Mateloosheid. Dat is hét kenmerk van de moderne tijd. Die staat daarmee haaks op de grote Europese Traditie, die teruggaat op Athene en Jeruzalem. Want in die Traditie gaat het om de juiste Maat, maathouden, maatvoering, matigheid. De kerngedachte is dat de juiste Maat te vinden is in de werkelijkheid, al is ze niet zichtbaar. Men moet er oog voor hebben. Er is een juiste maat in kleding, een juiste maat in eten en drinken, een juiste maat in werken en ontspannen, in vreugde en verdriet, in vrijheid en gelijkheid, ja, in alles. Tact is een vorm van maatvoering. Redelijkheid is dat ook. Goed en kwaad zijn uiteindelijk niets anders dan maat houden. Dit inzicht, deze wijsheid, is weggevaagd door de ideologieën van de Verlichting en de Romantiek, die de moderne wereld domineren. Het zijn beide ideologieën van de oneindigheid, dat wil zeggen mateloosheid. De Verlichting zoekt het heil in de eindeloze economische en technologische vooruitgang, de oneindige bevrediging van de begeertes. De Romantiek zoekt het geluk in eindeloos experimenteren en de eindeloze introspectie, op zoek naar het oneindige Zelf. Het gevolg is een wereld die uit het lood is geslagen en een mens die niet weet waar hij het zoeken moet. Terwijl het zo eenvoudig is: de juiste Maat. Onze voorouders wisten het. Wij zijn het vergeten. Dit boek stoft de Traditie af en brengt haar weer tot leven.
Prof. dr. Andreas Kinneging (1962) is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden. Met zijn boek Geografie van goed en kwaad won hij de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofieboek van 2006.
Andreas Kinneging holds the Chair in Legal Philosophy at the Law Faculty of the University of Leiden. He is the editor of a new, three-volume English edition of Nicolai Hartmann's Ethics, and most recently he edited a book on the future of the European Union titled Rethinking Europe's Constitution. The Dutch edition of The Geography of Good and Evil was awarded the Socrates prize in 2006 as the best Dutch book in the field of philosophy.
Het wereldbeeld van Andreas Kinneging is weinig complex. Tot en met de Middeleeuwen heerste het Platoons-christelijke wereldbeeld, in Kinnegings termen de Traditie. Van deze Traditie is Plato de vader. Het christendom is in wezen platoons, zowel in de Evangeliën als bij Augustinus en Thomas van Aquino. Het basale inzicht van zowel Plato als het christendom is dat er in de dingen een bepaalde maat of een norm ligt, voortvloeiend uit de Ideeën. Van dit inzicht is in de moderniteit afscheid genomen. Beginnend met het nominalisme en de Reformatie en culminerend in onze tijd, is de moderniteit een geschiedenis van achteruitgang. Deze achteruitgang kent twee verschijningsvormen: de Verlichting en de Romantiek, die respectievelijk corresponderen met politiek rechts en links in onze dagen. Kinneging presenteert zijn boek als een poging tot terugkeer naar de bronnen, voorbij Verlichting en Romantiek. Slaagt deze poging? Wat mij betreft niet. Als een uiteenzetting van de euvelen van de moderne tijd staat er veel behartigenswaardigs in, maar als hij de oorsprong hiervan analyseert gaat er veel mis. Ten eerste omdat de schets van de twee grote bewegingen van de moderniteit, de Verlichting en de Romantiek, erg oppervlakkig is. Het valt op dat Kinneging veelal vermijdt denkers te noemen die kenmerkend zijn voor deze bewegingen, zoals hij dat bij de Traditie doet. Hij wil een ‘abstracte, analytische schets’ geven (p. 19). Helaas loopt het veelal uit op een oppervlakkige karikatuur, waarbij hij Verlichting vooral associeert met overconsumptie en de Romantiek met ‘jezelf zijn’. Ik