Jump to ratings and reviews
Rate this book

Goed ziek. Hoe we onze gezondheidszorg veel beter kunnen maken

Rate this book
Een ander gezondheidssysteem kan ons gezonder en gelukkiger maken

In België zijn we vaak best positief over onze gezondheidszorg - tot we ernstig ziek worden. Tijd voor een wake-upcall! Ons systeem levert niet genoeg waarde voor zijn geld, is weinig menselijk en te zeer gestuurd door belangen in de medische wereld, de farma en de politiek. Onze gezondheidszorg heeft meer baat bij zieke mensen dan bij gezonde, wat leidt tot onnodige procedures, overmedicalisering en de verspilling van middelen.

In goed ziek vertelt Ri De Ridder waarom we in een sukkelstraatje zitten en hoe we eruit raken. De Ridder houdt een warm pleidooi voor buurtzorg, de bundeling van de financiering op streekniveau en een verregaande integratie van welzijn en gezondheid tussen sectoren. Zo kunnen we werken aan een systeem waarin we op een goede manier ziek kunnen zijn, een steem dat ons gezonder en gelukkiger maakt, dat minder druk zet op de zorgverleners, dat niemand uitsluit en bovendien niet meer kost.

276 pages, Paperback

First published November 1, 2019

2 people are currently reading
28 people want to read

About the author

Ri De Ridder

3 books1 follower

Ratings & Reviews

What do you think?
Rate this book

Friends & Following

Create a free account to discover what your friends think of this book!

Community Reviews

5 stars
2 (7%)
4 stars
19 (67%)
3 stars
6 (21%)
2 stars
1 (3%)
1 star
0 (0%)
Displaying 1 - 7 of 7 reviews
Profile Image for Philippe.
765 reviews728 followers
February 17, 2020
In dit boek schetst Ri De Ridder, tot voor kort nog hooggeplaatst ambtenaar aan het Belgische RIZIV, voor een grondige hervorming van onze gezondheidszorg. In het kort gezegd pleit hij voor de transitie naar een zorgsysteem dat invulling geeft aan reële behoeften, op het niveau van zowel de individuele patiënt zowel als van grotere, territoriaal afgebakende bevolkingsgroepen. Dat lijkt de logica zelve, maar in de praktijk is het dat allerminst. Het huidige apparaat werkt immers als een zeer logge en zeer inefficiënte machine. Het is een bureaucratie die haar eigen logica volgt. Uiteindelijk komt daar wel ergens zorg uit, maar ten koste van massale inefficiëntie, een enorme druk op zorgverstrekkers en een toxisch deficit aan niet-gelenigde noden.

We hebben de neiging om nogal zelfgenoegzaam te doen over onze gezondheidszorg. Waar hebben mensen het dan beter? Maar in het eerste deel van het boek toont De Ridder aan dat een meer realistische inschatting aan de orde is. Het systeem is niet zo performant als we vaak denken. We zijn eigenlijk middenmoters en gegeven de enorme middelen die er jaar na jaar in geïnvesteerd worden, mogen we daar niet mee tevreden zijn. Bovendien laat niets vermoeden dat er zich een kentering aandient.

Behoeften van mensen worden inderdaad gaandeweg complexer en diverser. Dat heeft te maken met veroudering, de verschuiving van acute medisch behoeften naar chronische aandoeningen, en de toenemende demografische heterogeniteit van de bevolking. Aan de andere kant nemen de kosten van zorg alleen maar toe (door medicalisering en de groeiende rol van technologie). De staatskas staat toenemend onder druk. En de Belgische institutionele lappendeken rafelt door opeenvolgende staatshervormingen steeds verder uiteen. (Vandaag hebben acht ministers één of andere vorm van zeggenschap over het gezondheidszorgbeleid in ons land.) In deze context worden de mankementen van het systeem genadeloos verscherpt. Daardoor wordt ook een fundamenteel dilemma verscherpt waar systeemdenker Stafford Beer vijftig jaar geleden al de vinger op legde.

Het is duidelijk dat het zorgsysteem moet functioneren in een toenemend complexe omgeving. Het bestaande apparaat heeft door zijn pure omvang, zijn gevestigde belangen, zijn technische complexiteit en de talloze institutionele ongerijmdheden waar het aan blootstaat, een zeer beperkt vermogen om met die complexiteit om te gaan. Er zijn in principe twee benaderingen om dit te doen: onszelf afschermen van de complexiteit van de omgeving of onze regulerend vermogen vergroten om ermee om te gaan.

