"Soms is de ziel moe. Je voelt verontrustende, heftige schokken, een radeloze gekweldheid, een verborgen doodstrijd die je bevreemdt en verscheurd. Je verlangt naar iets anders, je wilt definitief vertrekken, vluchten misschien, naar de oceaan of zo. Maar ik zucht alleen maar. "
" Ik ga weg, zeg ik ineens bij mezelf. Ik heb zin om de oceaan te zien. De gedachte alleen al doet me verlangen naar de ruige smaak van het stuifwater op mijn lippen, de sprankelende frisheid van het water waarin ik half-vrouw, half-vis ben, zonder vorm of gewicht, vrij en naakt in de golven.
Ik ga weg. Ik ga nergens meer aan denken. Ik zal slapen in een rotsholte. Als ik wakker word, is het prachtig weer, dan staat er een klein briesje en vegen overvliegende meeuwen de hemel schoon. En ik zal me helemaal uitrekken, benen en armen als een ster rond mijn lijf. "