“Menuet” bevat drie onderdelen. Ik gebruik opzettelijk niet de traditionele benaming “hoofdstukken”, omdat deze misleidend zou zijn in dit geval. Het is namelijk zo dat deze drie delen door de drie voornaamste personages in de ik-vorm verteld worden en dat deze voor het grootste deel over dezelfde (tot een minimum beperkte en dikwijls minuscule) feiten handelen. Het is wellicht overbodig, meen ik, hierbij op te merken dat het nochtans onmogelijk is de delen als afzonderlijke entiteiten te behandelen, noch ze in een andere volgorde te lezen.
Het is dus vooral belangrijk na te gaan wat precies de verschillen in feitenmateriaal zijn (of de interpretatie van de feiten) omdat deze wijzigingen tendentieus kunnen zijn (en ons dus inlichten over het karakter van de personages) ofwel een illustratie van de “onmogelijkheid van de mensen om met elkaar in contact te treden” kan zijn. Dit laatste is een “mondjevol” en daar ik deze omschrijving tamelijk dikwijls zal moeten gebruiken (omdat dit toch één van de meest typische uitingen van aliënatie, hét thema van dit boek, is), zou ik voorstellen deze te vervangen door de kernachtige Engelse term, “communication breakdown” (de scherpste illustratie hiervan is het gebruik van het woord “prikkeldraad” op p.61).
Vooraf wil ik er reeds de aandacht op vestigen dat we bij dit overlopen vooral getroffen worden door een inconsequentie van enkele jaren in de tijd. De jaartallen, waarover het hier gaat, zijn de diverse leeftijden van de vrouw opgegeven in de drie delen. In het eerste deel beweert haar echtgenoot dat ze 26 is (p.19) en dat ze reeds drie jaar gehuwd zijn (p.32), in het tweede zegt het meisje dat zij er 25 is en hij 29 (p.69), terwijl de vrouw zelf in het derde deel verklaart er 23 te zijn (p.92).
Rijst de vraag: is dit opzettelijk? Ik denk dat we niet zover mogen gaan dat we er de diverse tijdstheorieën, die voorkomen in de werken van Priestley, Ouspensky, Dunne en andere zogenaamd magisch-realisten erbij moeten sleuren, want de afwijking schuilt in amper drie jaren, wat ons dus eerder doet denken aan een onoplettendheid vanwege de auteur, die overigens een hekel had aan magisch-realisme, of althans toch aan de goeroe ervan: Johan Daisne. (“Het mooiste aan Johan Daisnes boeken, en ik zeg dat zonder ironische bedoelingen, zijn de titels,” aldus Louis Paul Boon in Vooruit van 12/10/1961.)
Nochtans ben ik van oordeel dat hij deze “fout” opzettelijk heeft begaan, namelijk om aan te duiden dat de precieze uiterlijke gebeurtenissen van ondergeschikt belang zijn tegenover de innerlijke ontwikkeling van de personages. (In een “Boontje” in Vooruit 18/6/1955 zegt hij zelfs dat het eigenlijk een symbolische roman is over een “driehoeksverhouding die in onze samenleving nog steeds aanwezig is. De botsing tussen ‘hij’ die kapot gaat aan de uitslovers, ‘zij’ die in de vooruitgang gelooft en ‘het meisje’ dat cynisch toekijkt hoe ‘zij’ zich afslooft en hoe ‘hij’ daaronder verstikt”. Zelf vind ik echter dat wanneer Boon dicht bij zijn eigen leven komt, hij achteraf vaak een symboliek verzint, die de aandacht van het autobiografische moet afleiden.)
Bovendien is – nog steeds wat de tijd betreft – het wel vermeldenswaardig dat de één zijn verhaal vertelt in de verleden tijd, het meisje in de tegenwoordige en de vrouw ook in de tegenwoordige tot ze plots (p.98) overschakelt op de verleden tijd. Ik denk echter niet dat we hier verdere conclusies mogen uit trekken, maar dat we dit enkel moeten wijden aan het impulsief schrijven van Boon.