Beers kritiek is dat de technocratische systemen in onze samenleving makkelijk de optie lichten van complexiteitsvermindering, en dat individuele rechten en vrijheden als gevolg daarvan worden ingeperkt. De alternatieve aanpak - het versterken van het adaptief vermogen van het regulerende deel van het systeem - is niet eens het voorwerp van publiek debat, omdat het ons zou verplichten om ons bestuurs- en beleidsapparaat van de grond af aan te heroverwegen.

Dat is nu precies het project dat De Ridder in dit boek naar voren schuift. In het tweede deel van 'Goed Ziek' wordt dit concreter gemaakt aan de hand van een blauwdruk van een geïntegreerd en radicaal gedecentraliseerd zorgsysteem. Het hart van dit alternatieve systeem klopt op wijkniveau. De noden van zo'n gemeenschap van enkele duizenden mensen worden in kaart gebracht, bewaakt en gelenigd door een multidisciplinair team van pakweg 200 zorgverstrekkers. Die opereren in zorgteams van variabele grootte en samenstelling. Noden moeten volgens de auteur breed geïnterpreteerd worden. Het gaat immers niet alleen om strikt medische behoeften, maar ook om de sociale en omgevingsfactoren waarin die ingebed liggen. Sociale werkers en welzijnsprofessionals zullen dus even goed van zorgteams deel gaan uitmaken. Preventie en het versterken van gezondheidsvaardigheden vormen een vitaal onderdeel van hun takenpakket. Tegelijk wordt ook de meer gespecialiseerde zorg in het aanbod verweven. De rigide opdeling tussen eerste en tweede lijn verdwijnt daardoor goeddeels.

De blauwdruk omvat ook nog een coördinatiemechanisme op meso-niveau, de 'zogenaamde locoregionale zorgorganisaties' die tien tot twintig buurtteams overzien. Dit is een netwerkorganisatie die een regionaal zorgbudget beheert, kwaliteit bewaakt en stuurt vanuit een overkoepelend zorgproject.

Het is ontluisterend om vast te stellen dat de ideeën die de auteur hier in zijn boek presenteert, eigenlijk al vijftig jaar besproken worden en op activistisch-experimentele wijze in de praktijk worden gebracht. Ri De Ridder lag in 1976 zelf mee aan de basis van het eerste wijkgezondheidscentrum (WGC) van Vlaanderen, De Sleep in Gent. WGCs kunnen gezien worden als prototypes van zorgteams die op een holistische wijze aan de medisch-sociale noden van hun lokale gemeenschap proberen tegemoet te komen. De institutionele context waarin ze functioneren, past echter grotendeels als een tang op een varken. In een boeiend hoofdstuk overloopt De Ridder de geschiedenis van dit stukje professioneel activisme en met name ook de wijze waarop men er in slaagde om een alternatief, forfait-gebaseerd financieringsmechanisme voor deze vorm van zorgverstrekking te bedingen.

Wijkgezondheidscentra ontstonden vanuit een ideologische reflex. Ze wilden een alternatief bieden voor een liberale, paternalistische en ongelijk toegankelijke gezondheidszorg. Maar het voornemen om behoeftegestuurd te gaan werken, sloot naadloos aan bij ideeën over institutioneel leren die op datzelfde moment begonnen te circuleren. Donald Schon is één van de denkers die zich in de jaren '70 zich boog over de vraag waarom instituties eigenlijk zo slecht leren . Ze zijn doorgaans gevangen in een regime van 'dynamisch conservatisme' dat hun net genoeg laat evolueren om in essentie de status quo te bewaren. Het is pas onder druk van een echte crisis dat een systeem zich tot een grondige herconfiguratie laat bewegen. Het beeld dat Schon schetst van overheden als lerende organisaties - "dreadfully inept at the process of public
learning" - komt nog in grote mate overeen met de huidige stand van zaken. Zij zijn het centrum dat het beleid ontwikkelt, en dat daarvoor graag de mantra van evidence-based hanteert; de rest is periferie waar de vernieuwing in de praktijk wordt omgezet en dat daarop ook nauwgezet gecontroleerd en afgerekend wordt. Echter, in een snel veranderende context stoot dit centrum-periferie model snel op zijn grenzen. De periferie gaat al gauw een deel van zijn middelen inzetten om het centrum om de tuin te leiden. Mettertijd wordt de performantie verder uitgehold.

