Prix de l'évolution psychiatrique 2009 Jacques Schotte (1928-2007), psychiatre, psychanalyste, fondateur de l'École belge de psychanalyse, est un penseur qui a bouleversé le paysage de la psychiatrie. Pourtant, son enseignement n'a pas eu, au sein même du milieu psychiatrique, la reconnaissance qu'il mérite. Ce livre relate avec minutie les étapes du projet anthropopsychiatrique de Jacques Schotte qui rend à jamais caduque toute tentation néo-positiviste. En conjuguant la psychiatrie avec la philosophie et la psychanalyse, Schotte revient aux fondements anthropologiques de la psychiatrie qui trouve ou retrouve la spécificité qu'elle avait oubliée. En rapprochant la nosographie d'un modèle philosophique, l'impressionnant parcours de Jacques Schotte et ses nombreuses rencontres (Maldiney, Binswanger, R. Kuhn, Lacan, Tosquelles...) permettent de travailler le champ psychiatrique de manière radicalement renouvellée entre humanité, science et logique. Le projet de cet ouvrage est de retrouver la cohérence de la pensée de Schotte et de prolonger son enseignement par d'autres lectures qui permettent d'en souligner l'importance.
Uitgebreide introductie op Jacques Schotte en zijn "Antropopsychiatrie", het project om de psychiatrie van een andere wetenschappelijke leest te schoeien. Hij zoekt met name een fundament voor de psychiatrie. Ook de eerste helft van de 20ste eeuw was de psychiatrie een amalgaam van disciplines, waar een verknoping nodig was. Centraal voor Schotte is de psychiatrie een ondersteuning van de mens en zijn omgang met de wereld. Waar tegenwoordig de driedubbele verknoping van het biopsychosociale model een kernpijler is van de psychologische hulpverlening, als uitbreiding van een biomedisch model, opteert Schotte voor een drieledig fundament voor psychiatrie; van geneeskunde, psychoanalyse en filosofie. Het ideaal van de 'iatros philosophos' van Hippocrates is ook het zijne. Naast geneeskundige is de psychiater ook filosoof, psychiatrie is dan ook een buitenbeentje van de medische disciplines. Gebaseerd op deze drieledigheid heeft Schotte zich een nieuwe poging tot nosografie ontwikkeld, dit benoemt hij als Patho-analyse. Een analyse van de existentialen of existentiële vraagstukken van de menselijke ervaring, geponeerd als polaire uitersten zoals de driftdialectiek van zijn grootste leermeester Leopold Szondi (gekend van de Szondi-test). Patho-analyse vertrekt vanuit het kristalprincipe, een metafoor van Freud uit zijn nieuwe colleges over psychoanalyse. Als een kristal valt breekt het niet lukraak uiteen, het volgt de splijtlijnen in de structuur. Hetzelfde geldt voor de menselijke conditie. Het hangt samen met wat Freud ook stelt; "Pas door het pathogene te bestuderen leert men het normale begrijpen". Het strikte onderscheid normaal-pathologisch wordt zo anders gedacht, zelfs ontmanteld. Dit onderscheid betreft variabele soorten van eenzelfde menselijke ervaring, het gaat niet om een aberrantie van een norm, gegoten in een ziekteclassificatie van natuurlijke soorten, maar om een dimensionele samenstelling van het menselijke driftleven. Een kader voor existentiële analyse van de menselijke ervaring, doorheen de waanzin in zijn vele vormen, is een van de verwezenlijkingen van Schotte. Een zoektocht naar een antropologie voor de psychiatrie.
Schotte had vele inspiraties waar hij zich kritisch over uitliet, hetgeen uitgebreid becommentarieerd wordt in dit werk. Hij maakte in eigen woorden "Vuur van elk hout", zijn insteek is een eigenzinnige en creatieve lectuur van velerlei inspiraties en contacten zoals Freud, Szondi, Binswanger, Lacan, Tosquelles en Oury. Zeer goed overzichtswerk over een voorbeeld van kritische psychiatrie van Belgische bodem.