In this book, Hubert J. M. Hermans and Els Hermans-Jansen elaborate a model of the clinical use of self-narratives--the stories people use to construct meaning out the events in their lives--in counseling and psychotherapy. Based on extensive case studies and filled with a rich variety of illustrative examples, this integrative work covers the model's theory, methodology, and clinical applications.
Hubert Hermans is one of the main theorists in narrative psychology. During his career he has developed several influential methods and theories. One of them is the Self Confrontation Method (SCM) that has led to the establishment of the Association for SCM practitioners that has around 200 members in 2020. Another is the Dialogical Self Theory that has led to the organization of biennial international conferences, the establishment of the International Society for Dialogical Science.
De basis van dit boek is de metafoor van een persoon als een gemotiveerde verhalenverteller, in de zin van iemand die een verhaal te vertellen heeft over haar / zijn eigen leven. In dit verhaal geeft de persoon waarde en betekenis aan bepaalde gebeurtenissen uit verleden heden of toekomst: waarderingen die positief, negatief of ambigu zijn. Deze waarderingen vormen samen een systeem dat in de loop van de tijd evolueert. Die evolutie wordt beïnvloed door twee basale motieven: zelf-bevestiging en het verlangen naar verbinding met anderen of iets anders.
Er zijn vier basis-metaforen voor de verhalen die we over onze levens vertellen: - Formism: de wereld vergelijken met objecten. ‘Ik ben een open persoon.””’ - Mechanicism: de wereld beschrijven als een machine, uurwerk, computer. ‘Mijn problemen zijn veroorzaakt door de vroege dood van mijn moeder.’ - Organicism: de wereld zien als een organisme met groei en ontwikkeling. ‘Wanneer hij meer volgroeid is, kan hij dit aan.’ - Contextualism: de wereld zien in de context van tijd en plaats. ‘Wanneer mijn vrouw spreekt dan houd ik me stil.’
Verhalen hebben de volgende kenmerken: - Erkennen perceptie van de werkelijkheid en fantasie: gaten in herinnering invullen en anticiperen op de toekomst; echte en interne (imaginaire) dialogen. - Ruimte en tijd zijn basis-componenten van verhalen: een organisatie van gebeurtenissen in de tijd en een plotstructuur van verleden, heden en toekomst; personages.
Thema Verhalen worden geconstrueerd rondom een thema: jaloezie, wraak, tragisch heldendom, onrecht, onbereikbare liefde, de onschuld van kindertijd, ondeelbare vriendschap, discriminatie etc. Classificaties van thema’s: - Frye (1956), de seizoenen: lente voor komedie, vrolijkheid, soc harmonie, verliefdheid; zomer: overvloed, rijkdom, romantiek, overwinning van goed over kwaad; herfst: drama, naderend onheil; winter: dood en satire (acceptatiewijze en erkenning dat de natuur de mens de baas is). - Gergen en Gergen (1988): lineaire ontwikkeling in de tijd. Progressieve ontwikkeling: ‘Ik leer om steeds beter om te gaan met...’; regressieve ontwikkeling: ‘Ik kan steeds slechter omgaan met...’; neutraal: ‘ik kan evengoed omgaan met ... als voorheen.’ - Psychologische motieven, vaak onderbewust: bewijsdrang, macht, verbinding, tegengestelde behoeften naar macht en intimiteit. - Hermans en Van Gilst (1988, 1991) verbinding collectieve en individuele thema’s. Basale collectieve thema’s: heldendom en liefde; basale individuele thema’s: zelf-bevestiging en verlangen naar verbinding.
Verhalen en plots transformeren gebeurtenissen naar betekenis, waarbij sommige gebeurtenissen meer nadruk krijgen dan andere. Thema’s en psych motieven brengen coherentie en richting aan in gebeurtenissen.
Valuation theory De auteurs nemen de definitie van het zelf van James over: ‘Het zelf is een georganiseerd proces van waardering.’ - Proces: elk mens leeft in een tijd-ruimte-omstandigheid met vroeger-nu-later en hier-elders. - Georganiseerd: het systeem van ervaringen met verschillende gewichten. - Waardering: betekenis in termen van plezierig, onplezierig of ambivalent. Zelfreflectie leidt tot een georganiseerd narratief over jezelf, dat kan evolueren naar tijd en plaats.
