Op de omslag van dit boek staat dat dit een roman is. Het heeft echter weinig eigenschappen van een roman. Er wordt geen verhaal verteld met een begin, een opbouw en een einde. Het is een bundel met losse stukken met de ikfiguur, Gerrit als hoofdpersoon. Het zijn autobiografische beschouwingen en anekdotes die bijeen gehouden worden door de typische toon van Krol, die van een wiskundige in het land der letteren die graag observeert en redeneert en daarbij soms rake dingen zegt, zoals je het bij het lezen van een gedicht kan overkomen, soms ook blijft het steken, is het minder boeiend. Mij sprak het verhaal over een blijf van mijn lijf huis wel aan, met het jaren zeventig feminisme. Ook is er een mooi stuk over de dichter Rutger Kopland, met wie Krol zich verwant voelt. Al is het dan geen gewone roman, het boek geeft wel een beeld van het leven van Gerrit Krol. Er is geen andere Nederlandse schrijver die op hem lijkt. Het is een uniek geluid, ook waar het soms schuurt. Zo is hij niet zonder meer tegen de doodstraf, terwijl ik die principieel afwijs.