Over het begin van kunst, in tijd en/of per moment.
Florette Dijkstra laat in vele korte essays een idee, een kunstenaar, of een moment, spreken (en al dat wat nog in dit rijtje hoort maar nu door mij vergeten wordt). In hoeverre die informatie - want zo voelt het, voornamelijk, als een soort verslaggeving van woorden, gebeurtenissen en/of ideeën, die ooit al eens vastgelegd zijn of ergens uit afgeleid zijn (door historici, critici, de artiesten zelf, anderen (terug te vinden in de bronnenlijst) - die informatie dus. In hoeverre die informatie in Dijkstra's essays door haar is aangevuld of aangepast, is niet helemaal duidelijk (wel duidelijk is dat ze op een bepaalde manier geselecteerd heeft en de woorden in bepaalde banen voert). Los van dat ik zelf dus niet zo goed wist door wiens blik ik nu geleid werd, lijkt die openheid een bewuste keuze of streven: 'Doordat de schrijvers die aan de tentoonstelling deelnamen in de loop van vier jaar elkaars teksten lazen, kon de een de tekst van een ander meenemen in zijn schrijven en erop doorgaan of erop reageren, zodat alle teksten min of meer met elkaar en met de tentoonstelling verweven raakten. Zo klonk er tijdens de tentoonstelling een 'koraal' aan stemmen - voor wie het wilde horen.
dOCUMENTA (13) wilde niet compleet of comfortabel zijn, wat wilde zeggen dat het ontbrekende en onzichtbare er ook deel van uitmaakten. Kunst hielp de overgang van het een naar het ander te maken. [...]'.
De essays van Dijksta lijken een soort aanvulling te willen bieden op een al bestaand landschap, bestaand uit de ideeën over hoe kunst tot stand komt. Of, hoe inspiratie naar buiten komt. Of, hoe het essentiële (als je gevoel/geloof/expressie als het essentiële neemt) doorklinkt in de geschiedenis van, alles? Dat hier geen eenduidig antwoord op te geven is, is denk ik de aanleiding geweest voor dit boek. Misschien. Waar raken schilderkunst, kunstkritiek, literatuur, beeldhouwkunst, grotschilderingen, religie (en meer) elkaar? In dit boek. (Of, in de mens.) (Of, de wereld.)
Eén van de essays die me denk ik zal bijblijven, gaat over de kunstenaar Agnes Martin:
'Als ze niet opgewekt was, deed ze niets, want ze wilde dat haar schilderijen op een positieve manier zouden inwerken op het gemoed van de toeschouwer. [...]
In 1967 stopte ze met schilderen. 'Ik heb mijn werk af,' [...].'
Ik weet niet of ik het met volgende eens ben. Het doet het in elk geval klinken alsof kunst maken tegelijkertijd het moeilijkste als het makkelijkste ter wereld is (wat ik niet heel verassend vind, althans, de moeilijkheid ervan, niet):
'De inspiratie was overal om je heen - je hoefde haar alleen maar te zien. Elk kunstwerk begon en eindigde ermee. De kunstenaar hoefde geen beslissingen meer te nemen. Hij was volgzaam en gehoorzaam, en luisterde dus niet naar zijn intellect. [...] Inspiratie kwam niet uit de mens zelf voort, niet uit zijn levensgeschiedenis of ervaringen. Ze was universeel. Een mens moest vooral niets doen om geïnspireerd te raken.
Over werk dat met inspiratie was gemaakt, schreef Martin, hoefde niet gesproken of gediscussieerd te worden omdat het met gevoel was gemaakt. [...].'