I = de verteller, de observeerder Me = de actor, de acteur, de geobserveerde Mine = andere figuren en objecten (mijn vrouw, mijn kinderen, mijn huis) Onderscheid me - mine niet perse helder. I construeert een verhaal over de Me in interactie met anderen.
Elke waardering (valuation) impliceert een affect, een emotionele lading. Als we weten we type affect is betrokken bij een gebeurtenis, dan kunnen we wat begrijpen van de waardering. Onder elk affect ligt één van de twee latente of basale behoeften aan zelfbevestiging en verbinding: - Ik heb gewonnen omdat ik hard heb getraind. Zelfbevestiging. Indicatoren: trots, kracht. - Ik houd ervan als mijn dochter piano speelt. Verbinding. Indicatoren: intimiteit, tederheid.
Valuation theory helpt het bestaande narratief te begrijpen, maar ook om te veranderen; mensen door te hervertellen te leren dat alternatieve constructies beschikbaar zijn. Meestal zijn zelfevaluaties à la ‘zo ben ik nu eenmaal’ niet waar; de persoon in kwestie ziet alleen de uitkomst van haar wordingsproces, maar niet de keten van valuations die er aan ten grondslag liggen en die zij ken veranderen.
Vertellen Verhalen vertellen impliceert een verteller en een luisteraar. In gesprek kunnen de rollen wisselen. Het verhaal, de coherente structuur van waarderingen, ontstaat in het vertellen. Tussen psycholoog en client, en ook tussen mensen. Voor succesvolle (zelf)evaluatie is het nodig dat de verteller zelf eigenaarschap neemt over de evaluatie en evt verandering.
Zelf-evaluatie Verleden: gebeurtenissen, personen, omstandigheden die nu nog van invloed zijn; Heden: idem verleden; Toekomst: voorzie je iets, iemand, een omstandigheid of doel dat invloed zal uitoefenen in de toekomst? Handig om affecten ten aanzien van gebeurtenissen in vier categorieën in te delen: - Zelf-bevestiging - Verbinding met anderen / iets anders - Positief affect - Negatief affect Zo ontstaat een matrix. Op basis van deze matrix kun je de dominante thema’s van je levensverhaal ontdekken.
Mensen hebben twee manieren om hun verhaal consistent te houden: 1. Situaties die het verhaal ondermijnen vermijden; 2. Afwijkende gebeurtenissen reframen zodat ze toch in het verhaal passen. Vanwege weerstand tegen verandering moeten mensen niet alleen bevestiging zoeken voor hun verhaal, maar ook ontkrachting: - Gebeurtenissen hebben in zichzelf geen waarde - Zoeken naar uitzonderingen op “altijd”, “nooit”, “alle” etc - Experimenteer met ander gedrag - Verankeren nieuw gedrag door herhalen en uitbreiden. Let op rol van omgeving in risico terugval in oud gedrag
Typen waarderingen Er zijn er 6: - Positieve zelfbevestiging: autonomie en succes - Negatieve zelfbevestiging: agressie en woede - Positieve verbinding met anderen: eenheid, liefde - Negatieve verbinding met anderen: onvervuld verlangen - Combi positieve zelfbev en pos verbinding: kracht en eenheid - Combi negatieve zelfbev en neg verbinding: krachteloosheid en isolatie
Narcisme Hermans heeft in een andere studie de affecten gerelateerd aan narcisme onderzocht met de volgende uitkomst: narcisten scoren laag op zelfwaardering, hoog op behoefte aan verbinden, laag op positieve affecten en hoog op negatieve.
