In het eerste deel van ZON spelen de gedichten zich af op het strand of in zee, in een auto of in een lichtgevend huis. Altijd speelt de zon een rol. Op een gegeven moment sluipen er leeuwen in de bundel, die alles op scherp zetten. Honderden, duizenden leeuwen die veranderen in een veld vol juichende zonnebloemen. ZON geeft een nieuwe wending aan het omvangrijke oeuvre van Peter Verhelst: de bundel is een broeierig geheel, waarin het politieke voor het eerst duidelijk verbonden wordt met het lyrische. Omdat onze tijden daarom vragen.
Ik zal niet zeggen dat ik elk gedicht even goed vond, of dat ik alles begrepen heb, maar het geheel van de bundel vond ik erg mooi. De meeste gedichten kunnen niet op zichzelf staan. Een los gedicht uit deze bundel zegt meestal niet zo veel, maar dat gedicht in het geheel van de cyclus waar het deel van uitmaakt, zegt meer. Het gaat niet om de losse gedichten, maar om het verloop van het ene gedicht naar het andere gedicht, van de ene cyclus naar de andere. Dat is een nieuwe manier van lezen, en dat is wennen, maar dat levert een mooi effect op. Als lezer ga je inzien dat de gedichten met elkaar verweven zijn door middel van een narratief, een verloop.
In het openingsgedicht is er alleen een ‘ik’. Het lijkt of de ik net geboren is, en tegelijkertijd al heel lang bestaat. ‘Als ik in het donker wacht / houd ik een zakdoek aan mijn mond / om mij eervan te vergewissen dat ik bloed / want enkel wie kan bloeden kan ook dromen.’ (p. 11) Al in deze openingsregels is de veronderstelling: wie echt wil leven, wil dromen, wil bestaan, moet bloeden, moet lijden. En dat is wat er gebeurt in Marines, de eerste cyclus: er wordt geleden. Er is een constante dreiging, je voelt aan alles dat er iets gaat gebeuren, het is de stilte voor de storm. ‘waarom is het plots zo stil / en trekt de zee zich terug?’ (p. 31). In de eerste cyclus is er veel onrust. Niet is recht toe, recht aan. Alles loopt door elkaar, de tijd spoelt terug, dingen gebeuren steeds opnieuw. De logica van de geschetste wereld is scheef. Alles ademt zwaar: ‘Luister hoe de toren al eeuwenlang / zachtjes uit- en weer inademt.’ (p. 23). Alles ademt diep in en uit, alles is onrustig, in alles zit dreiging.
In Sun Arise! 2 blijft die onrust, maar hij spitst zich meer toe. In Sun Arise! ging het al veel over een ik-personage en een jij-personage, die zich tot elkaar probeerden te verhouden, maar in deel 2 wordt dat pas echt concreet. Door middel van een paar verschillende cycli laat Verhelst zien hoe de ‘ik’ en de ‘je’ naar elkaar opzoek zijn. Op zoek zijn naar hoe ze samen kunnen vallen, hoe ze een ‘we’ kunnen worden: ‘zodat we eindelijk, bloot, klein, nat, weerloos open / Bodemloos in elkaars slaap konden vallen.’ (p. 49). Er wordt in dit tweede deel veelvuldig gezocht naar hoe we ons tot elkaar en tot de wereld om ons heen moeten verhouden. Tot dat, in de laatste cyclus van dit tweede deel, eindelijk een gemeenschappelijke grond wordt gevonden: verdriet.
En dan komen de leeuwen uit het water. De leeuwen zijn machtige zonnen, koningen; staan symbool voor de politieke leiders. En ze verlossen de schapen, het volk, uit hun lijden: ‘’Wilt ome alstublieft uitmijn lijden verlossen?’ smeekt het schaap. / Zonder te antwoorden loopt de leeuw van hem weg. / Het schaap, verlost van het gewicht van zijn doodswens, huppelt door / de vlakte. Zo hevig juicht hij om zijn hernieuwde levenslust dat hij de / leeuw niet aan hoort komen.’ (p. 94). Je zou denken dat de leeuwen gevaarlijk zijn, en dat zijn ze ook wel: in de laatste cyclus uit de bundel wordt Verhelsts kritiek het meest concreet; op cynische toon bespot hij de populistische machthebbers van deze tijd. Maar de politiek levert ons ook iets op: een wij/zij-denken waarin we ons veilig kunnen voelen: ‘Nu de oorlog is begonnen / moeten we alleen nog een vijand in het leven roepen / die ons kan verbinden.’ (p. 115). In de slotregel weten de ‘ik’ en de ‘je’ eindelijk samen te vallen: ‘Eén hartslag zijn we. Dreunend.’ (p. 119).
