Liefdevolle verwaarlozing krijgt vorm in dit verhaal over een tienjarig meisje dat opgroeit in de jaren zeventig. Dankzij haar vriendschap met drie honden, de kus van een warm ei, en het warme fluweel van een dode mol houdt zij zichzelf staande. De drogisterij van haar ouders en haar ernstig zieke zusje, dat lijdt aan taaislijmziekte, vormen het decor waarin ze noodgedwongen een plek op de achtergrond heeft. Op de boerderij met de honden en de kippen en in het bos heeft ze haar eigen plek.