Fictie Mensen nemen fictie op in levensverhaal. Via cogn dissonantiereductie en ook via fictieve personages: - Overleden dierbare - Voorbeeld (held, guru) - Adviseur, auteur - Beschermengel - Monster, vijand
Dissociatie Dissociatie is wanneer iemand (psychol) gebeurtenissen en ervaringen die relevant zijn voor die persoon niet toelaat. Meestal uit zelfbescherming, bijvoorbeeld om het eigen levensverhaal intact te houden. Er zijn vier soorten dissociaties: - Omissie. Weglaten. Leidt tot een onvolledig verhaal. Een onverwachte emotionele reactie kan wijzen op een omissie. - Fragmentatie. Leidt tot een versnipperd verhaal waarin onderlinge verbanden ontbreken. Impulsiviteit is een indicatie. - Onderschatten, klein maken. Emotieloos praten over iets ergs is een indicatie dat de persoon heftige emoties niet wil toelaten. - Vervorming. Verdraaien. Om gebeurtenissen in het eigen verhaal te laten passen (kan positief of neg zelfbeeld zijn). Alle vormen zijn een uiting dat mensen geen verantwoordelijkheid nemen voor hun leven zoals het echt is. Iedereen past een beetje dissociatie toe in het dagelijks leven en werk, dat is normaal. Het wordt disfunctioneel als iemand dissocieert bij grote levensgebeurtenissen.
Depressie Drie typologieën: - Unitary: er bestaat maar 1 soort depressie, alleen de hevigheid varieert. - Dualistisch: unipolair (alleen depressieve en normale periodes) en bipolair (depressieve en manische periodes) - Pluralistisch: allerlei typen zoals schizoaffectieve depr, psychotische, persoonlijkheidstypen, aanhoudende rouw, zelfhaat, hulpeloosheid en hopeloosheid. Depressieve mensen houden hardnekkig vast aan negatieve waarderingen. Verandering kost bij hen veel tijd. Aan drie soorten depressie zijn drie soorten suïcide verbonden: - Aanhoudende rouw: wens om bij de overledene te zijn, of niet zonder de andere te leven (bij verlating). - Zelfhaat. - Dood willen om zich niet meer hulpeloos en hopeloos te hoeven voelen.
Andere disfunctionele patronen: - Zichzelf geweldig vinden: overdreven zelfbevestiging icm gebrek aan verbinding met anderen - Afhankelijkheid: overdreven verbinding met anderen icm te weinig zelfbevestiging. - Grenzeloosheid: overdreven zelfbevestiging en behoefte aan verbinding. - Vijandigheid naar anderen: lage zelfwaardering icm onvermogend tot verbinding met anderen.
Lifelong development In volwassenheid blijven mensen ontwikkelen. Belangrijke fase: midlife transition. Tijdbesef verandert, relatie met levensdoelen verandert. Zowel positief (winst) als negatief (verlies). Twee factoren bepalen hoe mensen omgaan met levensgebeurtenissen: - Manifest niveau: de heftigheid van de gebeurtenis - Latent niveau: de flexibiliteit van iemand om zich aan te passen, om de gebeurtenis op te nemen in het eigen levensverhaal.
Samengevat - Pos zelfbevestiging: autonomie en succes. Disfunctioneel overdreven, doorgeschoten: ego, grandiositeit. - Neg zelfbev: agressie en woede. Disfunctioneel: vijandigheid. - Pos verbinding: eenheid en liefde. Disfunctioneel: afhankelijkheid. - Neg verbinding: onvervuld verlangen. Disfunctioneel: aanhoudende rouw. - Zowel pos zelfbev als verbinding: kracht en eenheid. Disfunct: grenzeloos. - Zowel neg zelfbev als verbinding: krachteloosheid en isolatie. Disfunctioneel: hopeloosheid en hulpeloosheid.
Onderwerpen om uit te vragen: - Activiteiten. Wat zijn je belangrijkste bezigheden? - Bronnen van plezier. Waar beleef je plezier aan? - Denken. Waar denk je regelmatig aan of veel over na? - Weerstand tegen persoon. Wie, wanneer, waar? - Weerstand tegen een groep mensen. - Gevoel van eenheid met persoon. Wie, wanneer, welke situaties vooral? - Eenheid met groep. - Samenleving. Aspecten van de samenl die van invloed zijn op jou? Wat is jouw positie in de samenleving?