Ik zal niet zeggen dat ik elk gedicht even goed vond, of dat ik alles begrepen heb, maar het geheel van de bundel vond ik erg mooi. De meeste gedichten kunnen niet op zichzelf staan. Een los gedicht uit deze bundel zegt meestal niet zo veel, maar dat gedicht in het geheel van de cyclus waar het deel van uitmaakt, zegt meer. Het gaat niet om de losse gedichten, maar om het verloop van het ene gedicht naar het andere gedicht, van de ene cyclus naar de andere. Dat is een nieuwe manier van lezen, en dat is wennen, maar dat levert een mooi effect op. Als lezer ga je inzien dat de gedichten met elkaar verweven zijn door middel van een narratief, een verloop.
In het openingsgedicht is er alleen een ‘ik’. Het lijkt of de ik net geboren is, en tegelijkertijd al heel lang bestaat. ‘Als ik in het donker wacht / houd ik een zakdoek aan mijn mond / om mij eervan te vergewissen dat ik bloed / want enkel wie kan bloeden kan ook dromen.’ (p. 11) Al in deze openingsregels is de veronderstelling: wie echt wil leven, wil dromen, wil bestaan, moet bloeden, moet lijden. En dat is wat er gebeurt in Marines, de eerste cyclus: er wordt geleden. Er is een constante dreiging, je voelt aan alles dat er iets gaat gebeuren, het is de stilte voor de storm. ‘waarom is het plots zo stil / en trekt de zee zich terug?’ (p. 31). In de eerste cyclus is er veel onrust. Niet is recht toe, recht aan. Alles loopt door elkaar, de tijd spoelt terug, dingen gebeuren steeds opnieuw. De logica van de geschetste wereld is scheef. Alles ademt zwaar: ‘Luister hoe de toren al eeuwenlang / zachtjes uit- en weer inademt.’ (p. 23). Alles ademt diep in en uit, alles is onrustig, in alles zit dreiging.
In Sun Arise! 2 blijft die onrust, maar hij spitst zich meer toe. In Sun Arise! ging het al veel over een ik-personage en een jij-personage, die zich tot elkaar probeerden te verhouden, maar in deel 2 wordt dat pas echt concreet. Door middel van een paar verschillende cycli laat Verhelst zien hoe de ‘ik’ en de ‘je’ naar elkaar opzoek zijn. Op zoek zijn naar hoe ze samen kunnen vallen, hoe ze een ‘we’ kunnen worden: ‘zodat we eindelijk, bloot, klein, nat, weerloos open / Bodemloos in elkaars slaap konden vallen.’ (p. 49). Er wordt in dit tweede deel veelvuldig gezocht naar hoe we ons tot elkaar en tot de wereld om ons heen moeten verhouden. Tot dat, in de laatste cyclus van dit tweede deel, eindelijk een gemeenschappelijke grond wordt gevonden: verdriet.
En dan komen de leeuwen uit het water. De leeuwen zijn machtige zonnen, koningen; staan symbool voor de politieke leiders. En ze verlossen de schapen, het volk, uit hun lijden: ‘’Wilt ome alstublieft uitmijn lijden verlossen?’ smeekt het schaap. / Zonder te antwoorden loopt de leeuw van hem weg. / Het schaap, verlost van het gewicht van zijn doodswens, huppelt door / de vlakte. Zo hevig juicht hij om zijn hernieuwde levenslust dat hij de / leeuw niet aan hoort komen.’ (p. 94). Je zou denken dat de leeuwen gevaarlijk zijn, en dat zijn ze ook wel: in de laatste cyclus uit de bundel wordt Verhelsts kritiek het meest concreet; op cynische toon bespot hij de populistische machthebbers van deze tijd. Maar de politiek levert ons ook iets op: een wij/zij-denken waarin we ons veilig kunnen voelen: ‘Nu de oorlog is begonnen / moeten we alleen nog een vijand in het leven roepen / die ons kan verbinden.’ (p. 115). In de slotregel weten de ‘ik’ en de ‘je’ eindelijk samen te vallen: ‘Eén hartslag zijn we. Dreunend.’ (p. 119).
Deze omvangrijke bundel heeft veel kanten: een beeldende, een politieke, een gevoelige, een ietwat saaie. Het is een bundel om je aandacht bij te houden, om van voor naar achter te lezen, en bij veel gedichten weer even terug te bladeren om te kijken hoe het ook al weer zit. Het zijn niet de gedichten die het werk doen in deze bundel, maar het verloop van de gedichten. Een interessant concept, dat Verhelst met een enorme taalbeheersing heeft uitgewerkt.