'Hier is alles veilig' is de debuutroman van Anneleen Van Offel. Ik werk al een tijdje met Anneleen samen binnen een project en ben dus een ietwat beïnvloede lezer. Toch kleurt dat mijn mening over het boek geenszins.
Het was 17u op een zondagmiddag, de storm Ciara duwde iedereen naar binnen waardoor ik het boek op nam in de hoop in mijn verbeelding te kunnen vluchten naar plek ver van hier. Zo kwam ik terecht in de glooiende woestijnvlaktes in Israël in het verhaal van de arts Lydia. Prompt las ik het boek in één ruk uit omdat het verhaal me zo beheerste. In het verhaal volgen we Lydia die na een dwingend bericht van haar zoon Immanuel "kom naar Israël, mama" de reis naar Israël aanvat. Daar aangekomen, blijkt ze te laat. In het indringende begin laait de wanhoop van Lydia al over naar de lezer wanneer je beseft dat de getormenteerde Immanuel al overleden is. In de dagen na zijn begrafenis tracht Lydia via het verhaal van enkele krachtige nevenpersonages zoals Ofra (de vriendin van Immanuel), de rabbijn, Eran, Uzi, Joachim Polak (de vader van Immanuel) en enkele soldaten waarmee Immanuel dienst deed het verhaal van haar stiefzoon te reconstrueren. Want gaandeweg verloor ze het contact met hem en in zeker zin voelt de Immanuel die ze in Israël leert kennen als een vreemde. De zoektocht maakt een diepe impact op Lydia, ze valt zelfs samen met Immanuel, zijn stem wordt haar stem, waardoor het bijzonder verrassend is dat halverwege de roman Immanuel plots toch over een eigen stem blijkt te beschikken en zelf aan het woord komt. Zo krijg je het Israëlisch conflict ook door zijn ogen te zien. Hoewel elk personage een eigen stem heeft, krijg je ook de stem van de auteur te horen. Er zijn de gedetailleerde observaties, de scherpe vergelijkingen (de barst die door het ganse verhaal raast), de gevatte humor, de mooie poëtische stukken over liefde en genegenheid ("Nooit heeft mijn lichaam zich na Joachim aan de jaren zonder aanrakingen aangepast. Mijn huid hongerde naar huid, mijn oren naar geluid dat ik niet zelf veroorzaakte.", "Wat blijft er van mij over als je ons van me aftrekt?") en het verschroeiende ritme waarmee je stap voor stap het ganse verhaal samen met de auteur mee construeert. Het verhaal bouwt zo op naar een wondermooi slot.
Anneleen Van Offel schaafde lang aan deze roman, werkte ruim zeven jaar aan het boek, bezocht Israël meermaals, sprak met tal van soldaten, familie's van slachtoffers, betrokkenen van het conflict. En dat voel je. Het is een zeer voldragen debuut, waarin de grootste debutantenfoutjes quasi allemaal zijn weg geschaafd en waarin Anneleen ten allen tijde de controle over het verhaal en haar personages behoudt.
Mooi!
Enkele passages:
"En al de rest valt daarbuiten. Al die niet-dagen, die on-momenten, die non-uren. De niet-tijd waarin we niet wisten waarom we bij elkaar bleven, waarop we geen plannen maakten, de niet-tijd waarin we elkaar ontvoelden, en ontzeiden, en ontluisterden, en ontzagen, en ontdeden, en ontzoenden.
Waarin we stiller gingen praten tot we uiteindelijk alleen nog dachten, en wat we dachten niet meer deelden, zodat het bleef groeien tot het woekerde.
"Hoe kan ik hem dan troosten, hoe kan ik mijn eigen kind troosten als ik alleen het huidige verdriet van mijn gezicht kan strelen, het verdriet van vandaag? Als ik niets meer kan zeggen dan dat we in een andere tijd leven en dat de kampen niet meer bestaan, terwijl ik goed besef dat er in hem een oud verdriet schuilt, een verdriet dat hij nog niet begrijpt, laat staan dat ik het zal kunnen begrijpen. Dat ik kwaad kan worden op jou, voor het kind in de keuken, maar dat ik pas nu besef dat ook jij op afstand houdt wat anders te dicht komt bij een wond die je zo goed voor me verbergt dat ik vergeet dat ze er is."
"Hij loopt naast mij, Immanuel, in een echo van deze stad, een stad waarin we samen over de straat kunnen wandelen, terwijl het gruis van de bakstenen huizen tussen onze schoenen kruipt, onze longen zich vullen met elektrisch geladen lucht, de poriën van onze huid zich openzetten en de stad laten doordringen. Langzaam bezet ze ons lichaam, tot we zo op elkaar lijken dat we samenvallen. Zo ga ik voort, langs de bocht van de straat, verder omhoog. Ik duw zijn shirt dicht tegen me aan, als een verschoten witte vlag."