De inhoud van het boek klinkt veelbelovend en interessant: de ontstaansgeschiedenis van een groot farmaceutisch bedrijf, een broederstrijd, antisemitisme, Tweede Wereldoorlog... Bovendien vond ik 'Verplicht gelukkig' van dezelfde auteur écht boeiend.
'De hormoonfabriek' heb ik echter met veel tegenzin toch uitgelezen - ergens verwachtte ik misschien een spectaculaire ontknoping, een onvoorspelbare wending maar niks was minder waar. Los van de inhoudelijke oppervlakkigheid heb ik me vooral mateloos gestoord aan Goldschmidts schrijfstijl.
Ik had het gevoel dat ik een opstel las, weliswaar geschreven door één van de betere leerlingen uit de middelbare school - het is alsof ze het boek schreef met naast zich een zegswijzenboekje en een synoniemenwoordenboek.
Terwijl ik aan het lezen was, bedacht ik dat de lectuur van deze roman een mooie opdracht voor de Nederlandse literatuurles zou kunnen opleveren: "Maak een lijstje van alle zegswijzen en spreekwoorden die de auteur doorheen haar boek gebruikt." Zo gezegd, zo gedaan, dus :-)
Je krijgt als lezer een compleet assortiment: courante zegswijzen als ' door het oog van de naald kruipen', 'alles uit de kast halen', 'iemand met een kluitje in het riet sturen', 'iemand de hand boven het hoofd houden' -inspiratieloze uitdrukkingen als: ' de moffen werden in de pan gehakt' - Nederlandse zegswijzen die voor mij, als Vlaamse lezer, té Hollands klinken en waarbij ik toch lichtjes geïrriteerd raak: 'ergens doorheen zwijnjakkeren', ''iets naar de ratsmodee helpen', 'alles naar de barbiesjes laten gaan' - tenslotte ook de meer filosofische zegswijzen als 'waar je niet bij bent, wordt je 't hoofd niet gewassen' of 'wie de roos wil plukken, moet de doornen niet ontzien.' Het boek staat er vol van en leidde mijn aandacht compleet af van de inhoud.
Ergerlijk.
Nog ergerlijker is Goldschmidts overdadig gebruik van allerhande synoniemen. Zo noemt ze een dokter niet zomaar een dokter maar wel: een tongkijker, een spatelaar, een witjas. Ze heeft het over 'dooievisjesvreters, mazzelaars, smeerpruimen, smousen, lefjongen, rasploerten, lapzwansen, hellebrokken, asfaltbloempjes, zwijnjakken, minkukel... Hitler noemt ze consequent een 'hondsvot'. Té veel is écht té veel. Goldschmidt had zich beter meer geconcentreerd op de inhoud van haar verhaal i.p.v. angstvallig dubbel woordgebruik te vermijden door al die ongebruikelijke synoniemen.
Met dit boek heeft ze - in mijn ogen althans- een 'minkukel' geschreven.