Laten we dus best eens nagaan wat de voornaamste feiten zijn die elk van de personages ons mededeelt. (Pour la petite histoire: Jeanneke zelf geeft in haar mémoires toe dat het meisje uit het boek “een doodbraaf kind dat mij hielp in de huishouding” en dat toen nog geen veertien was, echt heeft bestaan). Het uitgangspunt van het relaas van de man is zijn alledaagse routine. Hij beschrijft zijn werk in de vrieskelders (p.9), zijn huiswaarts keren (p.11) en zijn thuiskomst (p.13). Alhoewel het voornamelijk het domein is van mijn bespreking van de kenmerken van de aliënatie, is het onvermijdelijk dat ik hier reeds de aandacht vestig op het “zonderlinge” (niet pejoratief bedoeld; ik zou ook het “individualistische” kunnen zeggen) van die man: in de vrieskelders brengt hij onder het werk zijn tijd vooral door met dagdromen en met gesprekken te voeren met zichzelf (p.9); tijdens de wandeling naar huis toe telt hij zijn stappen (p.11), werpt tegelijk schunnige en onschuldige blikken naar de benen van de kleine spelende meisjes (p.11) en slaat hij – in tegenstelling tot de massa – geen acht op een verongelukte vrouw (p.12). Meteen heeft Boon ons op amper drie bladzijden een volledig karakterportret van die man gegeven (alhoewel we nog niet weten dat deze futiliteiten inderdaad symptomatisch voor hem zullen zijn). Over het uiterlijke zegt hij niets.
In huis maken we kennis met het meisje in twee situaties die later door haar zullen heropgenomen worden, namelijk op haar hurken spelden rapend (p.14; zij: p.53) en op de trap de gezondheidsband vindend (p.15; zij: p.59). Dan krijgen we de “vlucht” naar zijn rommelkamertje (p.15), waar hij ons zijn vrouw schetst door middel van twee flashbacks uit zijn soldatentijd (p.16 en p.20, waarvan de tweede zich afspeelt tijdens de oorlog), die telkens aanleiding zijn voor een verdere regressie in de tijd namelijk tot zijn jeugd (p.17 en p.24).
Bij de tweede flashback van zijn jeugd krijgen we een nieuw parallellisme (het werk zit er vol van op alle vlakken: stijl, ideeën, feiten…) namelijk de belevenissen op de kermis (het lustig wiel) van hem aan de ene kant (p.24) en van zijn vrouw aan de andere kant (p.25). Tijdens déze terugblik komt ook het tuintje van zijn ouders ter sprake (p.26-27), waarbij hij terloops een incidentje vertelt van zijn vrouw die tegen de drooglijn is gelopen (p.28), een schijnbare onnozelheid, die later echter zal uitgroeien tot één van de weinige, echt belangrijke feiten. Na een uitweiding over het meisje komen we op een bruuske manier bij zijn vrouw terecht (p.30) en ongemerkt gaat hij weer terug naar het verhaal, in casu haar zwangerschap (p.31). Dit verwondert hem wel enigszins, want hij had steeds zijn voorzorgen genomen door zich op tijd terug te trekken (p.35-36), maar toch kunnen we hier geen verdenking uit aflezen (voor hem is zijn vrouw aseksueel). Ten slotte krijgen we dan de beschrijving van hoe hij het meisje betast, nadat de baby geboren is (p.43) en het ongeval in de vrieskelders (p.44), waarna dezelfde handeling in omgekeerde richting gebeurt (door het meisje beschreven, respectievelijk op p.72 en 73).
Ik heb zoveel aandacht aan deze résumé besteedt, omdat hij tenslotte als basis kan dienen voor de twee andere, waarbij het niet nodig zal blijken zo uitgebreid op de feiten in te gaan.
Het meisje begint haar relaas ook vanuit een voor haar typische situatie, namelijk de klas (p.49) – ze zal op p.64 trouwens een parallel trekken met de vrieskelders – van waaruit haar ideeën snel afdwalen. Door allerhande associaties komt ze bij de zwager terecht. Wanneer zij ergens spreekt over het opnemen van de man in “haar geheim”, dan bedoelt zij hiermee juist de verhouding van deze kerel tot diens vrouw. Dit “geheim” deelt ze uiteraard met deze laatste en daarom kunnen we weer een parallel trekken tussen hun beider interpretatie van de gebeurtenissen. Het meisje raadt zijn bedoelingen, omdat hij “iets honds in de ogen heeft” (p.61), wat weer wordt opgenomen door de vrouw die zegt dat hij haar “met de ogen ontkleedde” (p.86). De belangrijke rol die in dit werk door de ogen gespeeld wordt, zal trouwens later nog tot uiting komen.