overdrijf hierbij niet. De passage op pagina 22 is een mooi voorbeeld, een tirade op onder andere “heel veel snoep, drank, zoet en vet eten” en “Yolo”. Als hij specifieker wordt en wel denkers noemt, wordt er ook niet veel opgehelderd. Kant, de auteur van het opstel ‘Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung’ staat volgens Kinneging ‘tamelijk ver af’ van de dominante geest van de Verlichting. Hobbes, een van de eerste vertalers van de Ilias en de Odyssee uit het Grieks ‘heeft niets te zeggen over kunst’. Ook in het gedeelte over de traditie gaat Kinneging vaak erg kort door de bocht. Een van de meest pregnante voorbeelden is hoe Aristoteles nu eens wordt gekarakteriseerd als een onbetrouwbare bron als hij over Plato spreekt, dan weer wordt gebruikt als exegese voor lastige passages uit Plato’s werk. Ten tweede omdat Kinneging op cruciale punten nog geen afstand kan nemen van het moderne denken. De eerste van die is de geschiedvisie. Kinnegings interpretatie van de Middeleeuwen als een voorlopig hoogtepunt, en de rest van de geschiedenis als een voortdurende degradatie (al is hij niet heel negatief over de zeventiende eeuw) is eigenlijk het conservatieve spiegelbeeld van Whig history. Het Verlichtingsbeeld van een opgaande lijn van progressie vanuit de duistere Middeleeuwen wordt eenvoudigweg op zijn kop gezet. Voor Kinneging is de moderniteit een ‘tweede, diepere zondeval’. Nu is de vraag natuurlijk of zo’n lineaire historiografie, waarin de zin van de geschiedenis immanent is, niet óók zo’n moderne dwaling is. Het tweede punt waarop Kinneging de moderniteit niet loslaat is de moraal. Hij kritiseert volkomen terecht het schadebeginsel als fundament van de moderne moraal (p. 35). Maar als hij vervolgens de opvatting van Thomas van Aquino over homoseksualiteit benoemt, wijst hij die af, omdat homoseksualiteit ‘voor derden geen nadeel of schade meebrengt’. Het derde, belangrijkste thema waarop Kinneging nog een echte Verlichtingsdenker is, is de godsdienst. Voor hem is de belangrijkste waarheid van de christelijke godsdienst, waarvoor hij veel sympathie toont, een morele. Hij benadrukt dat Jezus een voorbeeldfiguur is, en in de appendix betoogt hij zelfs dat er geen historisch bewijs voor Zijn bestaan is (een visie die door experts beslist niet wordt gedeeld, overigens). Het geloof in de Bijbel als Gods Woord of in de duivel als iets anders dan een metafoor is ‘kinderlijk’ (p. 403). Een dergelijke opvatting haalt echter de angel uit het christendom. Het christendom is geen platoonse nobele leugen om de bevolking deugdelijk te houden, of zoals Nietzsche het stelt “Platonismus fürs Volk”. Het staat vaak in volkomen tegenstelling tot de wijsheid van de wereld, “de Grieken een dwaasheid” (1 Korinthe 1:23). De waarheid van onze levensbeschouwing staat of valt met Jezus’ opstanding uit de dood, een gebeurtenis die geen enkel wetenschappelijke theorie ooit zal rechtvaardigen. In die zin is het geloof in Jezus Christus inderdaad kinderlijk. Maar het is alleen dat dwaze christendom dat een potent tegengif kan zijn tegen de dwalingen van de tijd, niet de zielloze burgermoraal van Andreas Kinneging.
Lezenswaardig boek. Een pleidooi voor de Traditie en een zeer kritische bejegening van Verlichting en Romantiek. De problemen van onze Moderniteit komen vooral op het conto van deze twee stromingen. Een herwaardering van de Traditie (Grieks-Romeinse oudheid en Christendom) is nodig om weer een gezonde samenleving te krijgen. Jammer dat Kinneging in een (onnodige) appendix vraagtekens zet bij de historiciteit van Jezus. Hij doet dat ook niet voor Plato en Aristoteles.
