Daniël Vis (1988) schrijft gedichten en treedt op. Hij publiceerde in onder meer Strak!, Het liegend konijn en Plebs. Dit jaar won hij de finale van het NKPoetry Slam, en ook stond hij op podia als iPoetry, Lowlands, Het gedichtenbal en de Zwarte Cross. Crowdsurfen op laag water is zijn langverwachte debuutbundel.
Bij deze dichtbundel ervoer ik hetzelfde dat ik vroeger bij de nieuwe platen van Pink Floyd had: bij de eerste keer draaien raakten ze me niet, op het saaie af, maar bij herhaaldelijk luisteren werden ze steeds mooier, totdat ze prachtig waren. Ik ben tot vier sterren gevorderd in dit proces, vijf zullen het niet worden.
De meeste dichters schrijven keer op keer dezelfde bundel, en dat is prettig voor lezers, want dan weten ze wat ze krijgen. Daniël Vis is een dichter die in elke bundel iets nieuws doet. Zijn debuut stond vol met schrijnende en rauwe gedichten over personages aan de rand, zijn tweede bundel las als het sectierapport van een psychose. Deze bundel - zijn derde - leest als een verslag van iemand die net uit tien jaar coma is ontwaakt en opnieuw moet leren begrijpen dat zijn lichaam, het ik, de ander, de wereld en de taal zich aan hem voordoen.
"bedoel ik, // met mijn handen/ en wat ik zeg,// dat ik hier ben?"
De taal in de bundel is elementair, eenvoudig, precies en filosofisch getint, als het stamelen van iemand die de taal opnieuw moet uitvinden. De dichter biedt de lezer vrijwel geen taalsnoepjes, lyriek, spektakel, schrik- of lachmomenten. De bundel biedt zelfs niet de bevrediging van het cryptogram, het cerebraal ontraadselen dat veel moderne poëzie kenmerkt. Elke zin in deze bundel houdt nauwkeurig verband met de vorige en de volgende. Wie deze bundel wil genieten, moet tijdelijk de wereld afleggen en zich opnieuw een huis maken. Als je dat doet, kan zich in het zeer elementaire kijken een vorm van mystiek openbaren. De bundel eindigt dan ook met een conjunctio, een mystieke verbintenis die zowel seksueel als geestelijk is. "wat we heilig/ kunnen noemen -//de huid/ die me omvat//en die je aanraakt."
In enkele opzichten is deze bundel totaal anders dan de twee eerdere van Daniël Vis: het meest opvallend is dat vijandigheid, verdriet en cynisme jegens de wereld en haar verschijnselen spoorloos zijn verdwenen, behalve in het begin, als "De schreeuw" van Münch wordt aangehaald - waarbij het personage in het schilderij niet zelf schreeuwt, maar angst heeft voor het schreeuwen van de wereld en daarom de handen tegen de oren drukt.
Een constante waarde is de hyper-analytische blik op elementaire fenomenen in de materiële en geestelijke werkelijkheid, die vervreemding kan opleveren. In de eerdere bundels was die analytische blik met afschuw, angst, verdriet of paranoïa verbonden, hier is het een open, bijna verbaasde manier van kijken. Een belangrijk motief is hoe de wereld (de mens, de taal, de dingen) zichzelf voortbrengt. Het thema voortplanting en voortzetting komt op verschillende manieren terug.
De afwezigheid van lyriek vond ik steeds prettiger en troostrijker naarmate ik meer in de bundel thuisraakte: de "ik" in de bundel kijkt op een manier die "purrrrfect equanimity" benadert, zoals ik een Boeddhistische leraar hoorde zeggen, dat wil zeggen "upekkha", een onthechte staat die je normaalgesproken alleen in diepe meditatie kunt bereiken.
Deze bundel vereist geduld en herhaaldelijk verwijlen. Dan zal zich "Het weefsel" openbaren.
Een ontdekking. Deze gedichten raken de kern. Van een en ander. Daar waar Tonus Oosterhoff redelijk dicht de kern probeerde te raken, raakt Daniël Vis de kern. Gewoon. Zonder postmoderne truken.