Het meisje is ook getuige van de afspraak tussen hen (p.61; vrouw: p.88 en 91). De gebeurtenis in de tuin wordt door haar reeds geanticipeerd – zij het ook met twijfel; zij schijnt blijkbaar ook te denken dat de vrouw aseksueel is (alhoewel we natuurlijk een onderscheid moeten maken tussen de realiteit en romanpersonages is het toch opvallend dat Jeanneke in haar memoires zichzelf beschrijft als een koele vrouw die “nooit vlinders in de buik” heeft gevoeld) – wanneer ze op de zaterdagavond thuis zit (p.62-63). De zondagmorgen worden haar vermoedens bevestigd door het voorval met de drooglijn (p.64; vrouw: p.93), waarna zij de man gaat opzoeken in zijn rommelkamertje (p.65) om na te gaan of hij van iets weet. Hij “speelt” echter met zijn krantenknipsels.
“Zij wordt stilaan lastiger” (p.66) geeft een verloop van tijd weer, zodanig dat we de volgende bladzijde reeds de zwangerschap vernemen, waarbij vooral de anekdote verhaald op p.69 van belang zal blijken te zijn in het relaas van de vrouw (p.96). De geboorte zelf wordt door geen van beiden expliciet verhaald, door het meisje omdat ze de toegang tot het huis werd ontzegd (p.70), door de vrouw omdat ze er zich niets meer van herinnert (p.96). Daarna krijgen we dan de recente feiten zoals we ze reeds aangehaald hebben.
Voor wat de vrouw betreft moet er nog weinig aan toegevoegd worden, tenzij de flashback van haar jeugd (is het misschien omdat de gehuwden zich op het standpunt van het meisje proberen te stellen, dat hun jeugd zo’n belangrijke rol speelt?), waarin zij haar verhouding als vijftienjarige tot een volwassen man vertelt (p.79). Dit is vooral belangrijk wegens het feit dat ze een parallel trekt tussen deze man en haar zwager (p.86, p.91). Ten slotte ook nog dit: op diverse plaatsen zien we dat ze vreest dat haar man zelfmoord zal plegen (p.94, p.100), waarbij vooral het rommelkamertje een hallucinant gegeven wordt. Ook in hààr versie blijft de baby opzettelijk een ongedefinieerd iets.
Aan het fysische voorkomen van de personages wordt nergens aandacht besteed, tenzij aan enkele details die dan zo worden opgeschroefd dat we ze kunnen rangschikken bij de karaktertekening.
Deze is het meest expliciet uitgewerkt bij de vrouw, omdat zij zichzelf als het ware definieert en omdat zij beoordeeld wordt door de twee anderen. Bij deze laatsten is hun karakter vooral impliciet geschetst. Zij zijn niet zo oppervlakkig als de vrouw en laten zich dan ook alleen maar kennen door de manier waarop zij de werkelijkheid gadeslaan.
Toch vinden we in de tekst zelf over de echtgenoot volgende gegevens: hij is het type van de “brave man” (p.20), maar is in feite zo stil dat hij zijn vrouw schrik inboezemt (p.92). Kenmerkend is voor hem ook een zeker geestelijk masochisme (p.56). Ondanks zijn perverse gedachten krijgen we op bepaalde plaatsen toch de indruk dat hij het juist is die a-seksueel is en daardoor zijn vrouw in de armen van haar zwager drijft (p.18, 23, 87). Godsdienst heeft voor hem niet de minste zin (p.29, 57).
Het eerste wat we over het meisje leren, is wat ze eigenlijk in dit huishouden komt doen. Zij neemt in feite de taak van de vrouw over (p.13) door allerlei onbelangrijke klusjes uit te voeren, terwijl de vrouw de taak van de man vervult (p.52), daar hij onhandig is, en bovendien nog iets bijverdient, namelijk met kinderkleedjes te maken, welke verhandeld worden door haar zwager. De materiële onbelangrijkheid van het meisje wordt het best geïllustreerd door het steeds weerkerende beeld van het oprapen van spelden, die ze heeft laten vallen, en door het losmaken van verkeerd genaaid ondergoed.