Schon meende in het toenmalige bedrijfsleven tekenen te zien van een performanter model. Hij schetste de contouren ervan als een geïntegreerd netwerk van functionele eenheden - publieke en private ondernemingen van allerlei slag - die samen zorg dragen voor de invulling van een belangrijke sociale behoefte (bv. op het vlak van onderwijs, of zorg, of simpelweg om 'mensen in propere kleren te houden'). Als één organisatie al die functionele eenheden zou integreren, dan zou die een continu proces van 'whole system innovation' kunnen regisseren. Netwerk-governance wordt dan evident een cruciale competentie om voortdurend nieuwe constellaties van leveranciers van diensten te vormen die kunnen inspelen op veranderende en ruimtelijk gedifferentieerde behoeften. En het gaat niet alleen om de 'leveranciers'; ook de 'vragers' kunnen, voor zover zij daar kunnen toe aangespoord worden en daar zin in hebben, een actieve rol spelen in de co-creatie van behoeftevervullende diensten. Niet te onderschatten is de rol van een technische infrastructuur die toelaat om signalen uit de periferie te capteren en die zodanig te filteren dat een dynamisch evenwicht ontstaat tussen de complexiteit van de externe omgeving en het adaptief vermogen van de netwerkorganisatie.

Overheden spelen in dit geheel een faciliterende rol. Het wordt hun taak om in die infrastructuur te investeren, om aldus in de periferie belangwekkende verschuivingen te detecteren, en om daaruit, op inductieve wijze, interessante beleidsinitiatieven te destilleren. Ze kunnen ook macro-doelen naar voren schuiven en perifere spelers aansporen om zelf evaluatiestrategieën te ontwikkelen die aantonen hoe goed ze invulling geven aan die doelen. De beweging van het leren zou dus even goed van periferie naar periferie kunnen lopen, als van periferie naar centrum, en van centrum naar periferie. Dat is precies zoals Ri De Ridder de rol van de overheid in zijn boek beschrijft: faciliterend, omkaderend, bewakend en beschermend. Maar niet centralistisch-prescriptief, want dat fnuikt alleen maar de impuls tot innoveren aan de periferie.

Deze korte excursie naar het denken van Donald Schon onderlijnt alleen maar dat de soliede ideeën die in dit boek besproken worden ideologisch en conceptueel al vijf decennia meegaan. En toch heeft 'het systeem' ze nog maar in homeopatische dosissen willen integreren. Een typische strategie van 'dynamisch conservatisme'.

En dus, wat nu? Als we Schon mogen geloven dan weren sociale systemen zich tegen verandering met een energie die ruwweg proportioneel is met de scherpte van de discontinuïteit waarmee ze worden geconfronteerd. De Ridder is zich bewust van de uitdaging. Heel veel moet immers op de schop. Financieringsmechanismen moeten veranderen, de rol van sleutelspelers (ziekenfondsen, sectororganisaties, de overheid zelf) moet bevraagd worden. En meer fundamenteel moet ons eng begrip van gezondheid, ons blind vertrouwen in medische expertise, en de diep ingebakken drang tot controle en normering bevochten worden. Dat brengt ons weer bij Beer: "Mensen die de macht hebben, dragen die nooit zomaar over aan anderen. En zeker niet als er veel geld mee gemoeid is. Nochtans is de oplossing die ik voorstel realistisch in een democratische samenleving in zover dat de vraag naar het hertekenen van onze maatschappelijke instituties wordt gearticuleerd. (...) Ons vermogen om de wereld te veranderen wordt beperkt door het model dat wij in ons hoofd hebben van wat moet gestuurd worden. Onze beschaving heeft ons opgezadeld met een manifest disfunctioneel model. Dus moeten we onszelf uitrusten om dat te veranderen. Het vermogen om dat te doen, behoort ons zeker toe. "
1 review
May 16, 2020
Remedie met een bijsluiter

