In dit prachtig geschreven, vlijmscherp kritische en humaniserende boek lezen we een terechte en zorgwekkende maatschappijkritiek over hoe macht omgaat met mensen die afwijken van de norm, maar ook een liefdevolle oproep tot meer interesse, liefde en compassie naar juist die groep.
Roex laat zien dat we een steeds striktere norm van normaliteit afdwingen en een groeiende angst en afkeer creëren richting mensen die afwijken (die niet alleen vanuit de politiek, maar ook onze cultuur lijkt te komen). Zij die (vermeend) afwijken worden allemaal - hoe divers ze ook zijn - onder de noemer 'verward' geschaard en daarnaast (vaker ten onrechte dan terecht) als (potentieel) gevaarlijk gezien door een morele paniek en angst die wordt gezaaid door onze overheid, media en cultuur, ertoe leidend dat de repressie naar kwetsbare mensen toeneemt. De 'verwarde persoon' is een gevaarlijk sociaal construct dat kan worden misbruikt om mensen die het niet meer trekken in dit systeem (door afbrekende sociale voorzieningen, groeiende ongelijkheid, steeds meer prestatiepijn en daarbij behorende geestelijke ellende) uit te sluiten en onderdrukken. Ik vraag mij daarom nu af: al zouden we aannemen dat er nu meer verwarde personen zijn, zijn zij dan niet een symptoom van een verwarde samenleving of systeem dat een steeds grotere druk op ons bestaan uitoefent?
Roex draait de vraag omtrent het vermeende gevaar over verwarde personen om, door te vragen of een samenleving, media en een politiek die angst voor verwardheid zaaien juist niet een gevaar vormen.
Roex haar maatschappijkritiek is sociologisch en filosofisch sterk onderbouwd door verwijzingen naar en gebruikmaking van intellectuelen uit de sociologie, psychiatrie en filosofie.
Haar boek leest hier en daar als een door Foucault geïnspireerd werk, daar Foucault zich zijn leven lang bezig hield met de vraag hoe in een samenleving of cultuur het Andere, het afwijkende, wordt gedefinieerd en hoe er daarmee samenhangend mee wordt omgegaan. Hij laat zien dat het 'normale' superioriteit claimt boven het 'abnormale', met als gevolg dat het normale een monoloog volgt over het abnormale en laatstgenoemde ook onderwerpt aan allerlei normaliseringsprocessen.
Roex laat knap zien hoe wij nu als cultuur het 'normale' definiëren (namelijk als het consumerende, producerende, autonome, rationele, werkende subject dat diens belastingen en rekeningen betaald en zich materieel verrijkt) en daartegenover het 'abnormale' als 'verward'. De definitie daarvan is, laat ze goed zien, echter zo vaag, onprecies en breed en wordt in verband gebracht met zoveel negativiteit dat 'verward' een soort culturele code is geworden die onze waarneming ervan kleurt, maar dan zodanig negatief, dat het verwarde wordt gestigmatiseerd, gedisciplineerd en onderdrukt. Hoe zich dat voltrekt, duidt ze knap theoretisch, maar ook verrassend praktisch.
Met Byung Chul Han laat Roex zien hoe we in een vermoeide samenleving belandt zijn doordat we de disciplinering die Foucault beschrijft hebben verinnerlijkt en ons leven verheven hebben tot prestatieprojecten die bijna niet meer zijn uit te houden. Wanneer we falen in die projecten, zoeken we de schuld daarvoor bij onszelf, hetgeen leidt tot zelfverwijten en soms zelfs zelf-agressie.
Roex maakt verder gebruik van denkers als Loïs Waqcuant om aan te tonen hoe er een neoliberaal strafsysteem is gecreëerd dat solidariteit afdwingt aan het kapitaal, hoe het daar naartoe permissief is, maar hoe intolerant en punitief het tegelijkertijd is naar de onderkant van de samenleving, namelijk naar hen die niet rendabel zijn of kunnen worden gemaakt voor de markt. De machtsmechanismen waar mensen aan onderworpen zijn komen dus niet alleen van binnen zoals Han beschrijft, maar ook van buiten, zeker voor degenen die de prestatiepijn niet meer trekken.
Met Wolfgang Streeck laat Roex zien dat dit neoliberale systeem failliet aan het gaan is en dat het neoliberaal kapitalisme in haar huidige vorm onverenigbaar is met sociale rechtvaardigheid en democratische burgerrechten. De beheersdrift naar de onderkant van de samenleving groeit hierdoor.
Roex gaat echter verder dan alleen een duiding van sociaal-economische oorzaken, maar kijkt ook kritisch naar hoe onze normaliteitsdwang zich cultureel voltrekt, door de manier waarop het discours over verwardheid vormkrijgt en door een beschrijving van de concrete gevolgen die dit sorteert. Normaal wordt voortdurend gezien als superieur ten aanzien van abnormaal en het abnormale wordt voortdurend gestigmatiseerd en onderdrukt.
Na een diagnose te hebben geleverd, levert Roex ook handvatten aan voor oplossingen. Met Hannah Arendt laat ze zien dat het creëren van open ontmoetingen en gedachtewisselingen we het Andere tegemoet kunnen treden zonder angst, maar op humane, medemenselijke wijze. In verwijzing naar Henk Oosterling stelt ze dat wij als tussen-wezens moeten proberen aan het inter van onze relaties te werken, zodanig dat we vanuit oprechte inter-esse en vanuit een beginnershouding voorbij de negatieve karakteriseringen van het afwijkende, de Ander weer tegemoet kunnen treden. In verwijzing naar Haemin Sunim laat ze zien dat wanneer we het niet-begrijpen of kennen van het gedrag van de ander verwonderend weten te doorstaan, dit de poort kan openen naar meer interesse, liefde en compassie.
Door de scherpe diagnose en de emancipatoire inhoud van het boek doet ze de socioloog Pierre Bourdieu als een van de nog weinig kritische sociologen eer aan: ze laat zien hoe sociologie kan dienen als een zelfverdedigingssport, vooral voor de onderdrukten, en hoe een sociologisch voorstellingsvermogen onze denkkracht en relationele vermogens kan humaniseren, hetgeen bijdraagt aan een gezonde samenleving voor ons allen.