Wat hebben Cicero en Covey met elkaar te maken? Stephen R. Covey – misschien wel de bekendste managementgoeroe en Marcus Tullius Cicero, de grootste redenaar uit de Romeinse tijd? Beiden hebben op hun eigen terrein een iconische status bereikt. De een voor populaire managementopvattingen, de ander voor de kunst van het overtuigen, de retorica.
In dit boek kijkt Harm Klifman door de bril van de klassieke retorica naar de populaire managementboeken als Wie heeft mijn kaas gepikt? en Onze ijsberg smelt! Aan de hand van oude inzichten ontrafelt hij de technieken en praktijken die moderne auteurs gebruiken om hun ideeën over management over het voetlicht te brengen. Wie dacht dat managementtheorieën vooral een beroep doen op het gezond verstand, weet na lezing van dit boek beter. Populaire managementboeken spreken de lezer ook en vooral op emoties aan. Dat begint vaak al bij de titel.
Het lezen van een populair managementboek zal na lezing van Cicero leest Covey nooit meer hetzelfde zijn.
Geweldig leuk om te lezen, erg herkenbaar maar vooral heel interessant. Harm Klifman vergelijkt populaire managementboeken met de redenaars van de Romeinse tijd. Managementboeken zijn bedoeld om je iets te leren (denken we), terwijl redenaars je probeerden van iets te overtuigen. Maar wat een overeenkomsten blijken er te zijn! Als je dit boek hebt gelezen zal je managementboeken op een andere, kritischere manier gaan lezen.
oen Alexander de Grote de filosoof Diogenes tegenkwam, vroeg hij of Diogenes niet blij was om de keizer te ontmoeten. Diogenes, in een ton, zei alleen maar ‘Ga opzij, je staat in mn Zon’.
Zelfs dicht ik de vader van het Cynisme dan altijd een Amsterdams accent toe, waardoor het nog net wat lekkerder klinkt. In ‘Cicero leest Covey’ geeft Harm Klifman veel van dergelijke parabels om te laten zien dat deze zowel door managementboekschrijvers van nu, als door de klassieke retorici werden gebruikt.
De klassieke retorica drie-eenheid van Logos, Ethos en Pathos (Het logische argument, het autoriteitsargument en het emotionele argument) geldt nu nog steeds evenzeer als destijds, waardoor Klifman makkelijk voorbeelden vindt van dit soort elementen in managementboeken.
Dat levert een aardige opsomming van bekende managementboeken als die van Covey en Morgan op. Zo lang Klifman de link met klassieke oudheid kan blijven leggen is dat goed leesbaar. Minder wordt het als hij onderdelen van managementboeken bespreekt die niet direct een klassieke evenknie hebben als illustraties. Hij had daar wat meer het door hem besproken element van refutio (tegenspraak) of een goede redacteur kunnen inzetten of het echt wel aansloot bij de verhaallijn van zijn boek. Overigens vraag ik me af Socrates niet tekende bij de redevoeringen die Plato aanhaalt.
Helemaal aan het einde komt Klifman zuchtend tot de conclusie dat het soms wel lijkt op de strijd die Plato tegen de Sofisten. Dit waren griekse advocaten en politici die alles wat krom was recht konden praten. Dit komt nadat we 150 pagina’s over woordentrucs van managementgoeroes hebben gelezen.
Als gymnasiast was die strijd de eerste gedachte die bij me opkwam toen ik van dit boek hoorde. Misschien had die strijd de centrale these van dit boek kunnen zijn, waardoor het spannender zou zijn geworden. Nu is het een aardig leesbaar boek geworden, maar een beetje onduidelijk blijft wat je er nu precies aan hebt. De auteur komt er in zijn slothoofdstuk ook niet helemaal meer uit. Misschien is dat maar goed uit, want tussen de managementboeken die je aan het denken zetten, zitten vele met frases net zo hol als de ton die Diogenes droeg.
Cicero leest Covey is weer iets heel anders en moeilijk te categoriseren. Dit boek analyseert (en soms: fileert) de structuur en schrijfstijl van een aantal bekende managementboeken. Waarom zijn bepaalde managementboeken overtuigend (en waarom niet) waarom lezen ze prettig weg (en waarom niet)? De auteur gebruikt bij zijn analyse de regels van de retorica van het oude Rome, en introduceert Cicero als een van de beste redenaars en misschien wel de eerste management-guru. De analyse betreft metaforen, fabels en parabellen, visualisaties zoals tabellen en illustraties, en nog veel meer.
Dit boek belooft dat het lezen van een managementboek nooit meer hetzelfde zal zijn, en dat klopt! Ik vond het heel frappant dat ik direct en aantal ‘trucjes’ herkende in de boeken die ik ná dit boek las. Bijvoorbeeld dat tabellen een schijn van wetenschappelijkheid wekken, maar daar veelal absoluut niet op gebaseerd zijn. Of om steeds naar dezelfde (indirecte) bronnen te verwijzen, maar niet naar de uiteindelijke onderliggende wetenschappelijke onderzoeken. Een ‘zelf-referentieel circuit’ noemt de auteur dit. En het gebruik om een nieuw model te laten voorafgaan door een overzicht van oudere modellen, zodat de schijn van groei of verbetering wordt gewekt. Ik was al een kritische lezer, door het jurywerk werd ik nóg kritischer, en na dit boek ontsnapt er niets meer aan mijn kritische blik!