Ooit was ik meneertje literatuur bij Wisper. Niet alleen gaf ik de meest uiteenlopende schrijfcursussen, ik stuurde ook een team gastdocenten aan. Eentje van hen was Mahlu Mertens. Bij haar kon je terecht voor het schrijven van theaterteksten. Maar ze wou wel eens zelf een cursus volgen, eentje rond poëzie. Bij mij. Wat herinner ik me daarvan? Dat ie kort was: vier sessies slechts. Dat het goed toeven was in het Poëziecentrum op de Gentse Vrijdagmarkt. En dat Mahlu zich erover verbaasde dat wat ze bij elkaar pende echt wel poëzie was. Niet gek lang daarna liet ik Wisper achter me. Maar wat verheugde me het nieuws dat ze met de dichtbundel Ik tape je een bed de allereerste Zeefpoëzieprijs wegkaapte. Alweer in 2019 was dat. Pas nu las ik hem. Sorry, Mahlu. En ja, wat ik las, is wel degelijk poëzie. En niet zomaar poëzie, poëzie met een fijnmazig laagje emotie erover. Als ik er iets uit zou moeten plukken, wat me het meest raakte, zal het de openingscyclus zijn: Kans op neerslag.
Een bundel over ouders en kinderen en kinderen en ouders, over leven met de ander en over de ander in jezelf. De beeldspraak betreft opvallend vaak de maskering van het lichaam - de kleding, het harnas, het huis - en de pogingen daar doorheen te breken, iets uit te braken. Het afsluitende gedicht ‘Je moet natuurlijk mensen bedanken’ is heerlijk ironisch. De dank betreft “Allereerst je redacteurs voor alle uren / die ze uit je werk wegknipten” maar ook “Collega’s en vrienden / die niets van schrijven wisten, noch van poëzie, maar toch hun mening gaven” (p. 59). Sorry: ik ben ook zo’n collega en ken ik de dichter niet.
Binnen exact een uur presenteer je je tweede bundel, een goede gelegenheid om nummer één (2019) nog eens te herlezen… hij is nog steeds even goed. Tot straks in Gent!