Ik dacht hoe geweldig het zou zijn om langzaam te verdwijnen, maar dan ook echt, dat als de mist weer zou zijn opgetrokken ik een lege plek was.
In filmische scènes schetst Meinderts het leven van Jacob Danielsen, een eilandjongen die droomt van een leven elders, zonder Lucia op wie hij achteloos verliefd is. Jacob worstelt met de dood van zijn vader en is gefascineerd door Maria Simons, een jonge vrouw die juist naar het eiland is gekomen om een nieuw leven te beginnen. Mist is een rauw en poëtisch verteld verhaal, waarin misschien de echte hoofdpersoon het eiland zelf is.
Koos Meinderts groeide op in Den Haag. Na de middelbare school vertrok Meinderts naar Leiden voor een studie pedagogiek. Die studie brak hij voortijdig af en hij begon met schrijven.
De samenwerking tussen Meinderts en zijn schoolvriend Harrie Jekkers is begonnen rond 1980. Beiden woonden destijds in Utrecht. Aanvankelijk bestond de samenwerking uit het schrijven van liedteksten voor de popgroep Het Klein Orkest, de inmiddels opgeheven band waarin Jekkers gitaar speelde en zong.
In 1983 maakte Meinderts zijn debuut met het kinderboek Mooi meegenomen. In datzelfde jaar verscheen van Meinderts en Jekkers het satirische boek Tejo, De lotgevallen van een geëmancipeerde man. In 1985 verscheen hun tweede boek, Uit de school geklapt, een satire op het onderwijs. Voor de NCRV-televisie schreven Meinderts en Jekkers de gelijknamige serie. Vanaf 1988 schreven Jekkers en Meinderts samen vele liedjes en drie theatervoorstellingen met Jekkers als uitvoerend artiest.
In 2000 stond Harrie Jekkers samen met Koos Meinderts in het theater. In Jekkers & Koos, Het verhaal achter de liedjes vertellen Jekkers en Meinderts hoe hun samenwerking destijds tot stand kwam en het verhaal achter de vele liedjes die ze samen schreven. In het boek Achter de duinen zijn hun liedjes voor het eerst bijeengebracht, samen met een cd met daarop vijf nog nooit eerder uitgebrachte nummers.
“Toen was ik bang, nu dacht ik hoe geweldig het zou zijn om langzaam te verdwijnen, maar dan ook echt, dat als de mist weer zou zijn opgetrokken ik een lege plek was.”
“Ik voelde me gevangen, een dolend schaap, hoe vrij het zich ook bewoog en waarheen het ook liep, alle wegen en paden kwamen uit op de zee. Hier ben ik geboren, hier ga ik ook dood.”
Jacob Danielsen, een eilandjongen die droomt van een leven buiten het eiland zonder Lucia op wie hij achteloos verliefd is. Jacob, een eilandjongen die worstelt met de dood van zijn vader. Jacob, een eilandjongen met een fascinatie voor eilandbewoner Maria Simons.
Koos Meinderts schetst het leven van Jacob Danielsen op een poëtische en rauwe manier. Zijn pakkende en sfeervolle manier van schrijven, maakt dat je dit boek in één ruk uit wilt lezen. Het maakte ook dat ik daadwerkelijk op het eiland was. In het begin met wat mistflarden in mijn hoofd, je weet veel (nog) niet, net als dat je in de mist niet veel ziet.
Grotendeels lees je het verhaal vanuit Jacob, maar ook komen oom Willy en Maria aan het woord. Ieder op een andere manier verbonden met het eiland, het leven, de dood. Jacob is gefascineerd door Maria Simons. “Waarom was ze hiernaartoe gekomen, wat zocht ze hier, op dit stomme eiland, waar niks te doen was?” Maria stelt hem vragen, maar zelf laat ze niets los. Alsof ze geen vroeger heeft.
In de boeken van Meinderts, is de dood een vaker terugkerend onderwerp, maar niet per se als hoofdonderwerp. Ik moest denken aan De Vuurtoren waarin zee, leven en dood ook bij elkaar horen. Verhalen waarin een bijzondere en bijpassende sfeer naar boven komen, dat is wat Meinderts als de beste kan. Ook dit boek is er weer één om over na te denken zowel tijdens als na het lezen. Een boek om nog een keer te lezen en te overdenken. Knap vind ik ook dat geen enkele zin voor niets is geschreven. De betekenis van zinnen is mooi en passend en treffend vind ik ook de terugkeer of verwerking van bepaalde begrippen of zinnen in het verhaal.