Ondanks de minieme uiterlijke beschrijvingen wordt haar gezicht toch uitstekend gekarakteriseerd door de omschrijving “een foetus van een glimlach” (p.33), wat ons enigszins doet denken aan de uitspraak van de vrouw: “zij is geen kind meer” (p.92).
Verder leren we nog dat ze arm is (p.88), maar in tegenstelling tot de twee anderen worden we in het vage gelaten omtrent haar opvattingen over de godsdienst. Zij spreekt erover op een kille manier (p.29), wat echter geen spot inhoudt (p.30). De man brengt deze houding in verband met haar afkomst namelijk haar streng gelovige, maar offergeld stelende vader en haar moeder, die minder gelovig is, omdat ze is lastig gevallen door een priester (p.28).
Zoals ik reeds zei, bezitten we over de vrouw heel wat meer gegevens. Zij is steeds druk in de weer (p.13), handig (p.22), kategoriek (p.14 en 19), “verveeld omdat zij maar een vrouw was” (p.15), “steeds een dag vooruit” (p.18), een vrouw die niet veel nadenkt (p.51) en zich vooral geen vragen stelt (o.a. p.67 en 77), kortom zij is voor haar echtgenoot een “schild” (p.23). Zij leeft “het leven der anderen”, wat zich onder meer uit in haar gesprekken met de buren (p.13 en 19).
In haar jeugd was zij grappig en spontaan geweest (p.22), twee vroegere kwaliteiten die nu juist haar oppervlakkigheid kenmerken.
Herhaalde malen wordt er ook op gezinspeeld dat zij niet van kinderen houdt, wat het best geresumeerd wordt op p.97. Ook haar misprijzen voor ziekten en dergelijke (omdat dit haar doet denken aan de dood) komt op verschillende plaatsen voor, nergens echter zo gecondenseerd als in het prachtige beeld van het leven als een podium (p.30).
Zij is als “vanzelfsprekend” gelovig, wat strookt met haar afkomst (p.19, 78-79). Toch geven de twee anderen soms een andere interpretatie aan de reden van haar geloof, namelijk “uit berekening” (p.29) of uit gewoonte (p.57). Haar man noemt haar zelfs “gelovig maar niet betrouwend” (p.22).
Nu heb ik nog bij ieder van hen enkele karakteristieken achterwege gelaten, omdat deze bij alle drie weerkeren. Het zijn namelijk de beschouwingen die vastgeknoopt worden aan de lichaamsdelen waaraan het meeste aandacht wordt besteed: ogen, mond en handen. Zo zijn voor de vrouw “alleen de ogen en de mond… werkelijke organen” (p.31). Ook het meisje verraadt zich op het kritieke moment (p.69) door haar mond en haar ogen. Verder wordt er van de man gezegd: “hij denkt niet, hij kijkt alleen maar”(p.58), terwijl zijn ogen vergeleken worden met “messen” (p.14) en “hijgende vissen” (p.15). De ogen van het meisje krijgen een nog meer sinister cachet mee: “verdoemde ogen” (p.92), “moordtuigen” (p.98). Over zijn handen zegt de man: “Mijn handen en mijn gedachten konden elk een apart leven leiden” (p.23). Bij het vinden van de “gezondheidsband” door het meisje beschrijft hij eerst haar handen, hoe die in feite uit hun rol vallen van “het eigen vreemde en aarzelende leven” dat ze leiden en nu juist een weergave zijn van wat er in de gedachten van het meisje omgaat. Het meisje zegt trouwens: “Ik geloof dat men de dingen eigenlijk meer kan leren kennen door ze aan te raken” (p.49), wat onderlijnd wordt op de volgende bladzijde waar ze ernaar verlangt haar eigen lichaam te kennen, te betasten (cfr. ook p.62). Van de vrouw ten slotte wordt tot tweemaal toe gezegd dat ze het eten op tafel “stoot” (p.13, 49). Het tweevoudig aanwenden van deze ongewone uitdrukking alleen al, wijst op het belang ervan. Bovendien is het niet louter een seksueel kennismaken door het wederzijds betasten van de man en het meisje, waarbij we onwillekeurig moeten terugdenken aan de vrouw, toen zij nog een meisje was en hoe het betasten door haar minnaar ook eerder een zoeken, een ontdekken was (p.81).
