet. Het prestige van dat beest verlamt mij volkomen. ‘Dan is het erg, Jan,’ verzeker ik hem met een bekommerd gezicht. Hij vindt dat ‘erg’ veel te vaag en ten eenenmale onvoldoende. ‘Wat zeggen de Duitschen dan?’ ‘Niets, Jan, zij gaan loopen.’ Dacht hij mij soms beet te nemen? Alsof hij ooit zou permitteeren dat die Duitschers op de plotselinge verschijning van zijn leeuw eenvoudig met woorden zouden reageren. Dan konden zij meteen blijven zitten en doordrinken. Neen, of ik wil of niet, ik moet die menschen minstens aan den haal doen gaan, hoe krijgshaftig zij anders ook zijn, of ik krijg het zeker aan den stok met Zijne Majesteit. Want dat ‘zeggen’ van die Duitschers is slechts het inluiden van een veel zwaardere beproeving die hij voor hen gereed heeft maar die hij niet ineens loslaat omdat hij mij eerst even aan den tand wil voelen. Honderd percent leeuwgezind of hij stelt mij op pensioen.
• ‘Wat als vader door de straatwals verpletterd wordt?’ (Jan)
Lieve hemel, de man is pas in huis en hij moet er al aan gelooven. Hij lacht en huilt ook te veel. Als hij ons dan tóch niets meer te zeggen heeft zou hij beter doen af en toe een krakenden vloek uit te zenden of iets anders dat indruk maken kan, want dat mormel stopt hem geregeld zakdoeken in de hand en nog wel vóór de tranen er eigenlijk zijn.
‘Als vader door de straatwals verpletterd wordt dan is hij dood,’ verklaar ik bitter.
‘En wat zeggen de menschen dan?’
‘Die zeggen dat het jammer is.’
‘En wat zegt de vent van de straatwals dan?’
Hij rekent dien vent dus niet bij de vulgaire massa en is van meening dat die het recht heeft zijn opinie afzonderlijk te doen kennen. En in ieder geval wil hij weten hoe de dader zelf op dat platrijden reageeren zal.
‘Die zegt: potverdomme, daar ligt er alweer een onder mijn machine.’
• In afwachting dat er iets beters op gevonden wordt moet hij nog maar eens zonder broek in onzen tuin gaan zitten, zijn pompoen ditmaal naar Polen toegekeerd, zooals de Muzelmannen naar Mekka, maar dan averechts.
• Maar hoe hoger hij (Bennek) klimt hoe meer koopman hij wordt en hoe minder man en vader. Als het waar is dan zet hij dat schreeuwen thuis soms voort alsof zij (Adele) dactylo en Jantje een piccolo was. Misschien uit gewoonte, heb ik gezegd.
• Vader heeft zich meer dan wie ook om hare scheiding bekommerd, want dit is de eerste in zijn familie en hij vreest niet zoozeer de materieele en sociale gevolgen als wel de complicaties hiernamaals. Toen hij van haar tweede huwelijk hoorde heeft hij dan ook het hoofd geschud want ook hij weet dat haar kerkelijk huwelijk met Bennek een band voor de eeuwigheid heeft gesmeed en vraagt zich zeker af hoe zij na haren dood met twee mannen moet manoeuvreeren.
• Ik begin in te zien, Walter, dat wij ons gezin slecht hebben opgevoed, te vrij, te warm, te innig en daardoor is zij bij dien man slechts met vacantie geweest. Wij hebben niet geweten dat wij tijdig van jullie moesten vervreemden, gradueel, maar reeds beginnend in de kinderjaren. Dan zou het weinige dat een echtgenoot soms bieden kan allicht volstaan om het oude nest te doen vergeten terwijl ik nu vrees dat die kinderen nooit van ons loskomen en steeds met heimwee zullen rondloopen. Zij worden door ons niet afgestaan maar slechts uitgeleend.
• De slotzinnen:
En als het wraakroepend geweld, dat over Europa ontketend is, zal uitgestreden zijn, als de bidders zullen zwijgen en de schaamte ontluiken zal, dan, zegt men, zal ons uit het oosten een nieuwe geest tegenwaaien, de lang verbeide geest van begrijpen en verbroedering. Dan zullen veel dingen mogelijk zijn en dan kan ook de leeuwentemmer gerust toevertrouwd worden aan den Eenzame (Bennek) en aan de oude vrouw (Benneks moeder), want van haat, wraak en vergelding zal dan in het zand der aarde geen spoor meer te bekennen zijn. Zoo ten minste luidt de Nieuwe Boodschap. In afwachting kan hij in ons tusschendek Olympiades organiseeren en een ruim gebruik maken van leeuwen, straatwalsen, machines van den trein, zonnesteken en opperwezens, plus dan die hinderlijke paardenstaart en de eeuwige hand van vader.
De Leeuwentemmer is de opvolger van Tjip en stelde me wat teleur. Lapzwans Leermans komt halfslachtig op voor zijn kleinzoon en dat stak me. Bovendien is dit boek een brief waarin gebeurtenissen worden beschreven en dat maakt hem saaier.
Warme, liefdevolle ode van een trotse grootvader aan zijn kleinkind. Werkt sterk door de vorm van een brievenroman. En natuurlijk door de droge stijl van understatement die opa Elsschot zoals altijd hanteert, maar waar een groot hart achter voelbaar is.
Prachtige zinnen, mooie woorden. Met hilarische fragmenten. De plot is hieraan duidelijk ondergeschikt. De verhoudingen tussen families in verschillende delen van Europa, maar ook uit verschillende lagen van de bevolking maken het verhaal
100njaar oud, maar ontroerend mooi. Zeer herkenbaar verhaal over een jongen van 5 en zijn opvoeding, tegen de achtergrond van een Europa in oorlog (Polen vs Vlaanderen, geschreven in 1939).