“Jacob Danielsen, zo heette ik ook, van mij hoefde geen afscheid te worden genomen, ik nam me heilig voor op een dag geruisloos te verdwijnen. Hier ben ik geboren, hier ga ik niet dood.” Hoewel Jacob worstelt met de dood van zijn vader, worstelt hij ook met de vraag of hij werkelijk weg zal gaan van het eiland. Heel lang weet hij het antwoord op de vraag niet, maar het einde zal ik niet voor jullie verklappen.
Mist van Koos Meinderts speelt zich af op een eiland een paar uur varen uit de Nederlandse kust. Een eiland waar de tijd stil is blijven staan in 1955, of misschien in 1975. Het leven is er eenvoudig – schapen, sardines, kerk en dorpsgemeenschap, dat is het wel zo’n beetje. Jacob groeit daar op, maar droomt van vertrekken. Het leven is hem té voorspelbaar op het eiland. Ingebed of ingekapseld zijn in oude verhalen, anekdotes, relaties en tradities beklemt hem. Vertrekken is echter niet makkelijk als je je vriendinnetje bezwangert en je vader op sterven ligt. Maria, een jaar of tien ouder dan Jacob, komt juist naar het eiland voor de rust, en om weg te zijn van haar oude leven, dat misliep. Ze vindt een plek tussen de eilandbewoners. Voor enige tijd. Ze is mooi, ze is anders dan de vrouwen van het eiland. Jacob kijkt toe hoe ze naakt in zee zwemt. De derde hoofdrolspeler is Jacobs oom Willy, aan de buitenkant een stugge, steile man, type gereformeerde ouderling. Jacob haat zijn oom, maar ook Willy blijkt een eigen verhaal te hebben. Er is veel verlangen in dit verhaal. Romantisch verlangen naar ver weg, burgerlijk huisje-boompje-beestje-verlangen, destructief verlangen en lichamelijk verlangen. Dit alles tegen een achtergrond van plicht en sleur, maar ook van alledaags plezier, en plat vermaak. En tegelijk heeft Meinderts oog voor de mooie kanten van het eenvoudige eilandleven. Meinderts maakt alle verlangens voelbaar – in verstilde zinnen afgewisseld door rauwe bewoordingen; in verstilde beelden, beklemmende beelden en dan weer recht voor zijn raap. Wat moet je met al dat verlangen? Dat lijkt de hoofdvraag van dit verhaal. Negeren, wegdrinken, inslikken… of je bij de onhaalbaarheid neerleggen? Eraan toegeven, of, misschien, ze koesteren en ernaar leven? De verhalen van de hoofdpersonen spiegelen elkaar en zo versterken ze elkaar, terwijl ze langs elkaar scheren, soms op elkaar botsen en hier en daar elkaar een zetje geven. Meinderts maakt zijn personages niet mooier, beter of heldhaftiger dan ze zijn. Hij toont ze. Meinderts beschrijft Jacob zo, dat ik in hem de puber herken die ook ik ooit was: nukkig en twijfelend, vol verlangens, onzeker en soms agressief; een puber die brokken maakt en langzaam leert dat dat laatste onvermijdelijk is als hij een eigen leven wil leiden.
Leest prettig door de opzet met korte scènes. Meer young adult dan voor volwassenen. Alleen puber Jacob komt goed uit de verf en natuurlijk de sfeer van een waddeneiland.
Sinds dagen komt 'Mist' in flarden rondzweven in mijn gedachten. Even naar het eiland van Jacob, daar dwalend wandelen van uiteinde naar uiteinde en de bewoners ondertussen groetend of van een afstandje observeren. Weten wie wie is, welke eigenschappen of eigenaardigheden tot het kunnen plaatsen van ieder geluid. Een blik in de ruimte op het havenhoofd. Weids. Zee. Ik had langer in het verhaal willen blijven. Het léést! Over mensen. Over hoe het leven gewoon gaat. Toch wil Jacob maar één ding: weg.
Onderstaand citaat staat op één van de eerste bladzijden als meester Adams Jacob vraagt wat hij later worden wil en daarop geen antwoord weet - en ik zat in het verhaal met een enkele gedachte aan Birk dat ik onlangs las - overeenkomst een eiland: 'Ik had een onbestemd verlangen naar het onbekende, eenzelfde verlangen dat ik had als ik een sinaasappelpapiertje, dun als vloeipapier, gladstreek onder de strijkbout van mijn moeder en toevoegde aan mijn verzameling, die ik kreukvrij opborg tussen de bladzijden van mijn Wereldatlas'.
Dit is geen samenvatting van dit menselijke, rauwe, tijdloze, in vloeiende zinnen geschreven verhaal met een prachtig direct in het oog springend omslag. Geef ik ook niet. Lees zelf en laat je meevoeren op de onzichtbare flarden gedachten en vertelperspectieven in mist. Meinderts kan vertellen.