Het thema van de aliënatie kunnen we op verschillende wijze belichten. We kunnen namelijk vooreerst nagaan hoe de twee “prototypen” (de man en het meisje) het van elkaar ervaren; daarna hoe zij elk afzonderlijk hun eigen, vervreemde wereld opbouwen en slotte hoe zij tegenover de “anderen” staan, in casu de vrouw en hoe deze blijkbaar ook een verandering in dezelfde zin ondergaat.
Het vervreemdingseffect sluit uit dat de man en het meisje ook maar enigszins op elkaar zouden gelijken. Het enige waarom ze tot elkaar hun toevlucht zoeken is juist hun individualiteit ten opzichte van de anderen. Dit uit zich onder meer in “ik was een eenzame sloep in zee. ik was een drenkeling – soms echter hoorde ik ergens een weerklank, soms hoorde ik van iemand een woord dat de echo was van mijn woord” (p.26) en in “Maar toen het meisje kwam ontdekte ik dat er nog meer zulke mensen waren als hij – dat zij beiden tot een ander soort mensen behoorden – een soort die niet zozeer te onhandig is om in onze wereld rond te lopen, maar zich veel meer te eigenwijs voelt, en misprijzend onze wereld aankijkt” (p.86).
Deze fragmenten onderlijnden toch eerder het samenhorigheidsgevoel; de onderling verschillende houding wordt echter beter geïllustreerd door “Maar hij is anders dan ik, en toch is hij bijna net dezelfde – de meeste mensen zien over alle dingen heen, zijn vrouw ook, maar hij merkt ze op gelijk ik ze opmerk… maar net is net of het hem verdriet doet. Hoe is dat mogelijk, hoe kan hij al die krantenknipsels treurig vinden, en niet dwaas?” (p.51)
Zij is dus vooral verwonderd over wat ik reeds zijn geestelijk masochisme genoemd heb. Dit blijkt ook bij het “grapje” over de man die naar Cuba trekt (p.52) en wanneer ze eindelijk door heeft waarom hij eigenlijk die krantenknipsels spaart (p.66). Toch ervaart het meisje hem als superieur wat zijn onkwetsbaarheid aangaat (het is alsof hij alleen zichzelf toelaat “hem” te kwetsen), dit wordt het best geresumeerd in “Eigenlijk gooit hij mij overhoop op dezelfde manier waarop ik de anderen overhoop gooi.”(p.53).
Hijzelf vergelijkt zich dan met een ontdekkingsreiziger (p.12) of een bunker (p.13). Typisch is natuurlijk zijn persoonlijke ervaring van de “communication breakdown” (p.17), wat door hem echter niet als tragisch wordt beschouwd, integendeel het is juist de opdringerigheid van de maatschappij die hem hindert: “Ik wist wel, en reeds lang, dat ik een vreemde was onder hen. Ik begreep alleen niet waarom zij dit niet wilden aanvaarden, waarom zij niet gewoon zegden: hij is een vreemde onder ons” (p.18). Eigenlijk zou hij zijn afzondering nog liever in de hand werken, door de bruggen van de taal te verbranden: “Ik zoek steeds vruchteloos naar andere woorden dan deze die zij gewoon gebruiken” (p.19). Het verdriet dat dit hem langs de andere kant veroorzaakt, wordt door hem als volgt gemotiveerd: “ik… heb geweend, omdat al die andere straten en huizen en mensen bestónden – ja, gewoon omdat zij bestonden en ik nooit over hun bestaan iets had vernomen” (p.24). Dit verdriet slaat soms over tot angst (p.36, 52 en 96).
Natuurlijk gebruikt hij voor de overige mensen bij voorkeur de typische uitdrukking “de anderen” (b.v. p.20, 21), maar soms zegt hij gewoonweg “de mensen” (zo spreekt hij op p.17 van “dat ik nooit vertrouwd ging raken met het leven der mensen”), wat dan scherp contrasteert met de vergelijkingen met dieren, die hij zichzelf toemeet (voor hem is “dierlijk” een positief adjectief, cfr.p.22, in tegenstelling tot zijn vrouw die het juist in de negatieve zin gebruikt, cfr.p.95). Zo lezen we o.m. “ja, ik was een dier, niets meer” (p.21) en “ik was een eenzaam dier” (p.35). Ook in andere gevallen haalt Boon zijn beeldspraak vaak uit de dierenwereld (b.v. p.32, 41, 44 en 70).