Journalist en muziekfanaat Peter Van Dyck stelt met Watskeburt, Lage Landen? een ware eregalerij van het Nederlandstalige lied samen. Hij graaft in leven en werk van bekende helden, vergeten goden en rijzende sterren aan het Nederlandse en Vlaamse muziekfirmament: van volkszangers en cabaretiers tot polderrockers, beatniks, nederpoppers en frithoppers. Een cultuurgeschiedenis die de brug slaat tussen jong en oud, Nederlands en Vlaams, levenslied en hiphopbeat. Bovendien legt hij zijn oor te luisteren bij Boudewijn de Groot, Guido Belcanto, Herman van Veen, Kommil Foo, Rick de Leeuw, Raymond van het Groenewoud, Henny Vrienten, Kris Wauters, Eva De Roovere, Roosbeef, Bart Peeters, Stef Bos, Spinvis en Flip Kowlier. Hij schrijft hun kleurrijkste verhalen op en verdiept zich in hun meest iconische songteksten.
Ja Man! Luf It! Over Spinvis en Clouseau of Fresku en Bram Vermeulen op dezelfde respectvolle en zonder waarde oordelende manier kunnen schrijven. Het boek probeert een naslagwerk te zijn en slaagt hier in is ook nog eens heel goed geschreven en bevat wel degelijk een mening van de schrijvert. Op voorhand niet veel van verwacht maar echt een aanrader voor iedereen die in het Nederlandstalige lied is geïnsereerd!
Over muziek spreken is geen makkelijke taak. Waar begin je, waar eindig je, hoe deel je je verhaal in? Er is zoveel te vertellen, en bovendien: alles en iedereen vloeit in elkaar over, loopt dooreen... Maar ergens moet je grenzen trekken. Dat is een van de zaken die me meteen opviel in dit boek: Van Dyck heeft grenzen getrokken, en hij heeft zich er niet eenvoudig van afgemaakt met het chronologisch te doen; nee, hij doet het per... 'genre', bij gebrek aan een beter woord. En zo maakt hij overal verbanden. Het is een tijdsdocument, absoluut, misschien wel een van de grootste over de muziek van de Lage Landen. Een dikke pil van vijfhonderd bladzijdes, alstublieft, en dan nog is het alleen maar de Néderlandstalige muziek; van Engels is hier eigenlijk geen sprake. In die vijfhonderd bladzijdes komt zo'n zeventig jaar aan muziek voorbij: hits, culthits en door (bijna) iedereen vergeten nummers. Het is een aaneenschakeling van citaten, interviews, verhalen, weetjes, feiten en ga maar door. Zoveel komen er aan bod - van Boudewijn de Groot tot Toon Hermans, van K3 tot Arbeid Adelt!, en nog zoveel meer. Honderden namen worden vernoemd en besproken, en ze hebben overal contacten. Je gelooft nauwelijks wat je leest als je hoort wie wie allemaal ontmoet heeft - in Engeland, in Amerika... De grootste sterren ter wereld komen aan bod. Zijn er gaten te bespeuren? Ja, absoluut - ik was redelijk verbaasd dat er met geen woord over bijvoorbeeld Alexander Curly gerept wordt. Maar ach, het is dan ook 'een eigenzinnige canon', dus er worden keuzes gemaakt. En aan de andere kant wordt er dan wel weer aandacht besteed aan Mariska Veres; blijkt dat zij heel wat meer heeft gedaan dan zingen over Romeinse godinnen, spoorwegmannen en inktpotten. Voor mij een verbijsterende onthulling. De tekst is helder, duidelijk, zonder dubbelzinnigheden. Hier en daar hadden de paragrafen iets beter in elkaar vervlochten mogen worden, soms staan ze nogal los van elkaar, terwijl ze op andere momenten toch echt in elkaar overgaan, maar ach, dat is ook niet zo'n ramp. Er zijn momenten dat je moet lachen door alle rare sprongen die er in de muziek gemaakt worden, en soms zit je te huilen van misère, vooral als er op een vijftal bladzijdes drie Vlaamse artiesten na elkaar besproken worden die 1) veel te vroeg zijn heengegaan, om verschillende redenen, en die 2) pas veel te laat - na hun dood dus - de waardering hebben gekregen die ze verdienden. Hier en daar valt het toch weer op: er was een tijd dat Vlaanderen duidelijk noch oog, nog respect had voor de talenten die er rondliepen. Doodzonde. Voor de Nederlanders zorgt dat Vlaamse aspect in dit boek misschien voor problemen. De verdeling Vlaanderen/Nederland is ongeveer 50/50, maar naast het feit dat Vlamingen zelf lange tijd niet overtuigd waren van de pracht die zich onder hen bevond, hebben de media en de platenmaatschappijen eveneens lange tijd niet de moeite gedaan om aan reclame in het buitenland te doen, zelfs niet in Nederland. Vlamingen zullen de meeste Nederlandse namen in dit boek wel kennen, maar omgekeerd? Helaas vrees ik dat dat minder is. Nederlanders zullen zich misschien minder kunnen vinden in het boek, en de inhoud er minder van herkennen. Zet alsjeblieft door; er staan je pareltjes te wachten. En, zoals Van Dyck al in zijn epiloog zegt: er is zoveel kruisbestuiving geweest tussen Nederlandse en Vlaamse artiesten, het is om versteld van te staan. Wat die epiloog aangaat; het is eigenlijk meer een nawoord, maar goed. Het is wel een van de beste die ik ooit heb gelezen, denk ik. De auteur slaat spijkers met koppen. En hij kan gerust zijn: ik ga me in elk geval zeker bezighouden met een hoop nummers eens op te zoeken. Bovendien zet de auteur in de epiloog misschien wel de belangrijkste zin in het hele boek neer. Het is iets waar ik ook al jaren van overtuigd ben, maar wat een heel aantal mensen dikwijls lijken te vergeten als ze het over muziek hebben: Au fond brengen onze liedjesschrijvers verslag uit van hoe het is mens te zijn. Want muziek is meer dan alleen maar muziek. Muziek gaat over het leven, de dood, over alles ertussenin. Het gaat over mensen. Het toont ons hoe we onszelf zien, wat ons wereldbeeld is, het geeft ons een indruk van de maatschappij van nu, en vroeger; het gedachtegoed, de sociale problematiek in een bepaalde periode, waar mensen aandacht aan beste(ed)den. Het gaat over politiek, cultuur, de sociale omgeving... En dat is het de sterkte van dit boek: Van Dyck vergeet dat voor geen moment. Het is maar een begin, natuurlijk, want het zijn 'maar' 500 bladzijdes, en er is nog zoveel meer te vertellen, ongetwijfeld... Maar het is ten minste een goed begin. Absoluut een aanrader als je van muziek houdt. Dit boek gaat je verrassen. 9,3/10