Deze omvangrijke bundel heeft veel kanten: een beeldende, een politieke, een gevoelige, een ietwat saaie. Het is een bundel om je aandacht bij te houden, om van voor naar achter te lezen, en bij veel gedichten weer even terug te bladeren om te kijken hoe het ook al weer zit. Het zijn niet de gedichten die het werk doen in deze bundel, maar het verloop van de gedichten. Een interessant concept, dat Verhelst met een enorme taalbeheersing heeft uitgewerkt.
‘Telkens als ze niet komt, blijft de hoop.’ (uit ‘Sun Arise! 2’, p. 35)
De cyclus die aan dat gedicht voorafgaat, ‘Marines’, zet als eerste cyclus de toon voor de bundel: gedicht per gedicht wordt alles een beetje helderder, zeker mooier, sowieso broeieriger, zoals de flaptekst zegt. De cyclus die volgt, ‘Monochrome zon’, springt er wat mij betreft qua broeierigheid al helemaal uit, in beide betekenissen van het woord: sensueel, maar ook drukkend en zelfs dreigend. Classic Verhelst dus, met intense, soms duistere, altijd lijflijke liefdesbeschrijvingen. Later in de bundel was ik de samenhang van de cycli soms kwijt.
Met onverwachte realistischere en vooral politieke stukken op het einde gaat deze bundel plots een hele andere kant uit. Maar wel eentje om over na te denken!
En dan zijn er pareltjes van zinnen als deze: "Ik vroeg me af waarom wat we niet krijgen echter lijkt dan wat we hebben." uit Rode Namiddag
De passie spat van de gedichten af, vooral lichamelijk zonder dat het al te plastisch wordt.
Kenmerkend zijn de zinnen die niet compleet zijn, waar je nog iets verwacht: een pointe, een conclusie. Je mag het zelf invullen met beelden. Een vaak terugkerend motief zijn lichaamsdelen en gewrichten: knieën, oksels. In de eerste helft van de bundel gaat het veel over de zee, ovee een geliefde die vertrekt, en niet vertrekt (eb, vloed); een gat in een muur, een zwart gat in de zee: de duisternis trekt Een gat in de tijd en een geliefde is er ineens weer…
Het blokje gedichten over de leeuw en het schaap vond ik minder spannend, dat was me te fabelachtig, een versimpelde, saaie Van den vos Reynaerde. De vergelijking tussen de leeuw en de zonnebloem vond ik daarentegen heel krachtig.
Dan komt er ineens een maatschappijkritisch stuk, dat op sarcastische wijze het failliet van de menselijke maat illustreert, door - hoe ironisch- aan te haken bij de onderbuikgevoelens van mensen die in wij-zij-modus staan, waarbij “wij” superieur zijn, wit, autochtoon. In de verantwoording van de bundel schrijft de dichter dat hij in deze verzen letterlijke zinnen uit toespraken van Nederlandse en Vlaamse populistische politici heeft gebruikt. De zon lijkt in deze gedichten model te staan voor een dictator tot wie iedereen zich richt.
Een zeer diverse dichtbundel, dus, met de zon als overkoepelend thema, maar in verschillende gedaantes. De zon is niet altijd zo letterlijk aanwezig als in de eerste helft van de bundel, maar verbindt de gedichten wel.
Ik hou heel erg van poëzie waar beweging inzit, waar tijdens lezen ritme in doorklinkt. Deze bundel is daar een fantastisch voorbeeld van, al begrijp ik bij lange na niet alles van Zon. Het is verdrietige en hoopvolle bundel tegelijkertijd, wat misschien wel de mooiste combinatie is die je in poëzie kunt hebben.
"Uiterst langzaam zonk het bloed in de zee. De laatste rode sluiers verwaaiden over het strand. We omhelsden elkaar. Nooit eerder stond de avondhemel zo prachtig in brand."
This entire review has been hidden because of spoilers.