Met ‘Goed Ziek’ schreef Ri De Ridder een boek over wat er met onze verziekte gezondheidszorg moet gebeuren. Tot twee jaar geleden was hij directeur-generaal van het Riziv, sinds zijn pensionering is hij voorzitter van de ngo Dokters van de Wereld. Voor hij bij het RIZIV begon, was de arts adjunct-kabinetschef bij ministers van Sociale Zaken Rudy Demotte (PS) en Frank Vandenbroucke (sp.a). Die laatste neemt trouwens de inleiding van het boek voor zijn rekening. Dat is geen toeval. Vandenbroucke zette een aantal stappen in de forfaitarisering van de ziekteverzekering. Vooraf vastgelegde forfaits per aandoening zijn een alternatief op het gangbare prestatiegedreven model, waarin artsen per verstrekking worden betaald. Al veertig jaar pleit De Ridder voor een aanpassing in die richting. Met matig succes. Nu hij met pensioen is, giet hij dat pleidooi nog een keer in boekvorm.
Zoals het een arts betaamt heeft De Ridder daarbij de Belgische zorg eerst aan een onderzoek onderworpen. Hij concludeert dat onze zorg ‘goed ziek’ is. Geïntegreerde zorg heet de therapie waarvoor De Ridder pleit.
Een sleutelrol is daarbij weggelegd voor de wijkgezondheidscentra. Dat zijn medische centra die met een forfaitair budget een multidisciplinair team ter beschikking stellen van de bevolking in een wijk. Dankzij de derdebetalersregeling zijn de drempels voor de patiënt laag. Daar staat tegenover dat artsen niet per geleverde prestatie worden betaald, maar een loon krijgen,. In theorie drukt het concept de kans op overconsumptie. Toch verzetten veel artsen er zich tegen, omdat ze zichzelf traditioneel als zelfstandigen zien.
De eerste wijkgezondheidscentra zijn ontstaan in de jaren zeventig. Niet geheel toevallig was Ri De Ridder een van oprichters van De Sleep, een van de eerste wijkgezondheidscentra. Intussen zijn er in Vlaanderen 32 wijgezondheidscentra en de forfaitaire betaling is een wettelijke mogelijkheid, maar zeker niet de standaard.
De Ridder werkt in zijn ‘Goed ziek’ het pleidooi voor de geïntegreerde zorg tot in de details uit en legde dat plan voor aan veertien experten uit de sector. Hun reacties en kritische bedenkingen vormen het laatste deel van het boek. Op die manier hoopt de auteur een steentje bij te dragen aan het veranderingsklimaat dat mogelijk moet maken waar hij al veertig jaar van droomt. “Ik heb moeite om de hardnekkigheid, waarmee de forfaitaire financiering van de wijkgezondheidscentra in vraag werd gesteld, te begrijpen”, verklaart hij zijn missie.

Ri De Ridder, Goed Ziek, Van Halewyck (2019), 276 blz
868 reviews5 followers
July 19, 2021
Ik vond het een interessant boek over de opzet en financiering van een zorgsysteem, ergens snap ik beide visies en zijn ze waarschijnlijk ook biologisch verklaarbaar , samenwerken ja , maar in het hedendaagse tijdperk is zo snel en zo veel mogelijk financiële middelen verzamelen een must en een competitie van wie de beste is (wil zijn ) , is ook heel menselijk,
Hopelijk lukt het om de juiste en goede , betaalbare zorg aan zoveel mogelijk mensen te geven , de ene zorgverstrekker zal zich beter voelen in het ene de andere in het andere systeem
Profile Image for Peter.
19 reviews1 follower
December 30, 2019
Goede ideeën en eye opener ivm werking van gezondheidszorg
Had misschien wel iets korter gekund
7 reviews1 follower
March 18, 2020
Interessante visie over hoe de gezondheidszorg in België moet evolueren.
Profile Image for Roel Peters.
180 reviews6 followers
April 21, 2020
Het boek is ingedeeld zoals een ideologie: een analyse van het huidige, waar we naartoe moeten en hoe we er zullen geraken.

De eerste twee delen van dit boek slagen er uitstekend in om op een laagdrempelige manier duidelijk te maken wat het probleem is en wat De Ridder's alternatief is. Het derde deel, hoe we er geraken, is eerder een wollig en niet concreet samenraapsel. De auteur wil dat we blijven experimenteren, dat er geen handleiding bestaat om tot geïntegreerde zorg te komen. Met enkele citaten en voorbeelden wordt dat hiaat toegedekt. Een blauwdruk, daar zat ik echter op te wachten na de eerste twee delen. Met dit boek kan je de kritiek niet pareren dat geintegreerde zorg een utopie is.

Het is duidelijk dat ook de auteur er mee worstelde: in de index behoort hoofdstuk 7 tot deel 3, maar het is uiteindelijk in deel 2 beland. En hoewel De Ridder aangeeft dat zijn boek geen memoires zijn, zijn die toch in dat allegaartje van deel drie terug te vinden.

Uitermate veel respect voor de auteur en zijn palmares. En de eerste twee hoofdstukken van dit boek.
Displaying 1 - 7 of 7 reviews

Can't find what you're looking for?

Get help and learn more about the design.