Er is een verschil tussen eruditie en scherpzinnigheid. Dit boek laat dit prachtig zien. Erudiet ja, maar argumentatief weinig scherp, zeer bevooroordeeld schrijfwerk gespeend van scherpte en feitelijkheid. Alle vormen van objectiviteit zijn ver te zoeken. Maar dat maakt het boek des te interessanter. Lijkt geschreven door een soort hedendaagse Shopenhauer. Prachtige foute nostalgie. Onzin op zijn mooist en - voor wie dit boek voor waarheidsvinding neemt - gevaarlijkst.
Een rechtgeaard conservatief boek. De verdienste is zeker dat het een duidelijk consequent inzicht geeft in de klassieke filosofie van Plato en Aristoteles in hun eigen tijd, en later via Augustinus en Thomas van Aquino. Juist bij deze lijn blijkt dat de duidelijkheid ook leidt tot rechtlijnigheid. De christelijke kersvaders worden in het keurslijf geperst van het schema dat al met de archeologie is vastgelegd. Er blijft weinig specifiek christelijks aan hen over. Instructief is vervolgens de bespreking van de Romantiek en de Verlichting als afwijking van en verraad aan de klassieken en de Europese traditie. Ik vraag me af of Kinneging Charles Tayler gelezen heeft. Deze ziet langs Hegeliaanse lijnen Romantiek en Verlichting vooral als kinderen van de traditie die hun eigen weg gaan, maar daarom niet minder verwant zijn, en daarom niet categorisch de deur van het vaderhuis gewezen moeten worden. De kritische benadering van Kinneging helpt wel om de Romantiek en Verlichting te zien doorwerken in huidige politieke richtingen. D66 is Verlichtingsdenken, GroenLinks als Romantiek etc. Beiden modern, maar ook elkaar tegenpolen. Omdat Kinneging geen verwantschap ziet tussen nieuwe filosofie en de Traditie ziet hij het somber in voor de moderne mens en Europa. Hij eindt als een roepende in de woestijn die neigt tot wanhoop omdat het Verlichtingsdenken en de Romantiek heel het leven en denken doordringen, ook van partijen en personen die voor de Traditie willen gaan. We moeten Kinneging danken voor zijn bijdrage het debat waarbij hij zelf zijn nek uitsteekt. Hij verdient een eerlijke repliek. Al heeft Taylor die geruime tijd al gegeven wat mij betreft.
Het valt niet mee om er "ongeschonden" doorheen te komen. Ik ben het Grieks en Latijn niet zo machtig dat ik hele geciteerde passages moet laten voor die zijn. Ik begrijp dat de schrijver per se wil voorkomen dat hij (alleen) secundaire literatuur voor zijn bewijsvoering aanvoert, maar in dit voorkomen is hij doorgeslagen. Jammer, want hij snijdt wel interessante thema's aan. Bijvoorbeeld: welke filosofische universalia c.q. grondslagen zijn de mens eigen, en wat is dat menselijke tekort? Het is af en toe een worsteling. Ik begrijp dat hij koste wat het kost wil voorkomen voor een amateur, d.w.z. iemand die alleen citeert, wil doorgaan en ik heb daar wel respect voor. Voor de lezer is het lastig en dat geeft hij zelf ook toe. Ik ben het met de schrijver eens dat er menselijke universalia (waaronder het menselijk tekort) bestaan. Die zie je namelijk dagelijks overal als je maar goed oplet. Wat dat betreft ben ik het met de schrijver eens om eens terug te grijpen naar de klassieken. Dat doet goed. Dat heb ik onlangs ook gedaan met het boek "How to be a stoic" van Massimo Pigliucci. Kan ik aanraden in deze tijden... Verder ben ik benieuwd hoe de schrijver aankijkt tegen toekomststudies van Yuval Harari en de onderzoeken in de neuropsychologie (Margriet Sitskoorn). Dat is weer voer voor filosofen.